Hoe de politie undercover gaat op een ‘online buurtfeest’

Recherche De politie maakt op sociale media regelmatig gebruik van nepaccounts. Het toezicht daarop en de grondslag daarvoor is beperkt, zeggen experts.

Illustratie Fien Rijks

‘Ik neem molotov mee. Veel mensen moeten benzine meenemen. Anders hebben we niks aan molotov.” Het is een van de uitspraken waarvoor de 19-jarige R. zich in februari voor de rechter in Assen moest verantwoorden. Het citaat is afkomstig uit een Snapchatgroep die volgens het Openbaar Ministerie diende als communicatiekanaal voor relschoppers die hun kans wilden grijpen na het invoeren van de avondklok. Hun doelwit: het Van Knobelsdorffplein in Drachten.

Wat R. niet wist, is dat een politieagent zich onder een valse naam heeft laten toevoegen aan de gesloten groep. Dankzij de undercoveragent worden de rellen voorkomen en wordt R. veroordeeld tot een taakstraf van negentig uur.

R. was een van de vele socialemediagebruikers die begin dit jaar werden opgepakt voor het delen van opruiende berichten in aanloop naar de avondklokrellen. Screenshots van incriminerende posts dienden in deze zaken vaak als bewijsmateriaal. Soms werd in de rechtszaal meteen duidelijk waar de politie die vandaan had. In Middelburg bijvoorbeeld werden vier mannen van rond de twintig jaar opgepakt, nadat een oplettende moeder een oproep om met „brandbommen en vuurwerk” op te trekken naar Goes had gespot op de telefoon van haar dochter en de politie hierover had geïnformeerd.

Soms was de herkomst van het bewijsmateriaal echter vaag. Zo viel de politie in februari een huis binnen op zoek naar de 34-jarige Michael Hagedoorn, nadat hij op Snapchat een plaatje („Lekker koffie”) had gedeeld dat de politie interpreteerde als een oproep om te komen demonstreren in Utrecht. De politie vreesde een rel, Hagedoorn ontkende dat een demonstratie zijn bedoeling was. Screenshots van de gewraakte posts waren afkomstig van een „informatieknooppunt” van de politie, verklaarde een agent later in de rechtszaak tegen Hagedoorn.

Was hier, net als in de Assense zaak, bewijsmateriaal verzameld vanuit een nepaccount? Navraag door Hagedoorns advocaat bood geen uitsluitsel. De agent vertelde de belastende oproep oorspronkelijk te hebben gevonden in de Telegramgroep ‘Rellen030’, een van de vele groepen die hij beroepshalve volgde. Hij had de posts daarna geverifieerd op het Snapchataccount van Hagedoorn, zei hij, maar liet in het midden onder welke naam hij bij beide platforms was ingelogd. Hagedoorn werd veroordeeld tot tachtig uur werkstraf.

Een patroon

Het gebruik van nepaccounts is een patroon, blijkt uit onderzoek van NRC. Politie en justitie achten het gebruik van dit soort accounts toegestaan, maar specifieke wetgeving ontbreekt. Bij het werken op sociale media betreedt de politie ook soms besloten groepen zonder dat er per se verdenking is van een strafbaar feit.

Lees ook dit nieuws van vorige maand: NCTV volgt heimelijk burgers op sociale media

De rechter vormt het enige externe toezicht op dit heimelijke meekijken, maar omdat politie en OM in de rechtszaal vaak niet duidelijk zijn over de herkomst van het socialemediabewijs, wordt dit werk zelden door de rechter getoetst. Het gevaar, zeggen experts, is dat de politie heimelijk meekijkt op een manier die niet mag.

Arnout de Vries van onderzoeksorganisatie TNO schreef mee aan een opleidingsboek voor politieagenten die werken met sociale media, en merkt op dat agenten ook burgers in de gaten houden die niet van een strafbaar feit worden verdacht, bijvoorbeeld in Facebookgroepen. „Stel je voor dat je op een buurtfeest staat waar ook een agent in burger is aangeschoven om een worstje mee te prikken: kan dat zomaar? Op sociale media gebeurt dit op steeds grotere schaal.”

Facebook ziet liever überhaupt niet dat de politie zo te werk gaat. Het bedrijf verwijdert alle nepaccounts die het vindt, agenten of niet. In de Verenigde Staten zag de politie daarom al meermaals haar nepaccounts verdwijnen. Ook in Nederland wordt hard opgetreden tegen nepprofielen van de politie op Facebook en Instagram (eigendom van Facebook), laat een woordvoerder weten. „Authenticiteit vormt de basis van ons platform.”

