Opinie

Een racist, een seksist, een fascist

Michel Krielaars

Dat de afrekencultuur niet alleen iets van deze tijd is, besefte ik toen ik de vermakelijke roman The history man (1975) van Malcolm Bradbury herlas. Hierin protesteert een groep intolerante, linkse docenten van de Universiteit van Leeds tijdens een vergadering tegen de komst van een gastdocent, professor Mangel. Behalve een racist zou deze beroemde geneticus ook een seksist en een fascist zijn.

Een van de aanwezigen, dr. Zachery, verdedigt Mangel, die net als hij een uit Nazi-Duitsland gevluchte Jood is. Als hij zijn veel jongere collega’s het wezen van het fascisme uitlegt, zegt hij onder meer: ‘Fascisme, en de daarmee verbonden genocide, kwam op omdat zich in Duitsland een klimaat ontwikkelde waarin elke intellectuele activiteit zich moest aanpassen aan een algemeen aanvaarde, beproefde ideologie. Om dit te laten gebeuren was het noodzakelijk een klimaat te scheppen waarin het verboden was om buiten het dominante ideologische concept te denken. Iedereen die dat toch deed, werd geïsoleerd, zoals sommige van onze collega’s nu professor Mangel proberen te isoleren.’

Zachery legt zijn collega’s ook uit dat fascisme een ‘elegant sociologisch concept’ is, het tegenovergestelde van pluralisme of liberalisme, oftewel de chaos aan meningen en ideologieën die bij een gezonde democratie hoort. Alleen daarom al zou het volgens hem goed zijn professor Mangel uit te nodigen.

De activisten geven niet toe. ‘Als Mangel die lezing komt geven, krijgen jullie je chaos’, zegt een van hen. Een ander roept dat het zal leiden tot ‘gerechtvaardigd geweld en protest.’

Over dat Duitsland met slechts één mening las ik in het onlangs verschenen Denken ist überhaupt nicht mehr Mode. Tagebuch 1940-1945 van de Duitse schrijfster Anna Haag. Het is een onthullend verslag van het dagelijks leven in Nazi-Duitsland, dat je kunt vergelijken met de dagboeken van de Joodse hoogleraar Victor Klemperer.

Als je niet denkt zoals de anderen word je in een fascistisch systeem geïsoleerd

Net als haar man, de wiskundeleraar Albert Haag, is Anna Haag pacifist en anti-nazi. Tijdens de oorlog krijgt ze daarom een publicatieverbod opgelegd. Albert verliest zijn baan. Ieder moment kunnen ze opgepakt worden door de Gestapo. Die angst maakt haar extra scherp. In haar dagboek lees je hoe goedopgeleide, zogenaamd beschaafde Duitsers Hitler verafgoden en in zijn oorlog geloven. De moord op de Joden, Russen en Polen vinden ze noodzakelijk voor de toekomst van hun land. In alles voelen ze zich moreel superieur.

Zelfs als het Duitse offensief bij Stalingrad in 1942 vastloopt, verdampt het oorlogsenthousiasme niet, ook al sneuvelen de Duitse soldaten bij bosjes. Velen hebben hun hoop nog altijd op de ‘goddelijke’ Hitler gevestigd, die met een nieuw wonderwapen zal komen om hen alsnog de overwinning te bezorgen.

Vol afgrijzen schrijft Haag over die collectieve waanzin van het vermeende gelijk. Zo heeft ze het over de executie van de familie van een gedeserteerde soldaat of over een groepje vrouwen die in een café kritiek op Hitler hebben geuit en nu naar het concentratiekamp moeten. Van de idealistische Volksgemeinschaft resteert op den duur alleen een verzameling cynische individuen in een groot tuchthuis, die elkaar het licht in de ogen niet gunnen, maar nog altijd hun ongelijk niet willen erkennen. Anna Haag neemt het allemaal waar. Haar dagboek is dan ook een belangrijke bijdrage aan de geschiedenis van de blinde volgzaamheid van de mens in een afrekencultuur.