Hoe helpt de pandemie de wetenschap vooruit?

Zes wetenschappers Wetenschappers moeten deze pandemie hard werken. Maar het is ook de ideale proeftuin. Wat hebben we geleerd?

Jan Fransoo: Hoogleraar logistiek (Universiteit Tilburg)


‘Als de pandemie iets heeft laten zien dan is het dat logistiek meer is dan een product van A naar B verplaatsen, logistiek gaat over het afstemmen van vraag en aanbod op het juiste moment. Nu viel in Nederland de voorbereiding op de pandemie binnen het vakgebied van epidemiologen en medici. Maar wil je een pandemie aanpakken dan moet ook ons vakgebied hierin worden meegenomen. Een goed voorbeeld vind ik de vaccinatievolgorde. De Gezondheidsraad heeft gewerkt met een micro-indeling van de groepen. Dat is als je vanuit de logistiek kijkt eigenlijk heel gek, omdat het de uitvoering onnodig ingewikkeld maakt en dat leidt tot vertraging. Bijvoorbeeld doordat de tijdslots bij de GGD niet continu vol zijn.

Ook riep de pandemie voor de logistiek nieuwe vragen op toen grenzen langdurig sloten. Bepaalde producten kunnen maar op één plek gemaakt worden, omdat gespecialiseerde kennis alleen daar aanwezig is. De werkzame stof van Janssen werd eerst bijvoorbeeld alleen in Leiden gemaakt. Dus de Verenigde Staten zijn afhankelijk van Leiden voor het Janssen-vaccin. Als de grenzen dichtgaan levert dat problemen op. Technologische kennisoverdracht is daarom van groot belang. Ook naar landen buiten de ontwikkelde wereld.”

Joost Wiersinga: Internist-infectioloog (Amsterdam UMC)


‘Als je overstijgend naar infectieziekten kijkt, zie je dat de nadruk steeds meer op preventie komt. We zijn door de pandemie nogmaals op de feiten gedrukt met zijn allen hoe belangrijk het is om vitaal en gezond te zijn. Ik kan me voorstellen dat het stimuleren van lang gezond leven nog belangrijker wordt. De vettax, producten waar veel vet in zit duurder maken, vind ik daar een goed voorbeeld van. Daar is nu weer meer aandacht voor.

Ook hebben we gezien hoe goed de simpele basisregels werken om luchtweginfecties te voorkomen: afstand houden, handen wassen, mondkapje gebruiken. Daar leren we ook van. Want de normale griep bijvoorbeeld, was er niet dit jaar. Dus ik denk dat een gedeelte van die maatregelen misschien in piekwintermaanden blijven. Ook omdat het waarschijnlijk is dat Covid-19 een jaarlijks terugkerende infectieziekte wordt.

Daarnaast vind ik het leuk dat ook andere vakgebieden vooruit gaan. Bijvoorbeeld, de mRNA-vaccins zijn het grote Covid-19-succes. En dat is pas het begin. Want je gaat nu zien dat deze techniek ook voor andere ziekten gebruikt gaat worden, zoals tuberculose, auto-immuunziekten en kanker. Het is uniek dat een nieuw vaccin op zo’n grote schaal is onderzocht en daardoor nu ook getest kan worden voor andere ziekten.”

Chantal Reusken: Viroloog (RIVM) en lid van het Outbreak Management Team (OMT)


‘Er is een nieuw element bijgekomen in de laboratoriumdiagnostiek: het openen van de maatschappij door testen. Die sociaal-economische invalshoek kenden we nog niet. Tot nu toe hadden we diagnostisch testen, en de testen om circulatie van een virus tegen te gaan.

Verder zie je dat nu ook in Afrika en andere plekken in de wereld het steeds vaker mogelijk is PCR-testen te doen, omdat labs daar nu op zijn ingericht en mensen daarvoor zijn opgeleid. Dat is voor veel gebieden een enorme sprong vooruit. Eerder waren de labs er alleen op ingericht eenvoudige testen te doen die kijken of er antistoffen in het bloed zitten. Maar die kun je pas doen als iemand al een paar dagen ziek is. Ik denk dat er een verschuiving komt van de nadruk op serologische diagnostiek (antistoffentest) naar moleculaire diagnostiek (PCR-test). Gele koorts is een goed voorbeeld, dat kunnen labs nu ook met PCR testen.

Maar er is wel geld voor nodig om dit te blijven onderhouden. Wat mij opvalt is dat er nu geen grenzen lijken te zitten aan het financieren van onderzoeksprojecten. Waar ik bang voor ben is dat we nu vol goede moed investeren, maar dat we dat na de pandemie niet vasthouden. Dat zagen we eerder, dat je langzaam terug naar af gaat als de urgentie verdwijnt. Sars (2003-2004), Ebola (2014-2015) en de Mexicaanse griep (2009) zijn allemaal waarschuwingen geweest. Maar we hebben er daarna niet voldoende in gëinvesteerd dat we er nu wel op voorbereid waren.”

