IFFR: heruitvinden om zichzelf te blijven

50 jaar IFFR Hoe pakten de festivaldirecteuren die oprichter Huub Bals opvolgden het aan? Door onze medewerker
Foto’s van 50 jaar IFFR met onder meer festivaloprichter Huub Bals (links), voormalig premier Ruud Lubbers met regisseur Zhang Yimou en actrice Gong Li (midden) en voormalig IFFR-festivaldirecteur Bero Beyer die in 1995 als student aan de slag was als car service medewerker (rechts).
Foto’s van 50 jaar IFFR met onder meer festivaloprichter Huub Bals (links), voormalig premier Ruud Lubbers met regisseur Zhang Yimou en actrice Gong Li (midden) en voormalig IFFR-festivaldirecteur Bero Beyer die in 1995 als student aan de slag was als car service medewerker (rechts). Foto’s Hajo Piebenga / Nederlands Fotomuseum en Stichting Fotoarchief Pieter Vandermeer

1989-1991

Marco Müller (directeur Pingyao Filmfestval)

Het Filmfestival Rotterdam kent een illustere geschiedenis. Filmmakers en sterren als Christopher Nolan en Kate Winslet werden er ontdekt. Via Cinemart en Hubert Bals Fonds werd het een bakermat voor films en hofleverancier voor de competities van Cannes en Venetië. Die geschiedenis is ook de geschiedenis van de directeuren die na de dood van oprichter Huub Bals in 1988 diens erfenis voortzetten en heruitvonden.

Toen Marco Müller na een tussenjaar onder leiding van Anne Head, aantrad als tweede echte IFFR-directeur organiseerde hij net als Bals, twee festivals. „Eén voor de beste films die gemaakt zijn en één voor de beste films die eraan komen.” Of in andere woorden, samen met de latere festivaldirecteur Sandra den Hamer (in 1986 door Bals aangesteld om de filmfinancieringsmarkt Cinemart te leiden), het IFFR als „start-up voor films” profileren.

Ook distribueerde Rotterdam films in Nederland. De als sinoloog opgeleide Müller vanuit China: „Een festival als Rotterdam creëert marktwaarde. Een film die niet besproken en niet bekeken wordt bestaat niet.”

Müller bediende net als Bals primair een cinefiel publiek: „Mijn selectie gold ondanks mijn liefde voor populaire films soms als ingetogen. De meeste festivals worden georganiseerd in plaatsen met een toeristische meerwaarde. In Rotterdam was het half januari zulk slecht weer dat je echt niets anders kon doen dan van ’s ochtends tot ’s avonds films kijken en erover praten. Dat is Rotterdam: te vuur en te zwaard de pracht van de onafhankelijke film verdedigen.”

1991-1996

Emile Fallaux (journalist en beleidsmaker)

„Het IFFR was in de jaren negentig met Berlijn, Cannes, Venetië en Toronto een van de vijf grote filmfestivals. Mijn doel was een breder publiek aantrekken zonder het cinefiele oogmerk te vergeten”, aldus Fallaux. Hij was destijds woonachtig in New York en thuis in de wereld van Amerikaanse onafhankelijke filmmakers die hij bij het festival introduceerde.

„Sandra den Hamer (sinds 1992 adjunct-directeur) en ik wilden dat het IFFR een rol ging spelen bij het opkrikken van de (Nederlandse) filmcultuur, zonder de erfenis van Bals te loochenen. Je moet niet vergeten dat er hier in die tijd maar 10 à 15 speelfilms per jaar werden gemaakt. Het was het analoge tijdperk. Huub moest de hele wereld over reizen om films te zien en vervolgens die grote blikken met filmrollen door de douane zien te krijgen. Buitenlandse films importeren vereiste logistiek en geld. Tegenwoordig kan iedereen door de digitalisering een festival bij elkaar clicken. De lat ligt zo nog hoger voor het IFFR om nodig en uniek te blijven.”

