Recensie

Recensie Film

Ongeleid projectiel Adam Curtis brengt als documentairemaker orde in de chaos

Documentairemaker Van complottheorieën tot data-analyse: de Britse documentairemaker Adam Curtis neemt alles serieus in zijn nieuwe nonfictieserie ‘Can’t Get You Out of My Head’.

Beelden uit Adam Curtis’ nieuwe nonfictieserie Can’t Get You Out of My Head.
Beelden uit Adam Curtis’ nieuwe nonfictieserie Can’t Get You Out of My Head. Foto’s BBC

Er zijn vier manieren om naar documentaireserie Can’t Get You Out of My Head: An Emotional History of the World van Adam Curtis te kijken. De eerste is: midden in de chaos beginnen. Dus daar gaan we. De tweede is met de Adam Curtis-bingokaart in aanslag. Die ging na de release van zijn vorige documentaire HyperNormalisation (2016) viral op Filmtwitter. Daarover zo meer. De derde is door alles te noteren waar je meer over wilt weten. Dan heb je na de zes delen en bijna tien uur van Can’t Get You Out of My Head een notitieblok vol met namen en pijlen, alsof je een politie-inspecteur bent in een Hollywoodfilm die een moord met meerdere verdachten moet oplossen. Daarover zo óók meer. En de vierde manier is natuurlijk door het allemaal maar over je heen te laten komen.

En wat dat ‘allemaal’ dan precies is? Daarvoor moeten we die bingokaart een beetje aanpassen. Kruis maar aan: een eindeloze stroom van archiefbeelden. Intermezzi met popsongs en montagesequenties van dansende mensen. Check. De omineuze beginakkoorden van de song ‘Your Touch’ van rockband Nine Inch Nails. Die zitten er zo vaak in dat je er wel een drinking game van kunt maken. Dan de namen van bijrolspelers uit de geschiedenis die van Curtis een hoofdrol hebben gekregen: sixties stokebrand Kerry Thornley die bij wijze van parodie de complottheorie over de Illuminatie de wereld in slingerde; actrice Jiang Qing alias Madame Mao; Black Panther Afeni Shakur (de moeder van rapper Tupac); valiumpromotor Arthur Sackler; de Russische punk-dissident en latere oprichter van de fascistisch-communistische Nationale Bolsjevistische Partij Eduard Limonov. Als je die hebt afgevinkt, heb je beslist behoefte om ze allemaal nog eens te googelen. En tot slot Curtis’ laconieke voice-over, wiens favoriete zin is: „Maar toen werd het nog ingewikkelder.” Dat zegt hij vaak.

Orde in de chaos

Want ingewikkeld is het. Dus orde aanbrengen in de chaos van de moderne wereld is in het kort missie en methode van de Britse documentairemaker Adam Curtis (1955). Hij staat al sinds jaar en dag op de loonlijst van de BBC, maar hij is tegelijkertijd een ongeleid projectiel in het systeem van de 99-jarige en wereldwijd gezaghebbende publieke omroep. Sinds een jaar of vijf werkt hij voor de digitale afdeling van BBC Three, en gaan zijn films meteen online in première. Daardoor is hij niet meer afhankelijk van formats en timeslots. De zes delen van Can’t Get You Out of My Head duren allemaal ongeveer 80 minuten, maar er is nergens een timer die meeloopt of een reclameblok dat moet beginnen. Hij is de favoriete luis in de pels van de ‘Beeb’, zoals de BBC in het Verenigd Koninkrijk liefkozend wordt genoemd.

Curtis werkt zowel via systematische en analytische journalistieke methodes, als via associatieve essayistische technieken. Dat leverde toonaangevende docu’s op als The Century of the Self (2002) waarin hij laat zien hoe overheden en bedrijven de psychologische theorieën van Sigmund Freud gebruiken om hun boodschap aan de man te brengen. Hij maakte ook The Power of Nightmares (2004) en Bitter Lake (2015) over de overeenkomsten tussen de opkomst van het neoconservatisme in de Verenigde Staten en het Islamisme in de Arabische wereld. In HyperNormalisation onderzoekt hij de wereld van de post-truth, en hoe fictieve verhalen al sinds de 20ste eeuw en de opkomst van audiovisuele massamedia een rol spelen in het (geo)politieke machtsspel.

