Recensie

Recensie Boeken

Dit boek laat zien dat de wereld is gebouwd op verhalen (●●●●●)

Boeken De Spaanse classica Irene Vallejo schreef een geschiedenis aan de hand van een voorwerp dat al millennia meegaat: het boek. Ze laat zien dat de wereld is gebouwd op verhalen.

Foto Fotograzia

Schrijven is één ding, maar het alfabet bedenken, dat is eigenlijk iets heel wonderlijks. De eerste schriften in ons deel van de wereld bestonden uit symbolen, tekeningetjes, pictogrammen, fonetische tekens – denk aan de Egyptische hiërogliefen. Ze vroegen enorm veel van het geheugen en alleen mensen die jaren gestudeerd hadden waren in staat te schrijven. De Feniciërs kwamen rond 1250 voor Christus voor het eerst met een eenvoudig tekensysteem van 22 letters waarmee ze alles konden uitdrukken. Het moet, zo schrijft de Spaanse classica Irene Vallejo in haar meeslepende boek Papyrus, voor een Egyptische schrijver een onuitsprekelijke grove methode geweest zijn. Maar voor Fenicische en al spoedig ook andere handelaren was het een vooruitgang van jewelste: je kon zelf de lading vastleggen, de administratie bijhouden, contracten tekenen.

De Grieken hadden al schrift, de complexe Myceense en Minoïsche tekensystemen, al even moeilijk te gebruiken. Vallejo stelt zich voor dat ergens in een Griekse haven of aan de Libanese kust, in de achtste eeuw voor Christus, een intelligente Griekse man (vrouwen hadden maar zo weinig bewegingsvrijheid) zag hoe snel de Fenicische zeelui schreven. Hij leerde hun kunst. Hij zag dat het wel goed maar niet goed genoeg was: er werden alleen medeklinkers gebruikt. Hij nam, zegt Vallejo, alles over wat hij kon gebruiken en veranderde en verbeterde alleen waar nodig. De klinkers bijvoorbeeld, die lezen echt enorm vergemakkelijken. Prbr mr ns n zn t lzn zndr.

Het was een doorbraak van jewelste. Het is nu bijna niet meer voor te stellen hoe vernieuwend dat was.

Megalomaan project

En van daaruit, min of meer, begint het leven van de boeken. En daarmee van zoveel meer, van kennis, van de verspreiding van ideeën, van gemeenschappelijke inzichten, gedachten, opvattingen, van herinneringen en verhalen die niet meer verdwijnen.

Al verdween er natuurlijk veel wel. In Papyrus zien we om te beginnen de bibliotheek van Alexandrië tot stand komen, de eerste grote bibliotheek, het megalomane project van een Grieks-Macedonische compagnon van Alexander de Grote, Ptolemaeus III. Na de dood van Alexander was hij heerser geworden over Egypte, een verpletterend ontwikkeld land waarvan hij de gewoonten, noch de taal kende. Dus hij ging niet in een van die oude steden zitten en proberen zich aan te passen: hij breidde de stad die door Alexander zelf nog ontworpen was, Alexandrië, uit tot een grote nieuwe stad, het nieuwe centrum van het Egyptische rijk, waarin álle kennis van de wereld verzameld zou worden. Lees: vooral de Griekstalige wereld. Ptolemaeus was een Griek. Hij richtte een mouseion op, een muzenplek, met bijbehorende bibilotheek.

Lees ook: Een Hollands echtpaar in de nadagen van Nederlands-Indië

Boodschappers werden uitgestuurd om de mooiste en belangrijkste geschriften te kopen, op boekrollen, er werden boekrollen geconfisqueerd en gekopieerd, en alles werd opgeslagen. Niemand weet precies hoe. Wel dat er ordeningssystemen bedacht moesten worden voor die enorme verzameling onoverzichtelijke rollen – stel het je maar voor, de Ilias, bestaande uit vele rollen die opgerold op een plank liggen en daarnaast liggen toneelstukken van Euripides, en daarnaast instructies voor het voeren van een oorlog.

Elk hoofdstuk in dit boek zou op zichzelf al een boek kunnen zijn

Hoe wordt dat allemaal uit elkaar gehouden, ook nog eens zonder titels, boekbanden enzovoort? Iemand kwam op het idee om ook voor het catalogiseren het alfabet te gebruiken. Alweer zo’n lumineuze ingeving die zo vanzelfsprekend is dat wij er nooit meer over nadenken. Maar iemand heeft het bedacht.