De jaren negentig waren het „begin van de festivalisering van de cultuur”. „Dat was toen nuttig en nodig”, recapituleert Fallaux. „Nu kun je daar vraagtekens bij zetten.” Fallaux introduceerde in 1995 de Tiger-competitie. „Bals was tegen competitie, dat zette filmmakers maar tegen elkaar op, en dat non-competitieve bepaalde ook de amicale sfeer op het festival. Maar een competitie was nodig om de publiciteit voor films en makers te vergroten. Bovendien konden regisseurs uit landen in Azië vaak alleen maar reizen als hun film voor een belangrijke competitie werd uitgenodigd.”

Een persoonlijk hoogtepunt was de band met de dissidente, zogeheten ‘Zesde Generatie’ Chinese filmmakers, „de opvolgers van Zhang Yimou en Chen Kaige, die zich tegen hun mooifilmerij teweerstelden.” Fallaux introduceerde ook grote crossoverprogramma’s als Exploding Cinema, Cinema without Walls en Cinema made by Television.

1996-2004

Simon Field (Producent)

„Toen ik begon, stond de filmwereld door de opkomende digitalisering voor grote veranderingen. Het was duidelijk dat bioscopen al lang niet meer de enige plek waren om films te kijken.” Field, tegenwoordig producent van de Thaise filmmaker Apichatpong Weerasethakul, een van die filmmakers die dankzij het IFFR tot een van de meest toonaangevende regisseurs van deze tijd kon uitgroeien, heeft voor ons gesprek door oude catalogi gebladerd en constateert verheugd: „Het was een goede tijd voor de onafhankelijke cinema. De catalogi werden elk jaar dikker, we konden echt groeien.” Hij memoreert hoe hij indertijd „zeer tongue-in-cheek” opbiechtte de ‘sandwichformule’ te hebben geadopteerd: „Wij konden voor het eerst gebruik maken van de Pathé op het Schouwburgplein. Uitdagende, avantgarde-producties afwisselen met betere publieksfilms. De vraag is dan wel altijd: wat is het brood en wat het beleg?”

Field bracht nieuwe aandacht voor filmgeschiedenis met Cinema Regained, terwijl hij tegelijkertijd opkomende filmmakers een Focus-programma gaf. Een dierbare herinnering: „Bij een filmlezing van de Oostenrijkse cineast, oprichter van het filmmuseum in Wenen Peter Kubelka, zaten Stan Brakhage en de Canadese experimentele filmmaker Michael Snow op de eerste rij. Drie avantgardegrootheden in één zaal. Dat is ook Rotterdam.”

2004-2007

Sandra den Hamer (directeur Eye Filmmuseum)

„Het IFFR was vanaf het begin legendarisch”, aldus Sandra den Hamer die in totaal 23 jaar voor het festival werkte. „Dat kwam doordat regisseurs als Jim Jarmusch en ontelbare anderen vanaf het startpunt van hun carrière door het festival zijn gesteund. Gastvrijheid was altijd de kern van het festival, iedereen moet zich welkom voelen. Dat hoor je ook terug in hun verhalen. Ze krijgen allemaal glinsterende ogen. En dat heb ik nu ook met makers als Nanouk Leopold, Belá Tarr en Apichatpong Weerasethakul, wiens werk we ook in Eye hebben gepresenteerd.”

Voor haar is de geschiedenis van het IFFR er een van golfbewegingen. „Wat onder de ene directeur werd ingezet werd onder de andere opgevolgd, tot de tijd weer andere eisen stelde. De ‘norse’ Bals was niet zo op de Nederlandse film gesteld, Taipei leek aanvankelijk dichterbij dan Hilversum. Fallaux zette de ramen en deuren naar de Nederlandse makers open. Cinemart en Hubert Bals Fonds hebben de status bepaald als het IFFR als plek voor ontdekkingen. De directeur is misschien het boegbeeld, maar daarachter staat een heel team dat continuïteit aanbrengt. En de spirit van Huub bewaart: het festival is een familie.”

Onvergetelijk moment: „Het waren er vele, maar het ging altijd om de ontmoeting met makers, vaak jong en aan het begin van hun carrière. Zoals toen producenten Jeroen Beker en Frans van Gestel met hun Route 2000-films regisseurs als Paula van der Oest (De trip van Teetje) en Karim Traïdia (De Poolse bruid) introduceerden en ik, nog zenuwachtiger dan zij, hun namen verhaspelde tot Jeroen van Gestel en Frans Beker.”

