Zelfs de taal moet eraan geloven in het antikapitalistische ‘Themroc’

Anarchisme Dat Claude Faraldo’s Themroc geen belletjes meer doet rinkelen, is niet zo gek. Te radicaal, te zeer getekend door de tijd. En toch blijft de film actueel.

Themroc verandert na zijn ontslag in een soort holenmens. In zijn ‘hol’ in Parijs roostert hij buitgemaakte politieagenten.
Themroc verandert na zijn ontslag in een soort holenmens. In zijn ‘hol’ in Parijs roostert hij buitgemaakte politieagenten. Foto ANP

Niet dat de rijen voor de bioscopen zich honderden meters over de stoep uitstrekten toen daar in het begin van de jaren zeventig Claude Faraldo’s film Themroc draaide. Maar faam had dit radicaal anarchistische sprookje wel, vooral onder studenten en intellectuelen die gevoelig waren voor de boodschap ervan. Of zelfs alleen maar voor een flinke dosis zwarte humor. Want Themroc, uitgekomen in 1973, onderscheidde zich van het gros van de maatschappijkritische films doordat erin af en toe flink wat te lachen of althans te grijnzen viel.

Van die faam is vijftig jaar later weinig over. Zelfs bij filmkenners roept de titel Themroc zelden meer op dan een glazige blik. Wie de film in een bioscoop wil zien, moet veel geduld oefenen en héél goed zoeken. Ooit kwam er een DVD van uit, maar ook die was jarenlang praktisch onvindbaar. Voor de gerestaureerde editie uit 2020 moet je soms flink dokken. Ironischer kan het lot van een woest antikapitalistische film niet zijn.

Van Themroc wordt het menige wereld- verbeteraar een beetje pips om de neus

‘Woest’ moet je daarbij letterlijk nemen. In Themroc keert een arbeider (Michel Piccoli) zich radicaal tegen de samenleving die hem veroordeelt tot het geestloos ritme van metro-boulot-dodo: náár het werk, óp het werk, en ’s avonds moe naar bed. Meesterlijk brengt Faraldo dat in beeld met een eindeloze sequentie van elke dag dezelfde kop ontbijtkoffie en dezelfde forensenmassa’s.

Zou daar bij menige andere sociaal-kritische cineast een grauwsluier van neerslachtigheid overheen komen, Faraldo geeft de arbeider Themroc een sluimerende oerkracht mee die zich vooral toont als een kolkende seksuele hunkering. Steevast bepotelt hij ’s ochtends het slapende lichaam van zijn zus, die zich dat graag laat welgevallen. Smeuïg filmt Faraldo de geminirokte benen van de typistes waaraan Themroc zich in de metro verlustigt.

Lust als weg naar geluk

We zitten middenin de jaren waarin bevrijde seksuele lust de koninklijke weg naar het geluk heette te zijn. De radicale Freud-studie L’anti-Oedipe van Gilles Deleuze en Félix Guattari was pas een jaar eerder verschenen. Maar onzichtbare barrières bestaan nog altijd. Iets té gretig bespiedt en besnuffelt Themroc de charmes van de secretaresses die zijn chefs ter beschikking staan. En dus vliegt hij de laan uit: het privilege van de één is niet dat van de ander.

Faraldo was met Themroc niet aan zijn anarchistische proefstuk toe. In 1971 had hij met Bof… Anatomie d’un livreur al de utopie van een libertaire leefgroep geschetst die zich van maatschappelijke zeden of verboden weinig aantrok. ‘Bof’ zegt de Fransman wanneer hij zijn schouders optrekt. Dat was nog een film met ordentelijke dialogen geweest. Maar in Themroc moet zelfs de taal eraan geloven. De personages in de film spreken wel, maar in onverstaanbare woorden – die niettemin volkomen begrijpelijk blijven. De conventie verdwijnt, om ruim baan te maken voor directe communicatie en confrontatie.

Zo radicaal had zelfs Jean-Jacques Rousseau, die in de achttiende eeuw schreef dat mensen vrij geboren worden maar zichzelf bewust in ketenen leggen, het niet kunnen bedenken. In Themroc trok Faraldo die lijn tot in de uiterste consequenties door, samen met vrienden uit het uit ‘mei-68’ voortgekomen improvisatietheater van het Café de la Gare. Piccoli mocht op dat moment dan al een ster zijn, de acteurs Patrick Dewaëre en Miou-Miou zouden pas het jaar daarop in Bertrand Bliers Les valseuses faam verwerven.

Holenmens

De vernedering van zijn ontslag maakt Themroc tot een ander mens. Brullend zien we hem naar huis lopen, waar hij zijn kamer kort en klein slaat, met een moker de buitenmuur wegbeukt en een leven begint als holenmens. Het maakt hem tegenover de politie onoverwinnelijk, voor de vrouwen om hem heen onweerstaanbaar. Van zijn ‘hol’, twee hoog achter op een Parijse binnenplaats, maakt hij een onneembare vesting. Het materiaal ervoor steelt hij op de bouwplaatsen van de zielloze flats waarvoor op dat ogenblik half Parijs tegen de vlakte gaat.

Daar raakt het anarchistische sprookje van Themroc even de werkelijkheid. Ook de oorspronkelijke behuizing van het Café de la Gare, vlak bij het gesloopte en in staal en beton heropgetrokken station Montparnasse, werd door die genadeloze moderniseringswoede bedreigd. Maar Faraldo’s blik is breder. Zijn film bekritiseert niet een ontspoorde cultuur, maar ‘cultuur’ als zodanig. Als een primitieve jager gaat Themroc ’s nachts op strooptocht; twee politieagenten die hij als jachtbuit mee terugneemt worden aan het spit geroosterd. Als onversneden alfa-mannetje laat hij zich de zinderende liefde welgevallen van een almaar williger harem.

Is Themroc daarom uit de mode geraakt? Te radicaal, te shockerend, te zeer getekend door wat rond 1970 nog een verlokkende droom leek? De vrouwelijke seksuele dienstbaarheid waarin de film zwelgt zou vandaag de dag een groter schandaal verwekken dan Faraldo’s boodschap ooit had kunnen doen. En de politie mag voor de Franse protestbewegingen dan nog steeds de meest zichtbare aartsvijand zijn, een kannibalistisch festijn ligt ook voor wie zich niet tot de vegetarische beginselen bekent érg zwaar op de maag.

Wat in Themroc ooit scherpe cultuurkritiek was, lijkt nu van de weeromstuit een nieuwe, woke cultuurkritiek over zich heen te krijgen. Toch is één ding hetzelfde gebleven, en dat geeft de film een verdiepte betekenis. Opnieuw klinkt her en der de roep op dat de hele wereld anders moet, radicaal en wel nú. Niet alleen de wappies dezer wereld verzuchten af en toe dat álles beter is dan de bestaande orde.

Precies in de radicaliteit van die verleiding ervan schuilt het gevaar, zo laat Faraldo’s idealistische moraliteit onbedoeld zien. Terug naar een eenvoudiger, primitiever bestaan volgens de natuur, jawel. Maar van Themroc wordt het menige wereldverbeteraar, emancipator of verlossingsprofeet nu een beetje pips om de neus.

Dan wordt de film, vijftig jaar na dato, alsnog actueel. Niet vanwege het noodlottige slotbeeld, waarin elk verlangen wordt ingemetseld in het beton van een Heerlijke Nieuwe Wereld. Maar vanuit het besef dat die uitzichtloosheid zelf de vrucht is van een té compromisloos vrijheidsverlangen. Dat, anders gezegd, een pietsie beschaving niet eens zo’n heel gek idee is.