Stamboom? Ik heb een compleet woud

Stamboomonderzoek Jarenlang koesterde de illusie dat hij van bijzondere afkomst zou zijn. Dat viel tegen. Niets aan zijn voorouders is ook maar enigszins exotisch.

Illustratie Fien Rijks

Nou, pech: mij is als kind altijd verteld dat we uit een geslacht van adellijke Hugenoten voortspruiten, maar dat blijkt jammer genoeg onjuist te zijn. De oom die dat een halve eeuw geleden hobbygewijs met een genealogisch onderzoekje meende te hebben aangetoond, zat er faliekant naast. Er vloeit nog geen plensje blauw, Frans bloed door mijn aderen, zoals heel mijn DNA-plaatje amper iets opzienbarends over de geografische herkomst van mijn familie aan het licht brengt. Van moeders- noch van vaderszijde.

De uitslag van het MyHeritage-laboratorium laat er geen twijfel over bestaan. De genetische sporen in het wangslijm van DNA-kit MH-64V24N (die van mij) liggen voor 81,2 procent op het zand en de klei van Noord- en West-Europa. De wiegjes van mijn verre voorouders stonden hoofdzakelijk in dorpjes in Brabant en België. Er is een onbekend aantal verwanten dat zich ooit in Zuid-Oostenrijk (Karinthië en Stiermarken) en op Java heeft vermenigvuldigd. En we dragen voor 15,1 procent Scandinavische, deels specifiek Finse, genen met ons mee.

Een nauwelijks tot de verbeelding sprekende, allesbehalve kosmopolitische kluts dus. Al putten mijn eigen nakomelingen nog enige troost uit het feit dat ze „gelukkig” ook „een beetje Indo” zijn, en dat ze bovendien wel eens van de Vikingen dan wel de Noormannen zouden kunnen afstammen. Maar verder zijn ze niet bijster geïnteresseerd in wat hun vader allemaal over vroeger boven water haalt.

De „boeren-stamboom” (hun term) die ik met behulp van MyHeritage aan het optuigen ben, maakt onder de gezinsleden de tongen in elk geval nog niet los. Dat doet de ‘familie-nieuwsbrief’ die ik ze erover toestuur evenmin. Ook de assistente van mijn accountant, die toch precies dezelfde achternaam heeft als mijn moeder (Van de Nobelen), reageerde er onverschillig op. Veel meer dan een „mwah” en een „tsja” leverde het me niet op.

Ik was er eerlijk gezegd al bang voor dat menigeen het meewarig als een typische ouwelullenbezigheid zou afdoen, en het heeft mijn aanvankelijke enthousiasme in het blootleggen van mijn wortels nogal getemperd. Daar kan ik ’s avonds achter mijn computer inmiddels al meer redenen voor aanvoeren.

Zo maakt de immense database van persoonsgegevens van MyHeritage het je weliswaar relatief gemakkelijk om je opa’s en oma’s aan een trits bet-, bet-, bet-overgrootouders te koppelen. Maar met dergelijke ‘matches’ krijg je er meteen ook al hun zussen, broers, derde- en vijfdegraads neven en nichten, oudooms en -tantes plús hun aangetrouwde familieleden bij. Het heeft een bijna onbeschrijfelijke wirwar in mijn stamboom tot gevolg. Alsof er elke dag weer een andere wolk spreeuwen tussen het gebladerte ervan landt.

Illustratie Fien Rijks

Huisvrouwen en landarbeiders

Ik heb al 4.455 van die matches en mijn mailbox stroomt doorlopend vol met nieuwe gegevens over levende en gestorven De Jongs en Van de Nobelens. Dat is eens te meer iets om crazygek van te worden als je van Brabantse en/of katholieke komaf bent. Niet te geloven wat die in vroeger tijden aan kinderen hebben verwekt. In een gemiddeld Van de Nobelen-huishouden werden er wel acht tot tien gebaard, terwijl ook langs de mannelijke lijn de opvatting werd gehuldigd dat er nooit genoeg De Jongs op aarde konden rondlopen.

Zeker, menige telg stierf honderd of meer jaren geleden ook weer op heel jonge leeftijd, zónder zich te hebben kunnen voortplanten. Maar vast staat dat ik waarschijnlijk nog jarenlang bezig zal zijn als ik iedereen die dat ooit wél heeft gedaan een twijgje in mijn stamboom moet toekennen. Of, stamboom – ik heb een compleet woud.

Nog iets dat je van tevoren niet beseft: althans in mijn familie was het volstrekt normaal dat elke volgende baby weer naar een opa, oma, oom of tante werd vernoemd. Die namen raakten ook nooit echt op. Werd bijvoorbeeld het eerste kind Willem Cornelis gedoopt, dan kon dat voor nummertje twee natuurlijk best Cornelis Willem worden. Overleed die laatste onverhoopt al als zuigeling of dreumes dan heette het eerstvolgende jongetje vaak weer gewoon zo. Bij de meiden onder de afstammelingen draaide die carrousel niet anders.

