Wouter Linmans: „Hier heerste angst voor een wapen dat in staat zou zijn hele landstreken te ontvolken.”

Foto Merlijn Doomernik

Interview

‘Nederland was bang voor de dodende straal’

Wouter Linmans | historicus Hoe dachten Nederlanders in de jaren na de Eerste Wereldoorlog over de volgende oorlog? Gifgas was een angstdroom.

Dinsdag 30 september 1924 was een bijzonder luidruchtige dag in de Haagse dierentuin – en het waren geen beesten die herrie maakten, maar mensen. Nederland werd al maanden verscheurd door een maatschappelijk debat over het leger. De oorlog van de toekomst zou dermate gruwelijk zijn dat het beter was het Nederlandse leger helemaal af te schaffen, vonden de pacifisten. Onzin, zeiden de pleitbezorgers van een robuuste nationale defensie, er moest juist méér geld naar de strijdkrachten.

Beide partijen troffen elkaar in de grote theaterzaal van de Koninklijke Zoölogisch-Botanische Tuin in Den Haag om het pleit en plein public te beslechten. De 2.500 kaartjes waren weken van tevoren uitverkocht en daarom werden op het terrein luidsprekers opgesteld, waaromheen duizenden toehoorders stonden. Het debat werd ook uitgezonden op de radio, en was daarmee de eerste live-uitzending in de Nederlandse geschiedenis. „Op het terrein heerste wat we nu een festivalsfeer zouden noemen”, zegt Wouter Linmans. „Er waren ‘dorstleschwagentjes’ en de stemming was opgewonden.”

Linmans is historicus. Hij promoveerde deze maand aan de Universiteit Leiden op het proefschrift De oorlog van morgen. Nederlandse beeldvorming van een volgende oorlog 1918-1940. „Het Dierentuindebat liep behoorlijk uit de hand”, zegt hij. „Militante antimilitaristen in de zaal schreeuwden leuzen en zongen liederen en maakten het zo de voormalige commandant van de strijdkrachten onmogelijk om te spreken. Die droop uiteindelijk af. Ik denk dat dit typerend was voor het maatschappelijk debat in deze tijd: men sprak wel met elkaar, maar van écht naar elkaar luisteren, was geen sprake.”

In zijn boek onderzoekt Linmans hoe mensen in het interbellum in Nederland – dat niet had meegedaan aan de Eerste Wereldoorlog – dachten dat een volgende oorlog eruit zou gaan zien. Waar waren ze bang voor, en wat voor actie moest er ondernomen worden?

Ik heb maandenlang Nederlandse tijdschriften en kranten uit het interbellum doorgespit

Wat was dé grote angst?

„Een aanval met vliegtuigen die bommen met gifgas zouden afwerpen. In de Eerste Wereldoorlog was er gifgas gebruikt aan het front én waren er vliegtuigen die in staat bleken om steden ver achter de frontlinies te bombarderen. Die twee zaken gecombineerd vormden de angstdroom van menig Nederlander.”

Hoe bent u daarachter gekomen?

„Voor mijn onderzoek heb ik maandenlang Nederlandse tijdschriften en kranten uit het interbellum doorgespit. Ik ben begonnen met weekbladen als De Groene Amsterdammer, de Haagsche Post en Panorama. Daaruit heb ik een aantal belangrijke thema’s gehaald en die ben ik verder gaan onderzoeken in dagbladen. Die zijn veelal digitaal beschikbaar via de website Delpher, maar soms moest ik ook nog naar de Koninklijke Bibliotheek en verschillende archiefinstellingen, omdat bepaalde jaargangen ontbraken. Door zo de pers uit die tijd te onderzoeken, ben ik zaken tegengekomen die in de literatuur over het interbellum onbenoemd blijven.”

Als in 1939 de oorlog uitbreekt, zie je de angst de kop weer opsteken

Zoals?

