Opinie

In katzwijm voor de mooiste zanger

De Italiaanse operafilm is een vergeten genre, dat hard toe is aan een herontdekking.
Peter de Bruijn

Opera-fans vielen in de jaren vijftig en zestig massaal in katzwijm voor de beroemde Italiaanse tenor Franco Corelli. Dat kwam niet alleen door zijn ongewoon krachtige en dramatische stem. Corelli (1921-2003) was met zijn rijzige gestalte en knappe gezicht ook een bijzonder mooie man. Dat maakte hem ideaal om zulke romantische operahelden te belichamen als de schilder Cavaradossi in Puccini’s Tosca of de titelheld in Andréa Chénier van Giordano. Operazang gaat natuurlijk niet primair om het uiterlijk, maar mooi meegenomen is het wel. Het visuele aspect is ook belangrijk in de ‘totaalkunst’ opera.

Corelli is vaak vergeleken met een Hollywoodster, al waren de opera-kenners het er niet altijd over eens met welke filmster hij het beste kon worden vergeleken: misschien Montgomery Clift, of toch Gary Cooper. Dat Corelli nooit de overstap maakte naar een Hollywoodfilm, komt vermoedelijk door zijn beperkte kwaliteiten als acteur. Zijn acteer-stijl was altijd minimalistisch. Hij had natuurlijk ook niet zoveel nodig met dié stem en dié uitstraling. Corelli zong met zoveel overgave, dat zijn optredens toch altijd zeer dramatisch waren.

Corelli valt niet op waarde te schatten of te begrijpen, zonder ook de visuele en fysieke aspecten erbij te betrekken. Maar dat gebeurt meestal slechts mondjesmaat. In de herdenkingsartikelen die momenteel rond zijn honderdste geboortejaar verschijnen, komen zijn operafilms (‘cineopera’) vaak nauwelijks aan bod. Als jonge zanger kon Corelli nog net schitteren in de golf van operafilms die vanaf de jaren dertig tot in de jaren vijftig zijn gemaakt in Italië.

Zo zijn een aantal van Corelli’s belangrijkste rollen al vroeg vastgelegd. Met zijn Cavaradossi in Tosca gebeurde dat zelfs twee keer: in 1955 in zwart-wit voor het nog nieuwe medium televisie; in 1956 nog eens in technicolor voor de bioscoop. De zanger was in operafilms te zien als de tragische clown Canio in Pagliacci (1954) en als Don José in Carmen (1956); beide voor televisie. Het mooiste is zijn Don Alvaro in Verdi’s La forza del destino (1958). Maar dat is eigenlijk geen speciaal vervaardigde operafilm, maar gewoon een registratie van een voorstelling.

Stilistisch is er niet zoveel verschil tussen de operafilms die voor televisie en voor bioscopen zijn gemaakt. Voor operafans is dit allemaal puur goud. Toch raakten de Italiaanse operafilms – niet alleen die van Corelli – min of meer in de vergetelheid. Dat komt doordat het zo’n merkwaardig en hybride genre is, zonder duidelijke eigen identiteit. Alle zangers in operafilms moesten altijd playbacken – direct geluid werd gezien als onwenselijk, omdat zangers hun gezicht vaak in grimassen moeten trekken om de klank te produceren. Soms was zelfs alleen de stem te horen van een beroemde zanger, maar werd de rol gespeeld door een betere (en knappere) acteur, al is dat met Corelli nooit gebeurd. Dat is allemaal verre van ideaal. Maar desondanks blijft de intensiteit en de zeggingskracht van het drama knap overeind in een operafilm, zoals de televisieversie van Puccini’s Turandot uit 1958 met Corelli in zijn favoriete rol als Calaf. De Italiaanse operafilm is een vergeten genre, dat hard toe is aan een herontdekking.

Peter de Bruijn is filmrecensent.