De Zeven Zussen gaan door

Iedereen leest Op deze plek schrijft NRC over de populairste boeken van dit moment. Deze week: het slotdeel van Lucinda Riley’s Zeven zussen-reeks, dat geen slot bleek te zijn.

Toen Dick Advocaat bij zijn laatste wedstrijd als coach van Feyenoord emotioneel werd omdat voor hem het einde van een tijdperk was aangebroken, moest ik even aan Lucinda Riley denken. Hoe zou het met haar gaan, nu ze het slotdeel van haar Zeven Zussen-serie had afgerond? Een deel dat dicht bij haarzelf zou staan omdat het zich grotendeels in haar geboorteland Ierland afspeelt, en waarin de zevende zus eigenlijk niet gevonden wil worden? En hoe was dit voor de fans?

Het antwoord: er komt een deel acht.

In haar dankwoord legt Riley uit waarom: „Ik kan me voorstellen dat sommigen van jullie dit geschokt of wellicht teleurgesteld zitten te lezen, omdat er nog zo veel onderliggende raadsels uit de reeks onopgelost zijn. Dit komt doordat ik er tijdens het schrijven van dit boek, toen het verhaal van de zevende zuster vorm kreeg, achter kwam dat ik simpelweg ruimte tekort kwam om het geheime verhaal goed te kunnen vertellen.”

Pardon, ruimte tekort? Dit zevende deel telt 696 bladzijden. Dat Riley niet de Nescio-school aanhangt is bekend, dat hoeft ook niet. Maar in totaal 4.496 pagina’s schrijven om dan aan het slot te concluderen dat je niet genoeg ruimte had, is inderdaad een beetje teleurstellend. Het verbaast natuurlijk niet echt dat Riley zich niet wist te beperken, maar vanwege haar stijl kun je je afvragen of ze het met deel acht wél echt gaat redden. Het probleem zit ’m in de dialogen en in de beelden.

Dialogen zijn een uitwisseling tussen mensen, geen feitenoverdracht

Een auteur die het vak beheerst, maakt van dialogen een uitwisseling tussen mensen in plaats van een overdracht van feiten. Bij Riley kan dat scherper. Om een voorbeeld te geven. Op pagina 517 ontspint zich de volgende dialoog tussen twee Ierse zussen: „Terugkijkend hadden we het vroeger niet breed, hè? Ik weet nog dat ik met schoenen vol gaten naar school moest lopen omdat we geen nieuwe konden betalen.” „Tegenwoordig zou je zeggen dat we uit een arm gezin kwamen, maar in die tijd gold dat voor half Ierland.” „Ja, na alles wat onze voorouders hadden doorstaan om voor onze vrijheid te vechten, schoten we er in de praktijk weinig mee op, vind je niet?” Dit is geen gesprek, maar een geschiedenislesje. Een overbodige bovendien want de lezer was in de honderden pagina’s daarvoor al helemaal meegenomen in de armoede van het gezin en de Ierse onafhankelijkheidstrijd (zoals in alle delen zijn de historische passages beter dan de hedendaagse die bol staan van voorspelbare gevoelens). In vergelijkbaar opgebouwde gesprekken wordt ook een en ander uit de vorige delen hernomen, zodat de ellende die iedereen heeft moeten doorstaan of eigenschappen die iedereen heeft bij de lezer van dit deel weer helder op het netvlies staan. Het gevolg is dat de personages niet met elkaar in gesprek zijn, maar over de hoofden van elkaar de lezer toespreken.

Wat ook vertragend werkt: emoties worden cursief samengevat nadat alles al is verteld. In de meeste gevallen herkent de lezer een emotie bovendien. Het probleem zit ’m dus in de dialogen met dubbelfunctie, het bij Riley vertrouwde, meer dan overdadige gebruik van bijvoeglijke naamwoorden en de zichtbare zorg dat de lezer eerdere passages is vergeten. Om te voorkomen dat de lezer straks „teleurgesteld zit te lezen” in een deel negen, zou ze het moeten aandurven om íets aan de verbeelding over te laten.