Recensie

Recensie Boeken

Een wonderschoon boek over een dramatische Joodse familiegeschiedenis (●●●●●)

Edmund de Waal Opnieuw vertelt hij op een briljante manier een dramatische Joodse familiegeschiedenis. Deze keer doet hij dat aan de hand van ‘gefingeerde’ brieven en een rondgang door een huis waar het allemaal gebeurd is.

Rechts op de foto: Graaf Moïse de Camondo, ca. 1890.
Rechts op de foto: Graaf Moïse de Camondo, ca. 1890. Foto: Musée Nissim de Camondo MAD, Parijs / Jean-Marie dell Moral

Edmund de Waal heeft het ’m weer geflikt. Opnieuw heeft hij een wonderschoon boek geschreven over een bijzondere familiegeschiedenis. Een jaar of tien geleden trok de Engelsman internationaal de aandacht met De haas met ogen van barnsteen, waarin hij het verhaal vertelde van zijn Joodse familie. Hij deed dat door de weg te volgen van een verzameling netsukes, Japanse miniatuurbeeldjes die sinds 1870 in de familie circuleerden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verstopte Anna, de Weense werkster van de familie, de netsukes in haar matras, waardoor ze behoed werden voor de hebzucht van de nazi’s. Uiteindelijk kreeg Edmund de Waal de beeldjes, inclusief een ivoren haas met amberkleurige ogen.

Nu is er Brieven aan Camondo, over een ándere Joodse familie, die nauw verwant blijkt aan die van De Waal. Eigenlijk is hij porceleinkunstenaar van beroep (of oneerbiedig gezegd: pottenbakker), maar met dit boek laat hij opnieuw zien wat een begenadigd verteller hij ook is. Hij bedacht een originele vorm, waardoor het niet het zoveelste verhaal is over een Joodse familie in de Tweede Wereldoorlog.

Aan die vorm moet je als lezer even wennen. Maar dat duurt niet lang. De Waal vertrekt deze keer niet vanuit één voorwerp, centraal staat nu een heel huis: 63 Rue de Monceau in Parijs. Observerend en filosoferend beweegt Edmund de Waal zich door de woning. En schrijvend. Hij doet dat in de vorm van brieven aan Moïse de Camondo, een telg uit een rijke bankiersfamilie. Die bouwde het huis aan het begin van de negentiende eeuw en liet het na als museum.

Moïse de Camondo overleed in 1935, en was dus al jaren dood en begraven toen de nazi’s Frankrijk binnenvielen. Toch is dit ook een verhaal over de Tweede Wereldoorlog. Maar daarover straks meer.

Constantinopel

Camondo werd geboren in Istanboel, dat toen nog Constantinopel heette. ‘U heeft de eerste negen jaar van uw leven uitgekeken over de Bosporus’, schrijft De Waal. Met zijn ouders verhuisde Moïse naar Parijs. In de buurt waar ze zich vestigden, woonden meer vooraanstaande Joodse families. De Ephrussi’s, verwanten van de auteur, de Rothschilds, de Reinachs. Theodor Herzl, de architect van het zionisme, woonde in de Dreyfusjaren op 8 Rue de Monceau. Moïse de Camondo, aan wie De Waal zijn brieven schrijft, trouwde in 1891 met Irène, de dochter van een Ephrussi. Zes jaar later zou ze ervandoor gaan met haar rij-instructeur.

De brieven zijn warm en persoonlijk, waardoor je als lezer het gevoel hebt dat je monsieur Camondo langzaam zelf leert kennen. ‘Beste vriend’, beginnen veel van die brieven. De toon is licht, als in een gesprek tussen goede bekenden, al blijft De Waal vousvoyeren. Af en toe suggereert hij een antwoord te verwachten.

Vanuit de keuken werkt hij zich omhoog door het huis. Makkelijk is dat niet. ‘Dit huis is niet te begrijpen zonder plattegrond’, verzucht hij op een moment. En: ‘Uw huis was een plaats waar alles iets anders was.’ Er is een aparte voorraadkamer voor het decanteren van wijn. De badkamer is de enige ruimte met maar één deur.

Lees ook het interview met de Brits-Ethiopisch-Eritrese schrijver Sulaiman Addonia: ‘Ik schrijf boeken en die boeken herschrijven mij’

Camondo omringde zich met kostbare schilderijen, gravures, beelden, meubels, tapijten, kandelaars, serviezen. Edmund de Waal verbaast zich over de compositie die al die objecten samen lijken te vormen. Want een compositie is het: over alles is nagedacht, meent De Waal. ‘Hoe meer tijd ik met u doorbreng in uw huis, des te unieker u in mijn ogen was in de manier waarop u er een geheel van maakte.’

Verwondering

De Waal kijkt ernaar met verwondering en, zoals je kunt verwachten van iemand die met zijn handen werkt, met liefde voor gebruikte materialen. Bijvoorbeeld naar een commode à rideaux met schuifpanelen. ‘Deze commode is gemaakt uit eik met fineer van amarant, plataan, warrelknoest van een esdoorn, bloodwood, hulst, haagbeuk, berberis, bois de ferrol, gedreven en verguld brons en heeft een paars bovenblad van Breccia. Neem me dit lijstje met materialen niet kwalijk, maar het is pure poëzie.’

Tweemaal is er in dit verhaal sprake van een tragische wending. De eerste betreft de zoon van Camondo, Nissim, van wie er 268 brieven en ansichtkaarten bewaard zijn in het huis. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog meldde hij zich als vrijwilliger. ‘Zijn moed werd zwaar op de proef gesteld aan het front waar hij werd geconfronteerd met de vreselijke uitputting van vrienden en kameraden die omkwamen in het koude landschap vol drek. Een vriend sneuvelde naast hem.’

