Recensie

Recensie Boeken

Arendts beschrijvingen van het denken en willen zijn schitterend (●●●●●)

Hannah Arendt Haar angst dat ideologie en andere vormen van gedachteloosheid kritisch denken in de verdrukking kunnen brengen, gaf Hannah Arendt, in haar tijd een van de beroemdste denkers ter wereld, vorm in een magistraal boek.

Hannah Arendt (1906 - 1975), in 1949.
Hannah Arendt (1906 - 1975), in 1949. Fred Stein Archive / Getty Images

Hannah Arendt stierf op een donderdagavond in 1975. Ze was toen een van de beroemdste denkers ter wereld. Na de Tweede Wereldoorlog maakte ze furore in de Verenigde Staten, waar ze zich na vele omzwervingen vestigde, aan 370 Riverside Drive op Manhattan, op de vlucht voor nationaal-socialisten. Daar zette zij haar werk voort, ze schreef boeken en artikelen over totalitaire regimes, democratie en revoluties. Ze gaf les en was politiek filosoof.

Voor het weekblad The New Yorker versloeg Arendt destijds de rechtszaak tegen Adolf Eichmann, een nazi en één van de architecten van de Holocaust. In de reeks artikelen, later een boek, beschreef zij hoe Eichmanns daden niet voortkwamen uit een of ander metafysisch kwaad, of uit een duistere psychische aandoening, maar uit een vorm van gedachteloosheid. Door zich slaafs te schikken naar de nazi-ideologie had deze middelmatige pennenlikker, deze aperte mislukkeling, zich ontslagen van de taak kritisch na te denken, en was op die manier getransformeerd tot een bureaucratische moordmachine. Ideologieën kunnen onze gedachtewereld koloniseren, zag Arendt, en daarvoor bedacht zij de inmiddels beroemde term ‘de banaliteit van het kwaad’. Maar deze beschrijving van Eichmann werd haar door velen niet in dank afgenomen. Critici zagen erin een vergoelijking van zijn gruweldaden.

Met deze controverse nog vers in het geheugen begon Arendt kort voor haar dood aan een nieuw project, een filosofisch boek over de menselijke geest. Want als het waar was wat zij dacht, dat iemands vermogen om te oordelen kan worden opgeschort door ideologische gedachteloosheid, dan is het van belang om te onderzoeken hoe die twee dingen, denken en oordelen, met elkaar in verband staan. In 1973 werd Arendt uitgenodigd om de prestigieuze Gifford-lezingen uit te spreken, waarmee ze in de voetsporen trad van onder anderen William James, Henri Bergson en Niels Bohr. De lezingen zouden de basis vormen van haar nieuwe boek, Het leven van de geest. Het zou bestaan uit drie delen: denken, willen en oordelen. Uiteindelijk voltooide ze alleen de eerste twee. Het titelblad van het derde deel werd na haar dood in haar schrijfmachine gevonden. Nu, bijna vijftig jaar later, zijn de twee voltooide delen, alsook de aantekeningen en lezingen die de basis hadden moeten vormen voor het derde deel, in het Nederlands afgedrukt in één band.

Socrates tot Shakespeare

De elegantie van het boek ligt in de beschrijvingen die Arendt geeft van de verschillende onderdelen van de menselijke geest. Ze schrijft bijvoorbeeld mooi over het denken zelf: ‘Het denkende ego, dat zich in het universele beweegt, tussen onzichtbare essenties, is strikt genomen nergens: het is in nadrukkelijke zin ontheemd – wat het vroege ontstaan van een kosmopolitische geest onder filosofen zou kunnen verklaren.’ Arendts gedachten over het denken spatten uiteen in metaforen en allegorieën, dat kan haast niet anders. Het leven van de geest is geen droge uiteenzetting, noch een filosofisch geschiedenisboek, maar een leesbare poging om aan de hand van filosofen, schrijvers en dichters het denken zélf te verbeelden, en op figuurlijke wijze te vatten. Van Socrates tot Shakespeare, van Augustinus tot Zhuang Zi, ze krijgen allemaal een rol in Arendts verhaal. Het is duidelijk dat dit haar magnum opus had moeten worden. Ze is niet trouw aan één denker of denkrichting, al zijn sommige stemmen natuurlijk luider dan andere. Immanuel Kant is een trouwe bondgenoot, en een waarvan Arendt cruciale begrippen en onderscheiden leent die haar gedachten een bepaalde richting op sturen.

