Staat handelde niet onrechtmatig tijdens treinkaping bij De Punt

Treinkaping De rechtbank oordeelde in 2018 dat het geweld tegen twee kapers „absoluut noodzakelijk” was omdat zij hadden gedreigd gijzelaars te doden. Het hof kwam dinsdag tot dezelfde conclusie.
Nabestaanden van Max Papilaja en Hansina Uktolseja arriveren samen met advocaat Liesbeth Zegveld bij het paleis van justitie.
Nabestaanden van Max Papilaja en Hansina Uktolseja arriveren samen met advocaat Liesbeth Zegveld bij het paleis van justitie. Foto Sem van der Wal/ANP

De staat heeft niet onrechtmatig gehandeld bij de beëindiging van de treinkaping bij het Drentse dorp De Punt in 1977. Dat heeft het Haagse gerechtshof dinsdag geoordeeld. De uitspraak komt overeen met een eerder oordeel van de rechtbank. Hiermee is het verzoek om schadevergoeding door de nabestaanden van twee kapers opnieuw afgewezen. Bij de beëindiging van de negentien dagen durende gijzelingsactie doodden mariniers twee gegijzelden en zes van de negen Molukse kapers. Volgens nabestaanden was dat in zeker twee gevallen onterecht.

De civiele zaak tegen de Nederlandse staat is in 2015 aangespannen door de nabestaanden van twee van de gedode treinkapers. Max Papilaja en Hansina Uktolseja zijn volgens hun families bij de beëindiging op 11 juni 1977 van dichtbij geëxecuteerd, terwijl ze op dat moment zwaargewond en ongewapend waren en dus geen bedreiging meer vormden. De centrale vraag die tijdens het proces beantwoord moest worden was of de mariniers het tweetal onrechtmatig hebben doodgeschoten. Met andere woorden: mocht op Papilaja en Uktolseja worden geschoten terwijl zij zich volgens hun families niet meer nadrukkelijk konden overgeven?

Het hof wijst dinsdag op de chaotische situatie en het beperkte zicht in de trein. Daardoor, alsmede door de inmiddels verstreken tijd, is het niet meer met zekerheid vast te stellen wat er precies is gebeurd. En bij twijfel kunnen de vorderingen volgens het hof niet worden toegewezen. De Haagse rechtbank oordeelde in 2018 dat het geweld dat de mariniers gebruikten „absoluut noodzakelijk” was, omdat de kapers hadden gedreigd gijzelaars te doden. Het hof sluit zich daar bij aan.

Een groep jonge Zuid-Molukkers kaapte op 23 mei 1977 wekenlang een intercity nabij De Punt en gijzelden de 54 inzittenden. De kapers eisten dat het kabinet zich zou inzetten voor de oprichting van een onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken en voor de vrijlating van 21 gevangen Zuid-Molukkers. Gelijktijdig vond een gijzeling plaats op een basisschool in Bovensmilde, die drie weken later eindigde toen de gijzelnemers zich overgaven. Diezelfde dag maakten mariniers en antiterreureenheden na goedkeuring van de staat op gewelddadige wijze een einde aan de treinkaping bij De Punt. Scherpschutters doorboorden treinwagons met kogels, terwijl mariniers de trein bestormden.