Opinie

Een gesprek voeren zijn we verleerd

Communicatie Een appje gaat lekker snel. Maar zo praten we niet met elkaar, waarschuwt .
The Conversation, Henri Matisse, 1908-1912.
The Conversation, Henri Matisse, 1908-1912.

Het is een van mijn lievelingsbezigheden. Tijdens het koken, het opvouwen van de was of op de fiets naar het ziekenhuis leg ik mijn oor te luister bij gesprekken. Het liefst oud, krakerig en langzaam. Gesprekken waarbij de aanwezigheid van de microfoon geleidelijk aan wordt vergeten. Gesprekken waarbij er ruimte is voor stilte en, nu een buitengewoon zeldzaam fenomeen, een luisterend oor.

Ze staan in schril contrast met de dagelijkse praktijk – en niet alleen de luttele minuten die ik als arts van de zorgverzekeraar krijg om met patiënten in gesprek te gaan. In de hele samenleving is het gesprek verworden tot iets voor mensen achter de geraniums; zij hebben de tijd. Tegelijkertijd ‘spraken’ we nog nooit zoveel: van een overdadige felicitatie-tsunami in een WhatsApp-groep tot aan de zoveelste podcast waar tussen de kakofonie van intermezzo’s af en toe ook een vraag wordt gesteld.

Een van die oude, krakerige gesprekken is het VPRO Marathoninterview uit 1996 van Chris Kijne met Louis Tas, overlevende van Westerbork en psychiater. Tijdens de drie uur durende uitzending hoor je de stilte die de aarzeling of de overpeinzing tekent, het geduld van de interviewer om het gesprek te laten ontstaan in plaats van het te willen vormen naar vooraf bedachte woorden. En volgens de ondervraagde psychiater gaat het dan niet eens om de woorden, ook niet in zijn eigen anamneses, maar juist om dat wat er niet gezegd wordt.

Archaïsch fenomeen

Ik vrees dat we het verleren. We oefenen het ook nauwelijks. Het gekeuvel dat ontstaat omdat iedereen staat te wachten op een trein met vertraging. De ongemakkelijke gesprekken bij de koffieautomaat op weg naar een vergadering. De ontboezemingen tijdens de gezamenlijke afwas en het geroddel bij de groentekraam. De kleine confrontaties, een afspraak afzeggen of een vergeten boodschap; we doen ze af met een WhatsApp-bericht. Grotere conflicten worden soms met een heel publiek in de cc van de mail uitgevochten, maar elkaar echt even toespreken en plein public, dat vinden we ongemakkelijk.

De afgelopen weken ‘binge-luisterde’ ik de interviews van Ischa Meijer in de podcast Een dik uur Ischa op de radio van Anton de Goede. Ramsey Nasr vertelt in aflevering 12 over een gesprek van Ischa in 1993 met society-journalist Gert-Jan Dröge. „Meerdere mensen hebben gezegd dat u eens met een psychiater zou moeten praten”, zegt Ischa. „Wat vindt u daar nou van?” En: „Dus u bent eigenlijk een beetje lui.”

Lees ook: E-mail slurpt de aandacht en leidt af – maar kunnen we ook zonder?

Ik stelde me voor hoe het zou aflopen als ik zo in gesprek zou gaan met mijn patiënten of opleiders. Ischa’s onomfloerste manier suggereert dat het bot en direct is. Maar het toont misschien juist het meest wezenlijke van het gesprek tussen twee mensen: het vermogen tot wrijving.

In tijden van oeverloze hoeveelheden bloedtests, CT-scans en andere supersonische vormen van diagnostiek om de conditie van het lichaam te bekijken, lijkt de anamnese, of het gesprek met de dokter, een archaïsch fenomeen. Als co-assistent schuif je ongemakkelijk je kruk tot bij het bed en probeer je alle feitelijkheden zo goed en zo kwaad als het kan uit de persoon voor je te halen. En tot je grote teleurstelling creëert deze, geheel onbedoeld, een grote brij van de dingen die je zo zwart-wit in de leerboeken leert.

„Heeft u buikpijn?”

„Ja, soms, maar ook hier.” (En dan wijst de patiënt op zijn rechteroor.)

„Hoe is uw ontlasting?”

„Nou, daar kijk ik nooit naar.”

Als er ergens nog een plek is in de samenleving waarbij het gesprek toch, ondanks alle ongemakkelijkheden, nog wordt geoefend, is het misschien in de zorg.

Vertrouwen en begrip

Is het zo erg als we niet meer eindeloos met elkaar hoeven te praten? Het gaat toch allemaal veel efficiënter via sms of mail? Ik denk het wel. Het vermogen om met elkaar te kunnen praten en vooral elkaar te kunnen confronteren met dat wat ons niet zint, vormt de basis van vertrouwen. Een eerlijke vraag en een oprecht antwoord, zonder dat dit van tevoren door een televisieredactie of een woordvoerder is opgeschoond, zorgt ervoor dat elkaar kunnen begrijpen, ook al zijn we het niet met elkaar eens. En dat vraagt iets van beide partijen.

Vorige week interviewde Twan Huys in College Tour Marcel Levi. Twan was vriendelijk en bescheiden, maar ook uit op antwoorden. Maar het was Marcel die liet zien wat een gesprek was. Zo herinnerde ik me hem ook uit de collegebanken, of als hoofd van de afdeling interne geneeskunde in het AMC tijdens mijn eerste grote co-schap. Als iemand die de zaken niet ingewikkelder maakt dan ze zijn, die het gesprek niet laat draaien om zijn persoonlijkheid, maar om wat op dat moment ter tafel komt. Iemand die heeft geleerd om iemand gerust te stellen als er niets aan de hand is, maar het ook durft te zeggen als er nog maar een paar maanden te leven zijn. Hij zei dat hij minister van Volksgezondheid wilde worden. Een minister waar een gesprek mee te voeren valt: een buitengewoon goed idee.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.