Opinie

Hoe de Kamer een burn-outfabriek werd

Volksgezondheid kreeg als Kamerlid een burn-out en pleit voor meer parlementariërs en meer beleidsmedewerkers.
Fabriekshal waar vrouwen deels via een lopende band dozen vullen met bonbons die in grote houten dozen zitten. Weesp, Noord-Holland, 1910.
Fabriekshal waar vrouwen deels via een lopende band dozen vullen met bonbons die in grote houten dozen zitten. Weesp, Noord-Holland, 1910. Foto Nationaal Archief

Burn-outs? Mijn vader werkte zich in de jaren tachtig helemaal kapot in de Jonkerfris-fabriek. Kreeg hij een burn-out? Nee. Burn-outs zijn het verzinsel van een decadente generatie millennials! Die bij de minste tegenslag hun handdoek in de ring gooien.

Dat is een samenvatting van hoe ik er altijd over dacht. Tot ik zelf een burn-out kreeg, tijdens mijn Tweede Kamerlidmaatschap.

Mijn grootste misvatting over burn-outs was dat ze zouden gaan om het aantal uren dat je werkt. In werkelijkheid kan je ook een burn-out krijgen als je maar een dag in de week werkt. Het gaat om de vraag of je kunt uitschakelen. Kun je nog echt genieten van activiteiten die niet met werk te maken hebben? Zoals wandelen in de natuur, een wijntje drinken met vrienden of lekker sporten? Als je je werk niet meer kunt uitschakelen, ga je steeds meer piekeren en slechter slapen. En dan lukt het je steeds minder om op te gaan in ontspanning. Gevolg: geluksstofjes in je hersenen verdwijnen langzaam maar zeker tot je vastloopt.

Wat zijn de belangrijkste oorzaken? Te veel prikkels, onzekerheid en onveiligheid. Als je dag en nacht bereikbaar moet zijn voor mails en appjes van je baas, schakel je niet meer uit. Ook onzekerheid kan daar debet aan zijn. Door je steeds zorgen te maken of je morgen nog wel een baan hebt, bijvoorbeeld. En onveiligheid, zoals de naam al doet vermoeden, zorgt dat je ‘fight/flight/freeze’-radar continu aan blijft staan.

‘Flexibele schil’

Het is geen toeval dat Nederland de burn-outfabriek van Europa aan het worden is. Bijna geen ander Europees land heeft zo’n grote ‘flexibele schil’ als Nederland. Van academici en verplegers tot postbezorgers: miljoenen mensen rennen van hot naar her in onzekere, tijdelijke baantjes dan wel gedwongen zzp-schappen.

Toen ik na tien weken terugkeerde in de Tweede Kamer vond ik het fijn dat collega’s van allerlei partijen mij toevertrouwden dat ook zij overspannen waren geweest of een burn-out hadden gehad. Mooi, gelukkig is het niet mijn eigen schuld, kreeg ik andermaal bevestigd. Tegelijkertijd schrok ik ervan dat het er zo veel waren. Een ervaren Kamerlid zei nog: „Je moet tegenwoordig bijna je best doen om geen burn-out te krijgen hier.”

Inmiddels is het taboe er af. Niet alleen Kamerleden, maar ook bewindspersonen zijn eerlijk over de reden waarom ze bij bosjes neervallen. Wat is er aan de hand in Nederland?

Lees ook: Waarom is het Binnenhof een burn-outfabriek?

De afgelopen twintig jaar hebben wij niet alleen van de arbeidsmarkt maar ook van de Tweede Kamer een burn-outfabriek gemaakt. Die fabriek bestaat uit drie cruciale raders – en daarmee lopen we ernstig uit de pas in vergelijking tot andere democratische landen.

Ten eerste is er het aantal Kamerleden. In 1957 hadden we 150 Kamerleden en in 2021 hebben we nog altijd 150 Kamerleden. Terwijl de bevolking bijna is verdubbeld en de politiek complexer is geworden. Nederland heeft relatief veel inwoners per Kamerlid; binnen de EU tellen alleen Frankrijk, Spanje en Duitsland meer inwoners per parlementariër.

Ten tweede zijn daar de hermetisch dichtgetimmerde regeerakkoorden. Regeerakkoorden in Nederland waren vroeger, net als in veel democratieën, akkoorden op hoofdlijnen. Logisch, want zo blijft er ruimte voor het parlement om zijn controlefunctie uit te oefenen. Het kabinet Den Uyl (1973-1977) had zelfs helemaal geen regeerakkoord. Veel besluiten werden genomen door het summum van de democratie: tijdens levendige debatten in het parlement. Lubbers was de eerste die begon met gedetailleerde akkoorden. Het regeerakkoord van Lubbers II (1986) kwam zelfs uit in boekvorm en werd een kleine bestseller.

Toch bleef er zuurstof in de Nederlandse democratie. In de vorm van slechts lichte fractiediscipline en, daardoor, dualisme bij de Kamerleden van de coalitiepartijen.

Fractiediscipline-teugels

Waarom lukte dat toen wel, ondanks gedetailleerde regeerakkoorden? Die vraag brengt ons op de derde en wellicht belangrijkste rader van de huidige burn-outfabriek: de ondersteuning van Tweede Kamerleden. In veel democratische landen hebben parlementariërs een flinke batterij aan beleidsmedewerkers die ze zelf mogen aannemen. Logisch, want je moet opboksen tegen ministers die een heel ambtenarenapparaat achter zich hebben.