Werd Michael Hagedoorn ook vanuit een nepaccount bespied? En onder welke omstandigheden maakt de politie überhaupt gebruik van online-aliassen? De korpsleiding van de Nationale Politie wil de vragen niet beantwoorden. Verzoeken om een deskundige of hoofdverantwoordelijke te mogen interviewen, blijven wekenlang onbeantwoord, en een bezoek aan een van de elf Real Time Intelligence Centers (RTIC), van waaruit de politie sociale media 24 uur per dag in de gaten houdt, kan niet „vanwege corona”. Een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) wordt afgewezen – het openbaar maken van documentatie rondom de inzet van nepaccounts zou „de veiligheid van de staat” in gevaar kunnen brengen.

Dagelijkse praktijk

Uit openbare bronnen valt op te maken dat de nepaccounts deel uitmaken van de dagelijkse praktijk bij de politie. Zo maakte de korpsleiding als antwoord op een eerder Wob-verzoek al eens een training openbaar, waarin agenten instructies krijgen in het opzetten van een alias op Facebook en Twitter. Een interne evaluatie van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant noemt het lokale RTIC als een plek waar „schaduwaccounts op Facebook, Instagram en Twitter” al langer worden ingezet voor online monitoring.

Voor zijn scriptie interviewde Marnix Oosterhoff, inmiddels operationeel specialist bij het team digitale opsporing van de eenheid Rotterdam, tijdens zijn rechtenstudie een aantal politiecollega’s. Sommige agenten hebben „voor de opsporing een of meer fake-accounts op Facebook”, schrijft hij, „om toegelaten te worden in bepaalde groepen en om ‘vrienden’ te worden met verdachten of mensen daar omheen”. Oosterhoff wil zijn scriptie niet persoonlijk toelichten.

Cijfers zijn er niet. Er worden geen „seperate registraties” bijgehouden van het gebruik van nepaccounts, laat directeur korpsstaf van de Nationale Poiltie Erik de Vries weten.

Advocaten die veel met online bewijsmateriaal te maken hebben, twijfelen echter niet. „Het is schering en inslag”, zegt ‘cyberadvocaat’ Noud van Gemert. „We krijgen het alleen vaak niet te zien.” Van Gemert zegt vaak geconfronteerd te worden met online bewijsmateriaal waarvan de herkomst in strafdossiers bewust vaag wordt gehouden. „Dan staat er gewoon dat belastend bewijs afkomstig is uit ‘internetonderzoek’, terwijl je weet dat er een infiltrant is geweest.” Mensenrechtenadvocaat Tamara Buruma is nog stelliger. „Ik zie het nog wel een keer gebeuren dat er een app of Telegramgroep is met alleen maar politie en AIVD erin.”

Buruma forceerde in 2015 de enige rechterlijke uitspraak over de inzet van nepaccounts. Haar cliënt werd verdacht van opruiing tot een terroristisch misdrijf en een politiemedewerker had een Facebookprofiel aangemaakt onder de naam Aboe Noewas om haar cliënt een vriendschapsverzoek te sturen en zo zijn activiteiten online in de gaten te houden. De praktijk kwam – waarschijnlijk per ongeluk – aan het licht in de rechtszaal, omdat op een screenshot te zien was onder welke naam de politie was ingelogd. De rechter vond dat de politie hiermee te ver was gegaan, omdat toestemming van een officier van justitie ontbrak voor het undercoverwerk.

Neiging tot verzwijging

Ook Buruma bespeurt bij wetshandhavers een neiging de herkomst van online bewijsmateriaal te verzwijgen. „Uit de informatie die je in een strafzaak te zien krijgt, blijkt vaak niet dat er een agent in bijvoorbeeld een Telegramgroep zat”, zegt Buruma. Als de politie iemand op deze wijze op het spoor komt, kan bewijsmateriaal vaak via een andere weg in het strafdossier terechtkomen, bijvoorbeeld door de telefoon van een arrestant uit te lezen. „Zo komt het dan in het dossier. De oorspronkelijke bron komt daar vaak niet in terecht.”