Aura Timen: Coördinator infectieziektenbestrijding en OMT-lid (RIVM) en bijzonder hoogleraar (Vrije Universiteit)


‘De waarde van modelleren heeft zich enorm bewezen. Vaak worden modellen pas achteraf ingezet in een wetenschappelijke setting om het verloop van een uitbraak te begrijpen. Nu hebben we modellen direct ingezet om te voorspellen wat er mogelijk ging gebeuren. Dat was belangrijk om over maatregelen te adviseren. Want er was veel onzekerheid rond dit virus, dat is mij echt bijgebleven. Het hield zich niet aan wat wij gewend waren van andere corona-virussen zoals sars en mers en de meer huis-tuin-en-keuken coronavirussen.

De Britse variant is een goed voorbeeld van hoe we modellen proactief hebben ingezet. Eind vorig jaar zagen we daar de besmettingen enorm oplopen. In Nederland zaten we net aan het einde van de tweede golf en hadden we minder besmettingen. Maar op basis van modellen was aannemelijk dat de Britse variant ook in Nederland de overhand zou krijgen. Uiteindelijk bleek dat we inderdaad een derde golf tegemoet gingen en waren we goed voorbereid. Want dankzij de modellen wisten we dat we maatregelen nodig hadden om deze veel besmettelijkere variant te onderdrukken.

Deze maatregelen, van thuiswerken tot een reisverbod, waren nog nooit in de huidige westerse wereld toegepast. Heel belangrijk was om te kijken naar waar mensen samenkomen en de maatregelen daarop af te stemmen. Aan het begin van de tweede golf zagen we veel clusters van besmettingen bij studentenverenigingen. Door de pandemie leren we welke maatregelen het beste werken in welke fase van een uitbraak.”

Marc Bonten: Arts-microbioloog en epidemioloog (UMC Utrecht) en OMT-lid


‘Het belang van de grote studies is heel duidelijk geworden. Dat zie je bijvoorbeeld in een studie met ruim 7.000 patiënten van ziekenhuizen in heel Europa waar ikzelf bij betrokken ben. Dat is een doorlopende studie om de behandeling van longontsteking te verbeteren. Het elegante van zulke platformstudies is dat we tegelijkertijd meerdere medicijnen kunnen testen in individuele patiënten. Dus één patiënt kan tegelijkertijd als het ware in drie studies zitten. Dat kan niet in een klassieke studie. Zo onderzoeken we snel voor meerdere bestaande medicijnen tegelijkertijd of ze ingezet kunnen worden in de Covid-19-behandeling. We hebben al meerdere medicijnen gevonden die de overlevingskans verhogen en de tijd verkort die patiënten op de intensive care doorbrengen.

Een les die absoluut getrokken kan worden, is dat alle kleine studietjes die links en rechts opgezet zijn eigenlijk nauwelijks bijdragen aan onze kennis en hoe we de patiënten nou echt moeten behandelen.

Als arts-microbioloog voorzie ik ook dat de megalabs na de pandemie blijven. Die hebben we altijd buiten de deur weten te houden met het argument dat wij alleen testen als het echt nodig is. Dat kon heel goed met de 55 kleinschaligere Nederlandse laboratoria die verbonden zijn met onze ziekenhuizen. Bij de megalabs is een test waarschijnlijk goedkoper, maar je zou de situatie kunnen krijgen dat je als arts een winkellijstje invult. Dat kan ertoe leiden dat we minder zicht hebben op wat er wordt aangevraagd, hoeveel tests worden afgenomen en dat de totale kosten toenemen. Ook zijn de gegevens dan eigendom van de commerciële partij, wat ze minder toegankelijk maakt en vervolgonderzoek bemoeilijkt.”

Amrish Baidjoe: Veldepidemioloog en microbioloog (internationale Rode Kruis)


‘Als je één ding uit de Nederlandse aanpak kan leren is dat die bijzonder academisch gedreven was en niet operationeel. Kijk naar de mondneusmaskers. Aan het begin werd gezegd dat eerst een uitgebreide studie moest worden uitgevoerd. Terwijl de verspreiding van zo’n virus doorgaat. Je ziet dat wetenschappers niet gewend zijn beslissingen te nemen in grote mate van onzekerheid. En helaas bij een uitbraak zoals deze – en eigenlijk elke uitbraak met een virus – kan dat niet. Je moet snel actie ondernemen.

Ook werd nog eens duidelijk dat informatie niet voor zich spreekt, je moet actief communiceren. Mensen kijken misschien in groten getale naar de persconferentie, maar in nog groteren getale niet. Persconferenties zijn soms echt onnavolgbaar. Ook worden mensen voortdurend blootgesteld aan misinformatie op sociale media en zijn er taalbarrières. Dat je dan vervolgens in september de IC’s ziet vollopen met mensen met een migratieachtergrond, dat hadden we kunnen zien aankomen.

Doordat antropologen en sociale wetenschappers niet vertegenwoordigd zijn in het Outbreak Management Team, is dit over het hoofd gezien. En dat heeft mensenlevens gekost.”