Ook in Nederland was er vanaf de jaren zeventig een ‘Bewerktuiging Individuele Kamerleden’. Fracties kregen een flink bodembedrag om ondersteuning in te huren. Daarnaast kregen Kamerleden ook individueel budgetrecht om een fulltime persoonlijk medewerker aan te nemen. Daarmee hadden ze een extra instrument om ‘moedig’ te zijn en waar nodig tegen de fractielijn in te gaan. Die regeling veranderde vanaf de jaren negentig in ‘Regeling Financiële Ondersteuning Fracties Tweede Kamer’. Al het geld voor medewerkers kwam voortaan op de rekening van de fractie. Simpel gezegd: de fractievoorzitter in plaats van het individuele Kamerlid kreeg voortaan het budget voor beleidsmedewerkers. Het beste recept voor het keihard aantrekken van de fractiediscipline-teugels.

Tot overmaat van ramp beknibbelde de Kamer in de jaren erop ook nog eens op de hoogte van dat budget, onder het mom van ‘soberheid’ en ‘efficiency’. Gevolg: in 2021 krijg je, als je geluk hebt, één medewerker voor jezelf, veelal een junior zonder parlementair geheugen, die ook nog eens niet aan jou, maar aan de fractietop verantwoording aflegt. Dat geluk hangt af van de gulheid van je fractievoorzitter. Als die besluit om het budget te besteden aan zijn eigen persoonsverheerlijking in de vorm van een leger aan ‘beeldvoerders’ en wat dies meer zij, eindig je als Kamerlid met een beleidsmedewerker die je met een stuk of drie andere collega’s moet delen, hetgeen de nodige versnippering en stress oplevert.

Zoomen we uit, dan wordt het duidelijk waarom deze burn-outfabriek bijna automatisch een overwerkte, overspannen Tweede Kamer oplevert met, ironisch genoeg, steeds minder democratische slagkracht. Want terwijl je met slechts 149 anderen en hoogstens één medewerker moet opboksen tegen de duizenden ambtenaren van bewindspersonen, moet je je ook nog eens ‘profileren’. Doe je dat niet, dan is de kans groot dat je bij de volgende verkiezingen niet meer (hoog) op de lijst van je partij komt. De enige logische uitkomst is dat Nederlandse Kamerleden steeds meer debatten aanvragen over elk mogelijk nieuwsbericht. Inmiddels duurt het gemiddeld twee jaar voordat een aangevraagd debat daadwerkelijk op de agenda komt.

Screenshot-democratie

Ook het aantal ingediende moties neemt groteske vormen aan. Waar tot in de jaren negentig een motie (een vrijblijvende oproep aan het kabinet) dermate zeldzaam was dat het meestal voorpaginanieuws werd wanneer die werd ingediend, was het aantal in 2002 al gestegen naar 1158. Tegenwoordig zitten we tegen de 5000 moties per jaar. En de trend is stijgend. De stemmingsuitslagen van moties worden door Kamerleden, mijzelf destijds incluis, gretig gedeeld op sociale media: schande dat andere partijen niet voor mijn motie hebben gestemd! Of, als je motie wel wordt aangenomen: kijk eens wat voor succes ik heb behaald! Voila, een screenshot-democratie.

Zeg ‘overspannen’ en we denken ‘Pieter Omtzigt’. Gawie Keyser denkt vervolgens: ‘Dog Day Afternoon’.

In Duitsland, België en andere landen om ons heen gebeurt het niet vaak dat bewindspersonen naar het parlement moeten komen. Door de debatten- en motie-inflatie die de Nederlandse burn-outfabriek produceert, moeten onze ministers en staatssecretaris continu debatten voeren in de Kamer – bovenop hun al buitengewoon drukke agenda’s als chefs van hun departement. Daarbij helpt het niet dat Rutte toen hij in 2010 premier werd, besloot om keihard te bezuinigen op het aantal ministers en staatssecretarissen. ‘De trap van bovenaf schoonvegen’, heette het – NRC noemde dat in 2016 de ‘Rutte-doctrine’. „Privé was het een soort woestenij de afgelopen jaren”, is hoe demissionair minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken en Werkgelgenheid, D66) de huidige situatie treffend samenvat. Geen wonder dat in Nederland niet alleen Kamerleden maar ook ministers omvallen.

Ik maak mij zorgen om de Nederlandse democratie. Nederland loopt over van de coaches en yoga-matten, omdat onze reflex is dat als jij een burn-out krijgt, jij dan maar je gedrag moet aanpassen. Veel commentatoren suggereren, in dezelfde lijn, dat het parlement dan maar minder moties moet indienen, minder hijgerig moet zijn. Maar dan zeg je eigenlijk dat Nederlandse Kamerleden, wier aantal sinds 1957 niet is gestegen en die het inmiddels ook nog eens zonder ondersteuning voor het politieke handwerk moeten doen, lijdzaam in een hoekje moeten zitten en hun lot moeten afwachten. De fabriek die met ronkende schoorstenen al die burn-outs produceert, blijft zo buiten schot.

Omdat ik die reflex begrijp – ik was nota bene zelf de grootste burn-outontkenner – roep ik iedereen, vooral Tweede Kamerleden, op om de burn-outfabriek af te breken en weer een democratiefabriek op te bouwen.

Dat kan vrij makkelijk. Door ervoor te zorgen dat er veel meer Kamerleden komen en dat elk Kamerlid weer individueel budgetrecht krijgt om vijf à tien medewerkers, het gemiddelde in vergelijkbare landen, aan te kunnen nemen. En door op te houden met die dichtgetimmerde regeerakkoorden. Laten we niet langer bang zijn om onze Nederlandse democratie van zuurstof te voorzien.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.