Lees ook dit nieuws van vorige week: Gemeenten monitoren burgers anoniem en overtreden privacywetgeving

Ook in het onderzoek van operationeel specialist Oosterhoff wordt deze manier van werken gedocumenteerd. „De verantwoording van de wijze waarop het onderzoek op sociale media heeft plaatsgevonden, beperkt zich in het uiteindelijke procesdossier over het algemeen tot termen als ‘Uit onderzoek op social media is gebleken dat…’”, schrijft Oosterhoff. Bij rechtszittingen komt dit nooit ter sprake, constateert hij, iets wat sommige agenten die hij sprak wijten aan „een mogelijk gebrek aan kennis van deze materie bij zowel rechters als advocaten”.

De wettelijke kaders die politie en justitie hanteren zijn gebaseerd op het rapport van de commissie-Koops, die zich in 2018 boog over het moderniseren van politiebevoegdheden in het digitale tijdperk. De commissie stelde dat het aanmaken van een nepaccount altijd is toegestaan, het verzamelen van publieke gegevens ook. Maar als een agent vanuit zo’n account contact wil leggen met een verdachte, bijvoorbeeld middels een vriendschapsverzoek, is toestemming van de officier van justitie vereist.

Hoe vaak deze toestemming gevraagd of geweigerd wordt, is onbekend. Het parket-generaal van het OM houdt „niet centraal bij” hoeveel van dit soort verzoeken de politie indient. Zeker is dat dit niet altijd goed gaat. In een van de zeldzame recente gevallen dat een rechter zich boog over de inzet van een nepaccount – een zaak waarbij de politie vanuit een nepaccount een wapen aanschafte via Snapchat – ontsnapte de verdachte aan een gevangenisstraf omdat toestemming voor aspecten van het undercoverwerk ontbrak.

Over Facebookgroepen is in het commissierapport niets te vinden, maar politieagenten krijgen instructies dat onder valse naam lid worden van zo’n groep, om een profiel geloofwaardiger te maken bijvoorbeeld, wel gewoon kan. Omdat de politie verder geen toelichting wil geven op haar werkwijze is onduidelijk waar de grens precies ligt. „Ik heb het ook geprobeerd uit te zoeken maar ik heb daar weinig mee bereikt”, zegt Jan-Jaap Oerlemans, bijzonder hoogleraar inlichtingen en recht. Een probleem, stelt Oerlemans, is dat bestaande wetgeving vooral een leidraad biedt voor undercoverwerk in de ‘echte’ wereld en in de online context voor interpretatie vatbaar is. Volgens de hoogleraar bepaalt de politie, samen met het OM, dus deels zelf de regels waaraan ze zich moet houden.

Toch vindt Oerlemans dat het aanmaken van nepaccounts duidelijk is toegestaan binnen de huidige wetgeving. „De wet staat opsporingsonderzoek onder dekmantel toe”, zegt Oerlemans. „Zolang er niet meer dan een geringe inbreuk op de privacy is.” In het gemoderniseerde Wetboek van Strafvordering, dat vorige maand ter advies aan de Raad van State is voorgelegd, wordt het recht van politie om zich onder een valse naam op internet te begeven zelfs expliciet vastgelegd in de memorie van toelichting, in lijn met het advies van de commissie-Koops.

Grijs gebied

Maar op sociale media kom je makkelijk in grijs gebied, zegt Oerlemans. Lid worden van ‘gewone’ burgergroepen op Facebook kan bijvoorbeeld een stap te ver zijn, net als het passief meelezen in groepskanalen op Telegram en WhatsApp, zoals dat gebeurde tijdens de avondklokrellen. Burgers die nergens van verdacht worden, kunnen dan bijvangst worden van een heimelijk politie-onderzoek.

Of dat gerechtvaardigd is, hangt van veel zaken af, legt Oerlemans uit: „Hoe groot is de groep en hoeveel wordt er vastgelegd over bepaalde personen? Je moet dat van geval tot geval bekijken.” Nog ingewikkelder wordt het wanneer er geen concrete aanwijzing is dat een strafbaar feit wordt gepleegd in een gesloten groep. „Maar je wilt natuurlijk in zo’n groep zijn om te voorkomen dat er iets gebeurt.”

Het meest fel is Oerlemans op het gebrek aan openheid vanuit de politie over de nepaccounts. De politie zou duidelijker kunnen zijn over de juridische grondslag die de inzet van nepaccounts mogelijk maakt, meent hij. Het is ook wat advocaat Buruma het meeste steekt. Zij wijst erop dat interne controle bij infiltratie van groepen in de ‘fysieke’ wereld binnen de politie beter geregeld is. Een interne commissie toetst daarbij regelmatig of het werk goed verloopt. Op sociale media is er echter „niemand die er kritisch naar kijkt”, zegt Buruma.