Analyse

Ook Shell moet zich van rechter aan Akkoord van Parijs houden

Rechtszaak Voor de tweede keer doet een Nederlandse rechter een opzienbarende uitspraak in een klimaatzaak. De rechtbank in Den Haag draagt oliemaatschappij Shell op de uitstoot van CO2 snel terug te brengen.

Fietsers die Milieudefensie ondersteunen komen vanuit het Friese Ternaard aan bij de rechtbank in Den Haag.
Fietsers die Milieudefensie ondersteunen komen vanuit het Friese Ternaard aan bij de rechtbank in Den Haag. Foto Remko de Waal/ANP

Shell dreigt met zijn huidige beleid gevaarlijke klimaatverandering te veroorzaken. Daarom moet het olie- en gasbedrijf de uitstoot van broeikasgassen voor 2030 met 45 procent terugbrengen ten opzichte van 2019. Dat heeft de Haagse rechtbank woensdag geoordeeld in een verstrekkende zaak die was aangespannen door Milieudefensie.

De rechtbank verplicht Shell daarmee tot een veel verdergaande reductie van broeikasgassen dan het bedrijf van plan was, zoals bleek uit de strategie die dit voorjaar werd gepresenteerd. Rechter Larisa Alwin toonde zich woensdag uiterst kritisch over het klimaatbeleid van Shell. „Het is niet concreet en het zit vol met voorbehouden.”

Directeur Donald Pols van Milieudefensie noemde de uitspraak „een gigantische overwinning voor de aarde, voor onze kinderen, voor ons allemaal”.

De rechtbank neemt niet de volledige eis van Milieudefensie over. De milieugroep houdt Shell behalve voor de uitstoot die ontstaat bij bijvoorbeeld het boren naar olie, het vervoer van olie en gas of de raffinage ook verantwoordelijk voor de uitstoot door Shells toeleveranciers vooral ook door de producten die het bedrijf maakt, zoals benzine en diesel, die veruit de meeste uitstoot veroorzaken. Daarvan zeggen de drie rechters dat Shell alleen een „zware inspanningsverplichting” heeft om ook die uitstoot met 45 procent te reduceren.

De rechters bevelen dat Shell per direct een begin maakt met het vereiste reductiebeleid. Een hoger beroep tegen het vonnis mag geen reden zijn om dat beleid uit te stellen.

De rechtbank heeft het verweer van Shell op vrijwel alle punten afgewezen. Zo vindt de rechtbank dat Royal Dutch Shell (RDS), de houdstermaatschappij, ook verantwoordelijk is voor de uitstoot die wordt geproduceerd door de ongeveer 1.100 vennootschappen die het bedrijf wereldwijd telt. Die zijn, volgens de rechters, de uitvoerders van beleid dat door RDS wordt geformuleerd. Shell kondigde in een reactie aan in beroep te gaan „tegen de teleurstellende uitspraak van de rechtbank”.

De rechters waren evenmin gevoelig voor het argument van Shell dat de eis van Milieudefensie is gebaseerd op het klimaatakkoord van Parijs, en dat dit akkoord een overeenkomst is tussen landen, waarin het bedrijf geen partij is. Bedrijven hebben een zelfstandige verantwoordelijkheid, die los staat van het beleid dat een land voert. Zelfs als een land niets doet om klimaatverandering te voorkomen, mag dat voor een bedrijf geen reden zijn om zich aan de eigen verantwoordelijkheid te onttrekken.

De rechtbank kon mede tot dit oordeel komen omdat beide partijen het eens zijn over wat gevaarlijke klimaatverandering betekent, namelijk een opwarming van meer dan anderhalve graad ten opzichte van de pre-industriële tijd. Ook waren partijen het eens over wat dit betekent voor het zogeheten koolstofbudget, dat is de hoeveelheid broeikasgassen die de komende decennia nog kan worden uitgestoten voordat die anderhalve graad wordt bereikt.

In 2015 won de milieugroep Urgenda een rechtszaak tegen de Nederlandse staat. Gevolg was dat de overheid de verplichting kreeg dat de CO2-uitstoot in 2020 substantieel lager moest zijn. Die uitspraak werd in 2019 door de Hoge Raad bekrachtigd.

Deze keer werd de kans op succes door deskundigen lager ingeschat. Zou een rechter het daadwerkelijk aandurven zo’n groot bedrijf ter verantwoording te roepen en in te grijpen in zijn bedrijfsvoering? Volgens voorzitter Werner Schouten van de Jonge Klimaatbeweging laat het vonnis zien „wat de kracht is van mensenrechten, niet alleen voor regeringen maar ook voor bedrijven. We mogen dit als klimaatbeweging echt wel vieren.”

Deze uitspraak zal mogelijk nog verdergaande gevolgen hebben dan de Urgenda-zaak. In het verleden stonden oliemaatschappijen herhaaldelijk voor de rechter in klimaatzaken. Maar daarbij ging het altijd om de verantwoordelijkheid voor schade die in het verleden door het klimaatbeleid van die bedrijven werd veroorzaakt, nu gaat het om de toekomst.

Erik Klooster, directeur van de VNPI, de Nederlandse raffinagesector, noemt de opgelegde reductie „niet onhaalbaar”, maar kan alleen voor de sitiuatie in Nederland spreken. „Het Klimaatakkoord gaat voor de industrie uit van een CO2-reductie van 55 procent in 2030, al is dat vergeleken met 1990. Het zal verwacht ik nog iets scherper worden.”

Aanvulling (26 mei 2021): dit bericht is om 21.30 uur aangevuld met meer informatie en reacties.