Alexandrië was een wonder van cultuur, in alle opzichten. De architectuur was nieuw en vernieuwend, de technische kennis voor die tijd ongeëvenaard, het was een feestelijke stad vol kennis en ontdekkingen, waar de geleerdste mannen, en soms vrouwen, van de beschaafde wereld bijeenkwamen.

Het is allemaal ten onder gegaan zoals we weten. De bibliotheek is verbrand, van de vroegere stad is niets meer over. Maar dan is het al zoveel later. Dan heeft Vallejo ons al meegenomen door eeuwen waarin verhalen en liederen verteld, gezongen en opgeschreven werden, waarin inscripties in steen werden gehouwen of met spijkervormige wigjes in kleitabletten werden gedrukt. Hele rijken zijn opgekomen en verdwenen, van de steden van het Babylonische rijk is niet veel meer over. Maar de verhalen zijn niet ten onder gegaan, want dankzij het alfabet verspreidden ze zich over de wereld. En dankzij de boeken, in de vorm van kleitabletten, van op papyrus geschreven teksten, op berkenbast gekraste tekens – oh wat was het een verbetering toen het boek met bladzijden werd uitgevonden.

Zo’n 2000 jaar geleden.

Kurkentrekker

Vallejo schrijft over de angst die zo vaak wordt uitgesproken dat het boek nu alsnog zal verdwijnen, zeker in deze elektronische tijden. Maar zegt ze, dat wat al heel lang bestaat en gebruikt wordt, heeft meer toekomst dan dat wat nieuw is. Ze stelt zich voor dat de Romeinse dichter Martialis bij haar op bezoek zou komen. Wat zou hij allemaal niet voor bevreemdends opmerken: de ijskast, de lichtknop, foto’s, de snelkookpan. Hij zou niet weten waar pleisters of sprays voor zouden kunnen dienen, de kurkentrekker of de zonnebril. Maar haar boeken, ja, die zou hij wél herkennen. Hij zou weten wat je daarmee moet doen. Dus zegt ze: zoveel dingen met een duizendjarige geschiedenis zijn er niet, dat zijn taaie overlevers, die zijn we heus niet zomaar kwijt. Integendeel, ze hebben al zoveel doorstaan en we hebben nooit iets beters gevonden

In de eerste helft van haar boek beschrijft ze de Griekse wereld en alles wat daaraan voorafging en wat te maken heeft met het boek en het schrift. Ze doet dat in kleine essay-achtige hoofdstukken, soms rijgt ze er een aantal aan elkaar om verschillende aspecten van, bijvoorbeeld, de ideeënoverdracht die boeken bewerkstelligen, te belichten. Ze is enorm belezen, en niet alleen op het gebied van de oudheid, ze heeft een enthousiaste toon, ze weet nieuwsgierigheid en verbazing moeiteloos met een ongelooflijke hoeveelheid aan informatie te vermengen.

Lees ook: Waar kwamen de schatten van de Oudheid plotseling vandaan?

De tweede helft van het boek gaat over de Romeinse wereld, een wereld waarin het eervol was om schrijver te zijn, maar je daar niets mee kon verdienen. Maar toch al spoedig ook een wereld mét bibliotheken en scholen waar boeken bewaard werden. Rijke Romeinen vonden het, net als Ptolemaeus voor hen, statusverhogend om een bibliotheek te bezitten, vooral met veel Griekse boeken erin. In Herculanaeum is een enorme bibliotheek van onder de as te voorschijn gekomen. Met verbrande boekrollen uiteraard, dat wel. En wonderlijk genoeg is die verbrande bibliotheek de enige van alle in het Romeinse Rijk aanwezige bibliotheken die bewaard is gebleven.

Elk hoofdstuk in dit boek zou op zichzelf al een boek kunnen zijn, een boek over de Griekse slaven in Rome of over de eerste scholen waar op kleine Griekse eilanden kinderen dat wonderlijke alfabet leerden. Of over het bijna verdwenen, slechts in wat verwijzingen en fragmenten bewaard gebleven epos over Thebe, ouder dan de epen over Troje, waarin de hoofdpersoon een Ethiopiër is. ‘Als de vermoedens over de ouderdom ervan kloppen zou dat verbazingwekkend genoeg betekenen dat het oudste epos dat we in Europa kennen verhaalt over de wapenfeiten van een zwarte held’, schrijft Vallejo. Zoals ook de eerste auteur ter wereld die een tekst ondertekent met de eigen naam een vrouw is.

Dit boek laat op schitterende wijze zien waar onze wereld op gebouwd is. Op boeken. Hoe vergankelijk ze ook lijken, ze zijn een taaie soort.