‘Schoonmaken wat vies is, je kunt er gelukkig van worden’

Dit ben ik Iedereen heeft verschillende identiteiten. Hoe worden we wie we zijn? Deze week: Henk Eekma (66), die vrijwel zijn hele leven voor de gemeentereiniging heeft gewerkt en een hoop smerige dingen heeft gezien en geroken,

Foto Sake Elzinga

‘In de kantine van de gemeentereiniging Sûdwest-Fryslân hangt een foto van mijn vader. Hij staat naast de kar waarmee hij langs de huizen ging om vuil op te halen. Met een paard ervoor. Dat paard is ook familiegeschiedenis, want zijn vader, mijn opa, verzorgde de paarden die voor de vuilniskarren werden gespannen. Ikzelf heb ook vrijwel mijn hele leven voor de gemeentereiniging gewerkt. Schoonmaken wat vies was, je kunt er gelukkig van worden. Ik ben nu een maand met pensioen.

„Mijn vader haalde met paard en wagen as-emmers op. En houten tonnetjes met ontlasting. Dat werd op de stort vermengd en naar het Westland vervoerd en gebruikt als mest. Hij werkte ook als putjesschepper. Iedereen had een zinkputje achter het huis, dat werd met een grote lepel leeggeschept. Het werd als minderwaardig werk beschouwd, mijn vader had daar lak aan. Ik ging als kind met hem mee. Dat vond ik mooi.

„Mijn ouders hadden zeven zonen. Ik ben de jongste. Er zijn er nog drie over. De oudste is 87. Met mijn broer net boven mij, Jaap, deed ik het meest. Ook Jaap is helaas overleden, drie jaar geleden. Mijn moeder was een baakster – kraamverzorgster zeg je nu – uit Sexbierum. Ze was een lieve, zachte moeder. Mijn vader dronk wel eens te veel, maar echt te gek werd het niet. Hij is 95 jaar geworden. De oom naar wie ik vernoemd ben, werd 96. Ze dronken samen. Hun lievelingsdrankje, een jonkje, was hun medicijn, zeiden ze.

De opa van Henk Eekma (vooraan) naast de kar waarmee hij langs de huizen ging om vuil op te halen. Foto privécollectie

‘Ik was vijftien toen ik in de scheepsbouw ging werken. Er was weinig werk en na een paar jaar zei mijn oom: er komt een vacature vrij bij de gemeente Sneek. Uit 250 sollicitanten kozen ze twee mannen. Ik was daar een van. Dat was 1977.

„Ik liep samen met mijn collega achter de vuilniswagen. We haalden de grijze huisvuilzakken op die langs de kant van weg waren gezet. Mijn vader had nog een ratel. Als je die hoorde, mocht je je tonnetje langs de weg zetten. In mijn tijd had je vaste dagen voor de zakken.

„Je moest sterk wezen. En goeie wanten aan hebben, want soms stak er een injectienaald door de zak, of gebroken glas. Katten pisten erop. Schoon werd je er niet van. Ik vond het heerlijk. De vrijheid. De samenwerking met je collega. We liepen altijd dezelfde route. Als we een keer een andere chauffeur hadden die een andere route reed, werden we chagrijnig. Je kwam door heel Sneek. Iedereen groette je. Dat is nog steeds zo, als ik door Sneek loop.

„Na een paar jaar kwamen de rolcontainers. Voor mij precies op het goeie moment want dat maakte het werk wat lichter. De wagens werden zo aangepast dat je de inhoud van de containers erin kon kiepen.

„Ik deed ook andere dingen. Beerputten leegzuigen. Elke twee huizen hadden één beerput. Was die leeg, dan gooide je er een koeienkop in, dan ging het lekker gisten. Dat maakt de koek van poep wat dunner waardoor het makkelijker door het riool spoelt. Kolkenzuigen, deed ik ook. Kolken zijn die kleine putjes in de straat. Soms gooide iemand zijn badkamertegels erin. Of een folderloper al zijn folders.

„Ik heb een hoop smerige dingen gezien en geroken in mijn leven. Als het goed gaat, zijn mensen proper. Gaat het slecht, dan ligt verslonzing en vervuiling op de loer. Sommige mensen zijn gewoon heel vies. Als kind, toen ik met mijn vader meeging, had ik al geleerd om mijn reuk als het ware af te sluiten als dat nodig was. Daardoor kon ik meer aan dan collega’s.

„Een bouvier opvissen die door het ijs was gezakt en die met de dooi weer boven kwam. Hele wagens vol dode schapen legen. Als de politie stropers had opgepakt, haalde ik de netten vol stinkende vis leeg. Of een container vol rottend vlees bij een restaurant leegscheppen. Ik haalde ook de huizen leeg als er beslag op was gelegd door schulden. Dat vond ik vaak moeilijker omdat je dan persoonlijke spullen moet weggooien van mensen: foto’s bijvoorbeeld, of hele verzamelingen. Je weet dat de emotionele waarde enorm is.

Je moest wanten aan, want soms stak er een naald door de zak

‘Na de rolcontainers stapte ik over op de 1.000 liter-containers. Die stonden bij flats, op bedrijventerreinen en bij bejaardentehuizen en zo. Zo heb ik mijn vrouw Ella ontmoet. Zij woonde in de buurt van die flats. Als ik haar zag, riep ik: ‘Joehoe.’ En dan riep ze terug: ‘Joehoe.’ Toen nodigde ze me uit voor koffie. Later voor een borreltje. En toen ben ik gebleven. Zij had twee kinderen en was gescheiden, ik had twee kinderen en was gescheiden. Samen kregen we nog een kind. Alle vijf zijn ze me even lief. We hebben inmiddels zes kleinkinderen, allemaal boys. We zijn dertig jaar samen.

„De laatste jaren zat ik op de veegmachine in Sneek. De Sneekweek is het ergst. Om vijf uur in de ochtend beginnen, we reden over een tapijt van knisperend glas. De laatste jaren is glaswerk verboden en mogen alleen nog plastic glazen. Maar de rest van het jaar is het heerlijk om met de veegwagen door de straten te rijden. Als je dan omkijkt, naar het deel dat schoon is, geeft dat een groot gevoel van voldoening.

„Nu wonen we het grootste deel van het jaar in een stacaravan in Friesland. Van mijn zoon Nick kreeg ik bij mijn pensioen een kleine veegmachine. Voor het tuinpad.”

Aanmeldingen: ditbenik@nrc.nl