Zou Karen Blixen gêne hebben gekend?

Redacteur Margot Poll signaleert welke boeken er ook zijn verschenen en kiest er steeds zes om kort te bespreken. Deze week over een vermiste Canadese soldaat, een trogkrabber en een crisisbeheerder.

1. Ernst Arbouw: H.W.R. was hier

‘Ik heb vijf jaar lang bijna iedere dag op de een of andere manier aan hem gedacht’, schrijft journalist Ernst Arbouw in zijn bevlogen H.W.R. was hier, een zoektocht naar een jonge Canadese soldaat die aan het einde van de Tweede Wereldoorlog zijn initialen en woonplaats kerfde in een beuk in de bossen van Eelde-Paterswolde. Het blijkt te gaan om de ‘gregarious’ Harold Wilbert Roszell die een maand na D-Day in 1944 in Normandië landde en met de geallieerden via Frankrijk en België in Nederland kwam. Aan het einde van de oorlog was hij met zijn divisiehoofdkwartier als ‘batman’ (soldaat-bediende-chauffeur voor officieren) gestationeerd in het dorpsschooltje van Eelde. Van daaruit werd de bevrijding van Groningen gecoördineerd. Arbouw eindigt met de noodlottige vermissing van Roszell en zijn compagnon John Tuckey. Ze zouden uiteindelijk met 20 andere Canadezen een veldgraf in Eelderwolde krijgen. Voor zijn onderzoek had Arbouw niet alleen ontroerende ontmoetingen met familie van Roszell en Tuckey en werd hij geïnterviewd in Ottawa, hij raadpleegde ook vele militaire archieven in Canada en Nederland. Tevens sprak hij met oudere leden van de historische vereniging ‘Ol Eel’ in Eelde die hem dan net weer een ander aanknopingspunt konden geven. Zeer mooi voorbeeld van hoe de oorlog wederom een gezicht krijgt: een zeventienjarige jongen die zich, om het avontuur, aanbiedt voor het Canadese leger en duizenden kilometers verderop vier jaar lang helpt steden in Europa te bevrijden. Of, zoals de kleinzoon van John Tuckey zegt: ‘Aan de andere kant van de wereld staat een boom, en die boom is onderdeel van mijn familiegeschiedenis’; Arbouw stuitte gedurende zijn onderzoek naar Roszell op John Tuckey, want ook deze soldaat uit hetzelfde legeronderdeel kerfde zijn naam in een beukenboom – niet ver van die van H.W.R.

Ernst Arbouw: H.W.R. was hier. Canada, Nederland, de Bevrijding en de zoektocht naar soldaat Harold Wilbert Roszell. Atlas Contact, 270 blz. € 21,99

2. Sander Kollaard: De trogkrabber

Van de Libris Literatuurprijswinnaar (2020), in Zweden wonende Sander Kollaard zijn nu twee verhalen verschenen in de serie ‘Literaire juweeltjes’, waarin elke maand een gemakkelijk leesbare tekst verschijnt in een gebonden uitgave voor wie niet veel leest. In het titelverhaal ‘De trogkrabber’, afkomstig uit Kollaards debuut Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde, roept de hoofdpersoon naar aanleiding van een beeld – de trogkrabber – in een documentaire, de verfijnde herinnering op aan hoe hij zelf ooit op een vuilnishoop aan het struinen was en in een afgedankte DS ook zo’n trogkrabber vond. Ademloos beleef je die herinnering mee, je voelt de krabber bijna in je hand, want zo ingenieus en pakkend zijn de korte zinnen van de schrijver. De 87-jarige man uit het tweede verhaal gaat voor het eerst sinds 67 jaar terug naar zijn geboorteplaats Den Helder waar hij tot het besef komt dat ‘door de scherpte van de herinneringen ook het heden aan scherpte wint’.