2007-2015

Rutger Wolfson (directeur debatpodium Arminius)

„Als er één ding constant is aan het IFFR, dan is het wel dat het zich de afgelopen vijftig jaar steeds heeft heruitgevonden om zichzelf te blijven”, aldus Rutger Wolfson die in 2007 vanuit het bestuur de leiding van het festival overnam. De kern is: „De ontmoeting tussen professionals en publiek die een gemeenschappelijke liefde voor vooruitstrevende films hebben.”

Het IFFR is een aanjager van vernieuwing in de filmindustrie. Als voorbeeld noemt hij IFFR Live. „De meeste IFFR-films vinden buiten het festival moeilijk een publiek. Als antwoord besloten we festivalfilms in 50 Europese steden tegelijk te vertonen.” De periode onder Wolfson bracht veel grote crossoverprojecten: filmprojecties op Rotterdamse gebouwen, films van kunstenaar Cameron Jamie live begeleid door rockband The Melvins. Wolfson: „Live cinema vind ik altijd spannend.” Ook organiseerde hij een groot programma over ‘The State of Europe’, met de indrukwekkende steeds slechts door één persoon te bezoeken apocalyptische tentoonstelling Huis van de Europese Geschiedenis in Ballingschap van theatermaker Thomas Bellinck. Een ander memorabel moment was Eye Trap dat hij samen met kunstenares Germaine Kruip ontwikkelde, waarbij het Metropole Orkest optrad terwijl de bezoekers vanuit de Rotterdamse Cruise Terminal de zonondergang over de Maas konden zien: „Muziek bij zo’n uitzicht maakt duidelijk hoe makkelijk we de werkelijkheid als film ervaren.”

2015-2020

Bero Beyer (directeur Filmfonds)

Bero Beyer had, voordat Vanja Kaludjercic tot directeur werd benoemd, een duidelijke taak: het internationale profiel versterken. „Om dat voor elkaar te krijgen ben ik met een grote smile de wereld rondgevlogen om iedereen eraan te herinneren hoe bijzonder Rotterdam is. Men vroeg natuurlijk: wat heb je te bieden? Een van die dingen is innovatie op filmgebied. Denk aan onze streamingservice IFFR Unleashed, waar het festival nu in het tweede coronajaar profijt van heeft. Iets anders was het verder omarmen van kunst. Een hoogtepunt was het Sleepcinemahotel, slapen in een filminstallatie. Ik heb de kussenslopen nog.”

Ook de context kreeg meer signatuur. „De talks en masterclasses werden bijna een aparte tak van het festival en daar bleek veel behoefte aan te zijn. De openingstalk met actrice Charlotte Rampling, in de Jardinzaal in het Hilton waar ik ooit als vrijwilliger ben begonnen, was thuiskomen. Of Parasite-regisseur Bong Joon-ho die vlak voordat hij zijn Oscars wint even langskomt.”

„Het was ook belangrijk dat de Nederlandse filmwereld weet dat dit hun festival is. Meneer Bals (want ik heb hem niet gekend) was misschien niet zo dol op Nederlandse film, maar zijn erfenis zegt ook: kom naar Rotterdam, laat je inspireren, open je ogen. De nieuwe generatie omarmt dat ook, en dat iemand als Ena Sendijarevic met haar debuutfilm Take Me Somewhere Nice dan een Tiger wint, is een grote beloning.”

„IFFR is en was er niet om te pleasen. Zodra het daarom gaat verliest het z’n bestaansrecht. Maar dat wil niet zeggen dat je al die eigenzinnige films en makers, die dwarsverbanden tussen film en beeldende kunst, niet moet vieren. Want het is wel een feest natuurlijk. Dat was ook wat iedereen die ik overal ter wereld sprak zich herinnerde: het boottochtje, de oesters, tot laat in de nacht aan de bar over film ouwehoeren.”