Recensie

Matthias Weischer schildert kamers van kleur, lijn en verfhuid

Recensie In het jaar waarin we thuis moesten blijven met een minimum aan visite schilderde Weischer huiselijke interieurs zonder mensen, net als hij daarvoor deed.

Matthias Weischer, Dawn, 2020, Olieverf op doek, 50 x 66 cm, MW20009.
Matthias Weischer, Dawn, 2020, Olieverf op doek, 50 x 66 cm, MW20009. Foto Uwe Walter / Drents Museum

De Duitse schilder Matthias Weischer (1973) heeft het eerste coronajaar goed gebruikt. Op zijn solotentoonstelling in het Drents Museum, die al in november opende maar de afgelopen zes maanden gesloten was, hangen flink veel schilderijen met het jaartal 2020 achter de titel. In het jaar waarin we thuis moesten blijven met een minimum aan visite schilderde Weischer huiselijke interieurs zonder mensen. Het is verleidelijk om een verband te leggen met lockdowns en quarantaines, maar uit oudere werken blijkt dat de kunstenaar zich al veel langer met lege kamers bezighield.

Een soort kijkdozen of poppenhuizen maakt hij ervan, open aan onze kant. Geschilderde toneeldecors waarin drie platte muurvlakken samen een ruimte staan te spelen. Hun maker lijkt intussen niet echt op ruimte uit te zijn: Weischer is het vooral om een boeiende compositie te doen. Je blik beweegt er gemakkelijk doorheen, maar met denkbeeldige benen kun je er nauwelijks uit de voeten. Het zijn kamers van kleur, lijn en verfhuid, geen architectonische weergaven.

Aan het doek gekoekt

Weischer schildert in korstachtige lagen olieverf. Binnen het beeldkader zijn vlakken begrensd door in de verfkorst gekerfde kieren of door lijnen die zo recht zijn dat ze een lineaal of afplaktape doen vermoeden. Aan de randen is diezelfde verflaag veel minder beteugeld: regelmatig gaat het dikke verfplakkaat nog even verder waar het schilderslinnen ophoudt. Het schilderij zit aan het doek gekoekt als modder onder je laarzen na een herfstwandeling.

Daardoor lijkt het soms alsof er in Assen fragmenten van oude muurschilderingen aan nieuwe museummuren zijn gehangen. In Dawn (2020) is er iets grappigs aan de hand: daar is de achterwand van de kamer een beschadigde muurschildering met een palmboom. Weischers versleten ogende verfhuid stelt een muur met een versleten verflaag voor.

Matthias Weischer, Haze, 2020, Olieverf op doek, 193 x 193 cm, MW20013. Foto Uwe Walter / Drents Museum

Als jonge schilder was Weischer een protégé van David Hockney, en voor wie niet weet wie dat ook alweer was hangt er in de tentoonstelling een kleine reproductie van een bosgezicht van Hockney uit 2011. Maar Weischers werk is niet zozeer aan Hockneys latere landschappen verwant als wel aan diens vroege werk: de schilderijen van Hollywoodarchitectuur met grote muurvlakken, spiegelende ruiten en strakke gazons. Bij Weischer is dat modernisme vintage geworden en verlevendigd met seventies-behang en bontgekleurde vliegengordijnen.

Lees ook: David Hockney: ‘Vergeet het nooit, de lente gaat door’, ook in 2021

Net als Hockney toen speelt Weischer nu op een geestige meta-manier met de gespannen verhouding tussen illusie en kader, met het idee dat platte plaatjes een driedimensionale wereld kunnen oproepen. In bijna al zijn geschilderde interieurs hangen schilderijen of reproducties. Er hangt ook altijd wel ergens een spiegel. En dan dringt zich toch de associatie met de lockdowns weer op. Want wie langdurig thuis zit komt zichzelf tegen, maar als de muren op je af komen kun je er altijd een kunstwerk of reproductie aan hangen als mentale vluchtroute. Weischers werk herinnert ons eraan dat schilderijen fysieke dingen zijn die je in het echt moet zien én dat de kunst een nooduitgang kan bieden aan vastgelopen gedachten. Wat een verademing dat we de musea weer in mogen.