In 1916 voegde Nissim zich bij de luchtmacht. Hij voerde vluchten uit bij Verdun en tijdens het Nivelle-offensief. In het najaar van 1917 keerde hij niet terug na een vlucht, mort pour la patrie.

Eerst werd zijn kamer een gedenkplaats. Vervolgens het hele huis. En na zijn eigen dood, zo bepaalde Camondo, werd de woning overgedragen aan het Musée des Arts Décoratifs – in bijzijn van de Franse minister van Onderwijs.

Inhoud en vorm versterken elkaar deze keer op werkelijk superieure wijze

‘U wilde Voltaire aan uw eettafel hebben’, schrijft Edmund de Waal. ‘En u schonk Frankrijk daarvoor het meest volmaakte huis, een huis gevuld met de kunst uit de meest volmaakte periode van de Franse cultuur, een weerspiegeling van Frankrijk. Het geschenk verbindt de mens met de plaats, de natie, de familie.’ Na zijn dood, zo bepaalde Camondo, mocht er niets aan de collectie worden veranderd.

Lees ook: De donkere kamer van Edmund de Waal

Een zoon die is gestorven voor het vaderland. En een huis vol Franse cultuur dat is geschonken aan hetzelfde vaderland. Kan een Joodse familie meer geassimileerd zijn? De ingetogenheid waarmee De Waal het beschrijft, in korte brieven, maakt dat wat volgt des te dramatischer. In één lang hoofdstuk (of zo je wil: een lange brief) beschrijft hij de lotgevallen van de Joden in Frankrijk in het algemeen en van de familie Camondo in het bijzonder: Béatrice, de zus van Nissim, en haar man Léon en hun twee kinderen. Béatrice scheidde van haar echtgenoot en bekeerde zich tot het katholicisme, in een poging uit handen van de nazi’s te blijven. Eerder vestigde ze tevergeefs haar hoop op artikel 8 van het statut de Juifs dat maarschalk Pétain in oktober 1940 ondertekende. Daarin stond hij een uitzondering toe voor Joden die de Franse staat een dienst hadden bewezen. Ze dacht aan haar broer, die onderscheiden was met de Légion d’honneur. Aan de schenkingen van haar vader aan het Franse volk. En van haar oom aan het Louvre.

Het contrast tussen dat lange hoofdstuk en de voorafgaande brieven is groot, al schuwt Edmund de Waal ieder drama. Zijn toon is hier zakelijk en feitelijk. Desondanks, of misschien juist daardoor, is het effect des te groter. De Camondo’s konden nog zo Frans zijn, voor de nazi’s en hun handlangers waren zij gewoon Joden. De directeur van het Institut de France, dat royale donaties aan de familie dankte, stuurde nog wel een brief aan de Duitse bezettingsautoriteiten ten gunste van Léon. Het mocht niet baten.

Overeenkomsten

Als ik Brieven aan Camondo uit heb, besluit ik De haas met ogen van barnsteen nog eens te lezen. Tien jaar geleden vond ik het een goed boek, maar veel meer dan dat herinner ik me niet. Waarom vond ik het goed, en is dat ook wat me bevalt aan Brieven aan Camondo?

Er zijn veel overeenkomsten tussen de twee boeken. Beide gaan over een geassimileerde Joodse familie. Beide vertellen ook een groter verhaal. In het geval van De haas met ogen van barnsteen: over Parijs tijdens de Dreyfusjaren, Wenen tijdens de wereldoorlogen en Tokyo rond de eeuwwisseling. En in beide boeken vertelt Edmund de Waal over zijn werkwijze, zijn twijfels en zijn emoties. Wanneer hij de geschiedenis van zijn familie in Wenen onderzoekt, verzucht hij: ‘Het ziet ernaar uit dat ik nog een winter over antisemitisme zal moeten lezen.’

De haas met ogen van barnsteen leest heel soepel. Alsof het verhaal alleen op deze manier verteld kon worden. Misschien is dat ook wel zo: Edmund de Waal gaat chronologisch te werk, door de reis van zijn netsukes te volgen. Nadat ik beide boeken achter elkaar heb gelezen, realiseer ik me: in Brieven aan Camondo is iemand aan het werk die zich heeft ontwikkeld als schrijver. Inhoud en vorm versterken elkaar deze keer op werkelijk superieure wijze. Door te kiezen voor brieven schept De Waal intimiteit en creëert hij ook een band tussen de lezer en de familie Camondo. Des te pijnlijker is daardoor de confrontatie met de harde feiten van de Jodenvervolging in Frankrijk.

Gebleven zijn het gevoel voor details en de subtiele toon, waar De haas al mee doordrenkt was. In zijn nieuwe boek wijdt De Waal een aparte brief aan het schilderij dat Renoir in 1880 maakte van Irène, toen een jong meisje, later de vrouw van de hoofdpersoon. Het werd een beroemd schilderij, La petite fille au ruban bleu. Zoals zoveel Joodse bezittingen werd het in de oorlog geroofd, waarna Göring het uitkoos voor zijn privécollectie in Carinhall (het landhuis van de nazi dat vernoemd was naar zijn overleden vrouw). In 1881 schreef een recensent over de Renoir: ‘Iets mooiers dan dit blonde kind is niet denkbaar.’ Edmund de Waal concludeert: ‘Ze zou niet-Joods kunnen zijn.’