Ook vóór de landbouw liepen conflicten uit op geweld

Archeologie Jagers-verzamelaars in de Nijlvallei verwondden elkaar vijftienduizend jaar geleden met speren en pijlen met stenen punten.

Skeletten van twee volwassen mannen in een grafveld ( Jebel Sahaba) in Noord-Soedan. Beiden stierven aan verwondingen die door andere mensen zijn toegebracht.
Skeletten van twee volwassen mannen in een grafveld ( Jebel Sahaba) in Noord-Soedan. Beiden stierven aan verwondingen die door andere mensen zijn toegebracht. Foto British Museum

Het leven in de vallei van de Nijl was aan het einde van het pleistoceen een stuk gewelddadiger dan tot nu toe werd gedacht. In het Noord-Soedanese grafveld Jebel Sahaba (gedateerd tussen 13.400 en 18.600 jaar geleden) liggen 61 lichamen, waarvan een team Franse onderzoekers nu heeft vastgesteld dat er bij 41 skeletten sporen van verwondingen door wapens te zien zijn.

Deze resten waren al eerder onderzocht op de gevolgen van wapengeweld, maar moderne technieken maken het mogelijk om nieuwe van oude verwondingen te onderscheiden. Uit het Franse onderzoek blijkt nu dat een groot deel van de individuen meerdere keren door wapens is verwond. Bij Jebel Sahaba liggen dus niet de slachtoffers van één gewelddadig treffen, maar van een langdurig gewapend conflict. De archeologen publiceerden hun bevindingen vorige week in Scientific Reports.

Hun ontdekking is interessant omdat er nog maar weinig zicht is op de aard van structureel geweld tussen groepen in samenlevingen waar de landbouw nog niet was uitgevonden. De mensen die rond 15.000 jaar geleden leefden in het stroomgebied van de Nijl waren semisedentaire jagersverzamelaars: ze bleven een tijdje op één plek en trokken dan verder, op zoek naar voedsel. Lang is gedacht dat er pas na de introductie van de landbouw – vanaf 12.000 geleden – oorlogen ontstonden, maar archeologische vondsten zoals die bij Jebel Sahaba leiden tot bijstelling van dit beeld.

Pijlen en speren

Van de 61 mensen in het graf waren er dus maar twintig zónder verwondingen. Bij negentien individuen was er sprake van sporen van niet geheelde beschadigingen op hun botten; dat waren waarschijnlijk de sporen van de verwondingen waaraan ze stierven. Bij zestien van hen was er sprake van niet geheelde én wel geheelde verwondingen. Zij waren dus vaker het slachtoffer van geweld. Het aantal verwondingen is bijna exact gelijkmatig verdeeld over de mannen en vrouwen in het grafveld.

Bij de sporen op de skeletten gaat het veelal om beschadiging van de botten veroorzaakt door projectielen, zoals speren en pijlen. Breuken als gevolg van slagwapens zijn zeldzaam. Dat de speer- en pijlpunten van steen waren gemaakt, wordt duidelijk door de restanten van het materiaal die in de botten zijn achtergebleven. Bij elf mensen troffen de onderzoekers stukjes steen aan in het bot.

De Franse archeologen denken niet dat op Jebel Sahaba de slachtoffers liggen van een gevecht waarbij twee groepen strijders elkaar troffen als in een veldslag. Omdat de verwondingen zowel voor als achter zitten, vermoeden ze dat de hier begraven groep mensen het slachtoffer is geweest van hinderlagen of plundertochten.

De begrafenissen vonden over een langere periode plaats, dus de jagersverzamelaars in kwestie zijn een tijdlang ten prooi gevallen aan de agressie van hun buren. De onderzoekers denken dat dit geweld het gevolg kan zijn geweest van klimaatverandering in deze periode. Een geringere beschikbaarheid van voedsel kan wellicht hebben geleid tot de noodzaak om voedsel van andere gemeenschappen gewapenderhand te stelen.