Curtis provoceert, zet grote lijnen uit, stelt retorische vragen en stoft vergeten geschiedenis af

Al die thema’s spelen ook een rol in Can’t Get You Out of My Head, maar dan net weer een beetje anders. Uitgangspunt is nu onder andere de vraag waarom hedendaagse populistische politici zo’n gebrek aan verbeeldingskracht hebben. Het zijn managers die zich nooit afvragen hoe en waarom het systeem waarin ze meedraaien tot stand is gekomen. Tenzij het in hun doodlopende steegje past om ergens een boze schaduw te projecteren die al het kwaad en ongenoegen in de wereld heeft gebracht.

God en de grote ideologieën zijn weliswaar dood, maar tegelijkertijd wordt het verlangen gevoed naar een fictieve wereld die er zo’n beetje uitziet als een Brits kostuumdrama vol folky nationalisme. Curtis provoceert, zet grote lijnen uit, stelt retorische vragen en stoft vergeten geschiedenis af. Hij is de ‘thinking man’s Michael Moore’ die politieke vragen stelt, zoals waarom het individualisme van de 20ste eeuw ervoor heeft gezorgd dat mensen niet langer bereid zijn zich voor een groter doel in te zetten. Met het welbekende wantrouwen in politiek en democratie tot gevolg. Die achterdocht leidt vervolgens tot angst en paranoia en daartegen bleken pijnstillers en kalmeringsmiddelen als valium (jaren zeventig), oxycontin (in de jaren negentig) en momenteel fentanyl machtige wapens, terwijl we ons anno nu bovendien met oude complottheorieën in een nieuw jasje verdoven. Wij burgers laten ons graag versuffen.

Geloven in vooruitgang

Dit zijn meer dan statements. Curtis is een soort media-psychoanalyticus. Hij ontleedt hoe deze gedachten en emoties zich via beeld- en popcultuur verspreiden. Mensen vertellen nu eenmaal verhalen om greep te krijgen op de werkelijkheid, stelt hij. Wat dat betreft is hij kritisch en geruststellend ouderwets tegelijkertijd. Hij blijft geloven in vooruitgang. In Bildung en wetenschap. En in het vermogen van kunst om de gevoelstemperatuur van de wereld te meten. In plaats van in slaap te sussen is Can’t Get You Out of My Head een opkikkertje van jewelste. Een gesprekskickstarter. Een puzzeltje wat je niet meteen uit je hoofd krijgt.

Tegelijkertijd eindigt de serie middenin chaos- en complexiteitstheorie die stellen dat de wereld misschien wel te ingewikkeld is om te begrijpen. Wat dat betreft is Curtis’ analyse uiteindelijk meer chaos dan orde. Meer contradictie dan eenduidige conclusie. Als je uitzoomt zie je het grotere geheel, maar als je inzoomt verlies je je voor je het weet in details.

Mensen zijn optelsommen van de verhalen die ze zichzelf en anderen vertellen om de werkelijkheid te verklaren, besluit hij. Er is niet één verhaal. Het is eenvoudigweg onmogelijk om als een detective in een film op een muur vol foto’s en krantenknipsels de dader aan te wijzen. De systemen die onze wereld bepalen zijn te gecompliceerd, te fragiel, en te instabiel.

Het is als de metafoor van de vlinder en de storm die wiskundige en meteoroloog Edward Lorenz in de jaren zestig gebruikte om te verduidelijken dat een kleine afwijking in het begin van een keten, later grote gevolgen kan hebben. Een vlinder die in Brazilië zijn vleugels openvouwt zou in die theorie maanden later ergens anders een storm kunnen veroorzaken. Maar hoe weten we of elke vlinder een storm veroorzaakt? In plaats van dat ouderwetse filmbeeld, zie ik opeens die scène voor me uit sciencefictionfilm Minority Report (2002) waarin Tom Cruise als een dirigent op een holografische interface gegevens ordent om een moord te voorkómen. Als we geen storm willen, moeten we dan maar alle vlinders kortwieken?