Opinie

De uitgestorven nacht

Emma Bruns

Als kind vond ik de nacht altijd iets magisch; spannend en mooi tegelijk. Met de duisternis kwamen de dromen van schaatsende schapen, tuinen vol rozen die hoog boven je hoofd uitgroeiden en olifanten die echt roze konden zijn. Als student ontdekte ik dat de afwezigheid van daglicht de wereld andere regels geeft: we mogen het glazuur van de dag laten voor wat het is en onze zonden even laten zegevieren. In het dierenrijk gaan tal van soorten op rooftocht, in de wereld van de mens is de nacht over het algemeen voorbehouden aan vertierzoekers, pleziermakers en andere duistere types; nachtbrakers. De nacht vervormt de werkelijkheid en trekt de ratio van de dag uit verband en proportie.

Ook een ziekenhuis in het donker is een andere wereld dan een ziekenhuis overdag. De gangen waar normaal een gonzende bedrijvigheid heerst zijn uitgestorven. De afdelingen zijn stil, op een demente vrouw die om haar heggenschaar roept na. Hoewel het ook kan spoken: dronkenlappen en snelheidsduivels op de spoedeisende hulp, dwalende bejaarden op de gangen en geregeld een gat in een maag of een gebarsten lichaamsslagader waarvoor het hele operatieteam de duisternis doorkruist om de felle lampen in het zicht van de chirurg te schuiven.

Ondanks de oproerkraaiers van het late uur biedt het uitgestorven zwart van de nachtelijke uren ook een buitengewone schoonheid: de afwezigheid van ruis. Iedereen die overdag zijdelings of geheel onnodig verantwoordelijk is voor een tussenstap in het proces zonder dat iemand begrijpt waarom, is over het algemeen ’s nachts niet te vinden op de werkvloer. En dat maakt dat na het hechten, voorschrijven en praten, zich af en toe een moment van rust openbaart, een zeldzaam fenomeen in een ziekenhuis. De grillige tweespalt van opruiende drukte en de absolute stilte maken de nachtdienst uniek.

Die rust zorgt ervoor, in combinatie met het onnatuurlijke bioritme van de nachtdienst, dat mijn zintuigen als schuwe nachtdieren uit hun schulp komen. Daar waar ze zich overdag schuilhouden voor een kakofonie van geluiden en beelden, kan ik ’s nachts eendimensionaal genieten van iets moois.

Dat moois bevindt zich vaak heel gewoon op het internet. Als het stil is, zoek ik het liefst naar live concerten waar toevallig een camera was. Nina Simone, Bill Withers maar ook vier jongens van Hill Crest College in Zimbabwe die fantastisch Marimba spelen of de drie jonge Françaises van LEJ die minimalistisch-virtuoos alledaagse hits vertolken.

Wanneer het ochtendgloren zich langzaam weer aandient en de geluiden van een ontwakend ziekenhuis de stilte doorbreken, wijken de melodieën van de artiesten weer voor piepende infuuspompen en haastige passen op het linoleum. De opmerkelijke figuren van de nacht trekken zich samen met mijn zintuigen terug in hun holen. Ze laten de wereld aan de voortvarendheid en wachten rustig tot de maan hun vertelt dat de kust veilig is.