Er is tot zo’n veertig jaar geleden letterlijk niet één Van de Nobelen of De Jong geweest die klaarblijkelijk aan die traditie wenste te tornen. Ze gingen allen door het leven als Wilhelmus, Antonius, Cornelis, Johannes, Franciscus, Petrus, Antonia, Cornelia, Catharina, Maria of Wilhelmina. Het is een wonder dat ze er bij de burgerlijke stand door alle eeuwen heen niet ook tureluurs van zijn geworden.

Zo uitgesproken niet-exotisch als de namen van mijn voorouders waren, zo weinig tot de verbeelding sprekend zijn ook de beroepen geweest die ze uitoefenden. Wie geen huisvrouw was, kwam aan de kost als landarbeider of sigarenmaker. Slechts een enkeling schopte het in de regionale tabaksverwerkende industrie even tot kleine zelfstandige, om dan korte tijd later weer als zijnde failliet in de gemeentelijke registers te worden aangemerkt. De eerste academicus in beide geslachten werd neef Petrus, die maar een tikje jonger is dan ik.

Een heuse bajesklant hadden we aan Van de Nobelen-zijde daarentegen al eerder. Mijn opa Willem Cornelis belandde in 1913 in Breda achter de tralies met een veroordeling wegens mishandeling. Het register van de toenmalige koepelgevangenis vermeldt dat hij er als 21-jarige een maand moest brommen, inclusief de verlengde celstraf die de rechtbank hem tussentijds had opgelegd.

De aanvechting om zijn case met behulp van kranten en griffieverslagen tot op de bodem uit te zoeken, kon ik tot nu toe weerstaan. De ervaring leert dat zo’n missie zomaar nog meer vrije uren opvreet, en het resultaat zal vermoedelijk alleen maar tegenvallen. Het moet welhaast om een kermisruzie in Standdaarbuiten hebben gehandeld. Bepaald geen plek in onze familiehistorie waar op andere dagen de zeeën zogezegd hoog gingen.

Vruchtbaar zaad

Het ‘dashboard’ waarop MyHeritage mijn stamboom digitaal uitvouwt, lijkt in omvang op wat je op de beeldschermen in de verkeerstoren van een internationale vlieghaven aantreft. Maar het luchtruim dat het bestrijkt, is omgekeerd evenredig benepen. Er werd door de Nobeltjes geflirt, verloofd en getrouwd in dat West-Brabantse Standdaarbuiten en bij hoge uitzondering in het naburige Zevenbergen en Klundert.

Op hun beurt kwamen die De Jongs hun kerkdorpjes Woensel en Tongelre (beide later geannexeerd door Eindhoven) nooit uit. Wanneer en onder welke omstandigheden mijn voorouders Finse, Oostenrijkse en Indonesische roots hebben bijgetankt, blijft daarom een raadsel.

De Vlaamse component laat zich tot 1560 naspeuren. De vroegste stamoudste die ik op zijn staart heb kunnen trappen, is de in dat jaar geboren Petrus de Kesel, van wie ik nog niet meer weet dan dat hij in Waterschoot opgroeide en zijn vruchtbare zaad tot nota bene in Zomergem verspreidde. Met terugwerkende kracht heb ik een hoop met mijn Belgische tak te stellen. Er blijkt na Petrus namelijk geen nazaat van hem meer met de achternaam De Kesel over straat te zijn gegaan. Wel veel dames en heren De Kesele, De Knevel, De Kneuvel, Kneuvel, Cneuvels en Deknevels.

Dergelijke voorouderlijke laconiekheid heeft me al meermaals tot wanhoop gedreven. Net als overigens de pijnlijke constatering dat sommige hiaten in mijn stamboom zich maar niet laten opvullen. Mooi dat de twee zoontjes van mijn alleenstaande bet-overgrootmoeder Catharina de Knevel door ene Petrus de Jong werden geëcht toen zij halverwege de negentiende eeuw met hem in het huwelijk trad. Maar het leidt wel tot een onneembare hobbel in het uitpluizen van mijn bloedlijnen. Want wie was of waren nou de verwekker(s) van Jacobus en de kleine Antonius?

Geen ambtenaar kennelijk die daar indertijd het fijne van hoefde te weten. Er is geen letter over opgetekend. Die simpele slordigheid heeft ertoe geleid dat ik sterk overweeg om voortijdig met mijn ouwelullenliefhebberij te stoppen of, nou ja, eigenlijk al gestopt ben. Als Petrus per slot van rekening de ware vader van Antonius niet is, klopt driekwart van mijn stamboom niet meer en is alle geïnvesteerde moeite voor niets geweest.

Aan de eettafel thuis en in de laatste familie-nieuwsbrief houd ik er het nu maar op dat we bastaards-De Jong zijn, en dat het spoor naar onze Echte Voorvader langs de mannelijke lijn vooralsnog doodloopt. Ik vertel erbij dat het allicht een Viking of Noorman kan zijn geweest die in DNA-test MH-64V24N postuum zijn vinger opstak. Of dat het, wie weet, misschien ook wel een adellijke Fransman betrof. Sommige dingen moet je niet kapot willen checken. Er kan er ooit toch wel ééntje tot de contreien van Standdaarbuiten, Tongelre of Woensel zijn doorgedrongen?

Oproep: ging u ook op zoek naar uw voorouders? En waar kwam u toen achter? Laat het (in maximaal 150 woorden) weten via leven@nrc.nl, onder vermelding van ‘stamboom’.