Arendt wil laten zien dat ons oordeelsvermogen gestoeld is op het denken zelf. Dat is geen vanzelfsprekend idee, en waarschijnlijk onjuist, maar het is wel een formidabele stelling die nog altijd onze aandacht verdient. Tegenwoordig zijn we geneigd precies het tegenovergestelde te denken: dat we éérst oordelen, vaak onbewust, en dan pas rationaliseren. De psychoanalyse leert ons dat, empirisch onderzoek wijst in die richting, en zelfs onnadenkende mensen kunnen nog de juiste beslissingen nemen.

Oordelen is volgens Arendt het nevenproduct van ‘het bevrijdende aspect van het denken’

In het nawoord schrijft McCarthy: ‘Arendt beschouwt de denkende, willende en oordelende mens niet als lid van een contemplatieve orde, die zich als monnik geroepen voelt om in afzondering te leven.’ Arendt geloofde dat we allemaal denkende, willende en oordelende wezens zijn, voor zover we het vermogen beoefenen om ons terug te trekken in het onzichtbare niemandsland van onze geest. Ze schrijft: ‘Denken is geen voorrecht van een selecte minderheid, maar een altijd aanwezig vermogen in iedereen; evenzo is het onvermogen om te denken geen gebrek van de velen die het aan hersenkracht ontbreekt, maar een altijd aanwezige mogelijkheid voor iedereen – wetenschappers, geleerden en specialisten in het geestelijk bedrijf niet uitgezonderd.’ Dat is een gulle gedachte, dat we allemaal toegang hebben tot het denken, maar niet onproblematisch. Je kunt je afvragen of het vermogen om te denken evenredig over de mensheid verdeeld is. Als je honger hebt is het moeilijk denken, bijvoorbeeld. Is het oordeel van iemand met honger dan minder waard dan iemand die in alle vrijheid kan reflecteren? Toen ze hierover eens door een journalist werd ondervraagd, zei Arendt, zichtbaar aangedaan: ‘Ik móet simpelweg veronderstellen dat iedereen dezelfde mogelijkheid heeft om te denken.’

Lees ook: Een wonderschoon boek over een dramatische Joodse familiegeschiedenis (●●●●●)

Penelope’s tapijt

Nogmaals: Arendts beschrijvingen van het denken en willen zijn schitterend. Met Kant ontleedt ze het denken. Ze beschrijft hoe er enerzijds denken bestaat dat zich richt op kennis, een soort instrumentele variant die we terugzien in de natuurwetenschappen, en een andere vorm die gericht is op betekenis. In die laatste variant, als we in dialoog treden met onszelf, ontstaat er ruimte voor reflectie en daarmee ook voor oordelen. Oordelen, schrijft zij, ‘is het nevenproduct van het bevrijdende aspect van het denken’. Zulk denken is altijd een actief onderzoek, zegt Arendt, een articulatie van betekenis. Zulk denken is nooit af. Het komt niet tot een conclusie, levert niets op, en moet steeds hernomen worden. Arendt roept het beeld op van Odysseus’ Penelope en haar tapijtwerk. Iedere nacht wordt het weer ontrafeld, zodat ze er in de ochtend opnieuw mee moet beginnen. Een krachtig beeld: denken als het weven van draden.

Het roept de volgende gedachte op: het is zonde dat Arendts eigen wandkleed onaf is gebleven. Want precies in dat rafelige laatste deel van haar boek staat het meest op het spel. In de huidige vorm bestaat het grotendeels uit lezingen, losse stiksels dus, waarin Arendt met Kant onderzoekt hoe voor ieder oordeel verbeeldingskracht nodig is, en dat zonder de verbeelding geen gemeenschappelijke wereld mogelijk is. Dat geeft aanwijzingen over welke kant haar gedachten op zouden zijn bewogen, maar hier had ze het idee dat ons oordeelsvermogen inderdaad gegrond is in het denken – dat onze moraliteit inderdaad gegrond is in ons denkvermogen – verder kunnen uitwerken, en zover komt het niet.

Of ons oordeelsvermogen altijd gestoeld is op denken, blijft dus ongewis. Maar omgekeerd geldt wel dat niet-denken tot gruwelen kan leiden. De angst die aan Het leven van de geest ten grondslag lag, dat ideologie en andere vormen van gedachteloosheid kritisch denken in de verdrukking kunnen brengen, is nog steeds gegrond.

Nog altijd worden we bestuurd door politici die zich op de uiterste rand van het bewustzijn begeven, fascistoïde ideologieën zijn weer in schwung, terwijl algoritmen het menselijk oordeelsvermogen steeds verder in de verdrukking brengen. Hoe meer je leest in Het leven van de geest, hoe duidelijker het is dat Arendts vroegtijdig afgebroken zoektocht ook nu nog van grote betekenis is. Een tijdige herontdekking dus, schitterend uitgegeven.