Sander Kollaard: De trogkrabber. Literaire Juweeltjes, 64 blz. € 1,99 (los verkrijgbaar in alle Bruna-winkels en vele zelfstandige boekhandels)

3. Cyriel Buysse: De Zwarte Kost en andere teksten over Congo-Vrijstaat en Leopold II

De Vlaamse schrijver Cyriel Buysse (1859-1932) schreef aan het begin van de twintigste eeuw naturalistische romans als Het leven van Rozeke Van Dalen (1906) en Tantes (1924). Eerder leverde hij ook verpakte kritiek op de Belgische kolonisatie van Congo. In De Zwarte Kost en andere teksten over Congo-Vrijstaat en Leopold II zijn twee fictieve cynische verslagen over Congo in de Gemeenteraad van Nevele toegevoegd aan De Zwarte Kost (1898). In deze novelle besluit de stotterende Fortuné Massijn, als onder-intendant in dienst te treden van Congo-Vrijstaat om ‘onder de barbaarse volksstammen de weldaden der beschaving te verspreiden’. Massijn schrijft korte brieven naar het thuisfront totdat het hem na drie maanden te veel wordt en hij zijn hart uitstort bij de gepensioneerde onderwijzer De Vreught. De Europeanen die hij er meemaakt, blijken in plaats van te beschaven te verkrachten. ‘Zij allen die zich zó aan de drank en aan de “zwarte kost” overgeven, worden al spoedig de slachtoffers hunner eigene misdaden.’ Zij zouden worden gestraft door het klimaat van Afrika. En dan laat schrijver Buysse enkele maanden later het bericht verspreiden dat ook ‘Massijn in Congoland is gestorven’. Het personage Massijn zou gebaseerd zijn op de stotterend sous-intendant Honoré Maganck die in 1891 naar Congo-Vrijstaat vertrok – hij overleed inderdaad vijf maanden later aan een koortsaanval. Buysse was één van de eersten die in het Nederlandse taalgebied in schrift ageerde tegen de kolonisatie, na Multatuli natuurlijk.

Cyriel Buysse: De Zwarte Kost en andere teksten over Congo-Vrijstaat en Leopold II. Nawoord Luc Renders. Davidsfonds, 176 blz. € 22,50

4. Tjeu van den Berk: Het werkelijke brein achter Die Zauberflöte

In het literair-wetenschappelijke Het werkelijke brein achter Die Zauberflöte rehabiliteert schrijver en theoloog Tjeu van den Berk overtuigend de Duitse theaterdichter Karl Ludwig Giesecke (1761-1833) die aan het einde van zijn leven aan vrienden vertelde het libretto van Die Zauberflöte (1791) te hebben geschreven; niet Emanuel Schikaneder maar hij zou de tekst van de opera van Mozart geschreven hebben. Giesecke schreef eerder de succesvolle opera Oberon die later werd gezien als eerste van de zogenaamde ‘Zauberoper’. Maar dat niet alleen; Giesecke was ook een mineraloog, poolreiziger én vrijmetselaar. Hij verbleef ruim zeven jaar in Groenland (‘ik houw en splijt van ’s morgens tot ’s avonds’) en zou uiteindelijk hoogleraar mineralogie in Dublin worden. Van den Berk wijdt een aanzienlijk deel aan de vrijmetselaar Giesecke die van verschillende loges lid bleek te zijn geweest. Het inwijdingsritueel van de broeders bijvoorbeeld, zou namelijk zijn weerslag vinden in Die Zauberflöte veronderstelde men, maar Giesecke gaf geen uitleg. Pas jaren later, Giesecke was al overleden, zou de opera worden ontleed als een ‘verheerlijking van de orde van de vrijmetselarij’. Van den Berk, die al meer studies aan Mozarts laatste opera heeft gewijd, legt vervolgens bijna per scène uit waarom Die Zauberflöte een alchemistische allegorie is die alles te maken heeft met de vrijmetselarij en maar door één iemand geschreven kan zijn: Karl Ludwig Giesecke.