„De meest opvallende ontdekking is, denk ik, de angst voor de dodende straal. In 1924 kwam een Engelse uitvinder met het nieuws dat hij een straal had uitgevonden waarmee hij buskruit kon laten ontploffen en kleine knaagdieren kon doden. Dat leidde tot enorme opwinding in de pers. Er verschenen tekeningen van hoe het apparaat zou werken, maar ook angstwekkende prenten waarop een skelet dat De Dood moest verbeelden met een straal al het leven in zijn omgeving vernietigde. De kranten waren bang voor een verdere escalatie van een wapenwedloop, terwijl de uitvinder juist hoopte dat zijn wapen zó verschrikkelijk was dat het oorlog ondenkbaar zou maken.”

Dat klinkt als de doctrine van de mutually assured destruction (MAD) uit de Koude Oorlog.

„Dat klopt. Maar in Nederland was men niet gerust op die afschrikkende werking. Hier heerste vooral angst voor een wapen dat in staat zou zijn hele landstreken te ontvolken.

„Na een maand of zes ging de nieuwshype liggen, toen duidelijk werd dat de dodende straal er niet zo snel zou komen. Maar je merkt dat het idee zich wel bij mensen genesteld heeft, want als in 1939 de oorlog uitbreekt, zie je de angst de kop weer opsteken. Zouden de nazi’s niet misschien tóch zo’n wapen hebben?”

Er was één boek dat bijzonder veel invloed had op de manier waarop Nederlanders over de oorlog dachten, blijkt uit uw onderzoek.

„Klopt, dat was Van het westelijk front geen nieuws uit 1929 van Erich Maria Remarque. Dat boek – en de verfilming ervan – confronteerde het publiek met de slachting die een moderne oorlog was. Inmiddels weten we dat het ook een zorgvuldig gecomponeerde roman is, maar indertijd zag men het als een waarheidsgetrouw ooggetuigenverslag van de hand van een Duitse frontsoldaat. Dat was wel wat anders dan de droge verslagen die tijdens de Eerste Wereldoorlog in de krant hadden gestaan. Remarques boek gaf de pacifisten een flinke zet in de rug.”

Na de machtsovername van Hitler in 1933 verloor de vredesbeweging momentum

Is er een centraal thema te ontwaren in toekomstverwachtingen in het interbellum?

„De focus op techniek en de keerzijde van de vooruitgang. De Eerste Wereldoorlog had laten zien hoe snel uitvindingen als gifgas en het vliegtuig voor de strijd waren ingezet. Waarom zou dat dan niet ook kunnen gebeuren met straling? Waarom zou het blijven bij onschuldige zaken als radio- en röntgenstraling?”

Wat gebeurde er met deze verwachtingen toen in de jaren dertig de oorlog dichterbij kwam?

„Na de machtsovername van Hitler in 1933 verloor de vredesbeweging momentum. Het werd duidelijk dat eenzijdig ontwapenen, zoals dat nog was bepleit tijdens het Dierentuindebat, een oorlog niet zou voorkomen. De burgeroorlog in Spanje en de Italiaanse inval in Abessinië in 1935 gaven ook al een beter idee van hoe een moderne oorlog eruit zou zien. Dus ging Nederland meer geld uitgeven aan bewapening.”

En wat was de reactie toen in mei 1940 Nederland bij de Tweede Wereldoorlog betrokken raakte?

„Er was sprake van een mengeling van ontsteltenis en opluchting. Ontsteltenis over het feit dat de strijd al na vijf dagen voorbij was en dat Rotterdam was gebombardeerd, maar ook opluchting dat het niet nog veel erger was geweest. De grootste angst, een luchtbombardement met gifgas, kwam niet uit. Wat mensen in de meidagen vooral opviel, was de enorme chaos die de strijd veroorzaakte. Die kan je je kennelijk niet goed voorstellen als je geen oorlog hebt meegemaakt.”

Wouter Linmans: De oorlog van morgen. Nederlandse beeldvorming van een volgende oorlog 1918-1940 Prometheus, 396 blz. €27,50