Tjeu van den Berk: Het werkelijke brein achter Die Zauberflöte. Karl Ludwig Giesecke (1761-1833). KokBoekencentrum, 208 blz. € 19,99

5. Mia Kankimäki: De vrouwen aan wie ik ’s nachts denk

De Finse Mia Kankimäki (1971) verhuisde al eens naar Japan om onderzoek te doen naar dichter en hofdame Sei Shonagon die duizend jaar geleden het leven aan het Japanse hof beschreef. Toen dat boek af was, bereikte ze ‘het absolute nulpunt’: wat moet een vrouw van boven de veertig, zonder man, zonder kinderen, zonder werk en zonder huis met haar leven, vroeg ze zich af. Kankimäki besluit haar zogenaamde Karen Blixen-rekening aan te breken en de vrouwen die haar inspireren, aan wie ze ’s nachts ligt te denken om hun moed, achterna te reizen. Het resultaat is De vrouwen aan wie ik ’s nachts denk een heel persoonlijk reisboek gecombineerd met tien biografieën van kunstenaars, schrijvers en ontdekkingsreizigers. Zo reist ze eerst naar Tanzania waar Karen Blixen in 1913 op haar 28ste met de stoomboot naartoe ging om haar leven te veranderen. Blixen runde een koffieplantage en zou later schrijver worden. Kankimäki logeert bij natuuronderzoeker Olli en zijn vrouw Flotea in een eenvoudig huis. Ze voelt zich meer dan opgelaten wanneer ze tijdens een privésafari in een sjiek hotel logeert waar haar Afrikaanse gids mag eten noch slapen. Ze vraagt zich af of Blixen zich nooit geneerde voor de ‘opschik’ in haar huis. (‘Of was de schaamte in de koloniale periode nog niet uitgevonden?’). Na elke reis besluit Kankimäki met adviezen van nachtvrouwen die lezen als cliché’s: ‘Als je alles verliest, ga dan schrijven’ (Blixen) of ‘Duik in datgene waar je bang voor bent’ (avantgardekunstenaar Yayoi Kusama) tot ‘Als het lukt, zorg dan dat brieven je niet bereiken’ (journalist en wereldreiziger Nellie Bly).

Mia Kankimäki: De vrouwen aan wie ik ’s nachts denk. In het voetspoor van mijn heldinnen. (`Naiset joita ajattelen öisin). Vertaling Anton Havelaar. Orlando, 416 blz. € 24,99

6. Tjibbe Joustra: Crisis en controle

In zijn ‘beschouwingen’ blikt Tjibbe Joustra terug op de ruim veertig jaar dat hij werkzaam was in de publieke sector: van het ministerie van Landbouw en Visserij tot voorzitter van de Onderzoeksraad voor Veiligheid. Veel mensen zullen hem nog kennen als Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding. In het door oud-journalist Miek Smilde (al staat haar naam niet op de omslag) geschreven Crisis en controle is het interessant om over Joustra’s ervaringen te lezen binnen crisismanagement in het algemeen (o.a. MKZ, de moord op Theo van Gogh, MH17) als over zijn eigen rol daarin. Maar ook het dieptepunt van zijn carrière (de verbouwing van uitkeringsinstantie UWV) wordt uitgebreid ‘bespiegeld’. Dat wil zeggen: Joustra vertelt hoe de vork volgens hem in de steel zat. In het gehele boek neemt Joustra gefundeerd stelling, spreekt open over anderen, veegt een enkel straatje schoon en neemt zijn verlies waar nodig. Aan het einde geeft Joustra adviezen voor verbetering van het openbaar bestuur: de overheid moet meer juristen aannemen, ambtenaren en politici zouden meer maatschappelijke betrokkenheid moeten tonen en in geval van crises is het raadzaam meteen ‘kritische denkers’ ter reflectie, en commissies voor aanvullend onderzoek aan te stellen.

Tjibbe Joustra: Crisis en controle. Prometheus, 192 blz. € 19,99