Foto Walter Herfst

Wat is natuur nog in dit land?

Essay Puur natuur bestaat niet in Nederland. Al 10.000 jaar drukt de mens zijn stempel op zijn omgeving. De natuur verandert. Hoe de Nederlander erover nadenkt ook.

Hoe gaat het met de Nederlandse natuur? Daar heeft vrijwel iedereen een mening over: politici, boeren, boswachters, biologen, wandelaars, vogelaars. De één vindt dat er veel te weinig van is, de ander meent juist dat we wel met minder groen toekunnen. Maar die ‘hoe-vraag’ kan niet bestaan zonder een andere fundamentele vraag: wat ís Nederlandse natuur?

Zijn het de 21 Nationale Parken in Nederland? Vallen groene bermen en biologische landbouwpercelen ook onder natuur? En hoe zit het met heidevelden, of bossen die ooit zijn aangeplant omwille van de houtproductie – zijn die wel zo natuurlijk?

Een eenduidig antwoord is er niet. Behalve dan misschien dit: dé Nederlandse natuur bestaat niet, of althans niet als vastomlijnd concept. De natuur, sterker nog: het hele landschap, is voortdurend aan verandering onderhevig. En de mens? Die draagt daar, bewust of onbewust, al millennia aan bij.

Die interactie tussen de mens en de Nederlandse natuur staat centraal in twee recente boeken. Allereerst is er het essay Natuurvervaging van Thomas van Slobbe, directeur van Stichting wAarde, een denktank over thema’s als natuur en duurzaamheid. „Sluipenderwijs heeft maakbaarheid alle natuur in zijn greep gekregen”, betoogt Van Slobbe in dat boek. „De natuur zoals we die ooit kenden, is niet meer. Ieder bos, iedere diersoort, ieder plantje, ieder ven en ieder stukje bodem wordt door ons bestemd, bepaald, beïnvloed, beschermd of verstoord.”

Foto Walter Herfst
Foto Walter Herfst
Het Beekbergerwoud ten zuiden van Apeldoorn, ooit het laatste stukje oerbos in Nederland.
Foto’s Walter Herfst

Zodoende is de vrije natuur verdwenen. Van Slobbe omschrijft hoe hij ooit, als proef op de som, een stukje grond wilde kopen met een boom erop „en deze boom vervolgens volledig te onteigenen door, in letterlijke zin, alle eigendomsrechten op te geven, zodat de grond met boom (als enige stukje natuur in Nederland) van helemaal niemand was: niet van een persoon of rechtspersoon, bedrijf, instantie of staat.” Het bleek niet mogelijk, omdat grond altijd eigendom van iets of iemand moet zijn.

Puur natuur bestaat niet meer in Nederland, zegt Van Slobbe. Maar in de visie van historisch ecoloog Rob Lenders is dat geen recent proces. Samen met systeemecoloog Joop Schaminée, milieukundige Thomas van Goethem en historisch econoom Jan Luiten van Zanden beschrijft hij in De ontdekking van de natuur op beschouwende wijze hoe de Nederlandse natuur zich in de afgelopen 10.000 jaar heeft ontwikkeld. „Er wordt vaak gesproken over ongerepte natuur, alsof de invloed van de mens tot een paar eeuwen terug afwezig was” zegt Lenders aan de telefoon. „Maar al sinds de laatste ijstijd hebben mensen nauw met de natuur samengeleefd, en dat liet zijn sporen na.” Aanvankelijk door jacht, later door de opkomst van de landbouw, en vanaf 1850 door de industriële revolutie en de bijbehorende verstedelijking.

Wat volgens Lenders de afgelopen decennia wél is gewijzigd is dat de mens zich meer bewust is van die invloed. Dat is terug te zien in het natuurlijk beheer dat nu vaak wordt toegepast. In 1869 ging in Nederland het Beekbergerwoud tegen de vlakte, het laatste stukje oerbos in Nederland. De bossen die daarna werden aangeplant waren vooral productiebossen met naaldbomen, monotoon en keurig in het gelid. Nu proberen bosbeheerders die rechtlijnigheid weer uít het landschap te krijgen: dood hout mag blijven liggen, tussen de douglassparren en grove dennen komt plaats voor loofbomen. We dromen van een diverser, wilder bos. Maar het blijft mensennatuur.

Er is geen nette scheiding

‘Natuurvervaging’ noemt Van Slobbe het verdwijnen van natuur die gevrijwaard is van menselijke inmenging. Het is een sluipend proces. Natuurvernietiging is eenvoudiger te herkennen, schrijft hij, want: „Je loopt door een gebied en ziet de ravage die is aangericht.” Maar bij halfnatuur waarbij natuur en cultuur met elkaar zijn verweven, is zo’n duidelijke herkenningspunt er niet. Hij citeert natuurfilosoof Martin Drenthen: „In werkelijkheid bestaat er helemaal geen nette scheiding tussen natuur en cultuur. Het zijn geen verschillende domeinen van de werkelijkheid, maar veeleer twee dimensies die aanwezig zijn in een en hetzelfde landschap.”

Tegelijkertijd blijven we verlangen naar ongerepte oernatuur. In 2007 kwam de wisent naar Nederland: deze Europese bizon, die alleen in Polen nog vrij rondliep, werd in de Kennemerduinen uitgezet. Voor het laatst liepen hier wisenten rond tijdens de laatste ijstijd, over de drooggevallen Noordzeebodem. En in Limburg graast de tauros, een ras dat is ontstaan uit de wens om de oeros terug te fokken.

Maar als er iets naar wildheid riekt, dan ontstaat direct discussie. Over de Oostvaardersplassen, bijvoorbeeld. Is het gebied, zoals in de gelijknamige documentaire uit 2013 werd geschetst, ‘de nieuwe wildernis’ van Nederland? Een plek waar op den duur ook weer oerrunderen en wolven zullen rondlopen? Of is het, zoals tegenstanders schetsen, door de omheining juist verre van natuurlijk? En is beheer überhaupt niet in strijd met wilde natuur?

Om het nog ingewikkelder te maken: sommige soorten gedijen júíst door landbouw, verstedelijking of industrialisatie, zoals de unieke zinkflora in het Limburgse Geuldal: planten die alleen voorkomen op zinkhoudende gronden, zoals het zinkviooltje, de zinkboerenkers en het zinkschapengras. Vermoedelijk waren deze planten er ook al in het schrale, open toendralandschap tijdens de Weichsel-ijstijd, ruim 10.000 jaar geleden, en bleven ze daarna in kleine plukjes als ‘ijstijdrelicten’ over – om vervolgens tijdens de bloeitijd van de mijnbouw, eind negentiende eeuw, te floreren. En weidevogels als de grutto en de kievit namen tussen 1400 en 1800 sterk in aantal toe en „waren dus net zozeer cultuurvolgers als de huismus of de ooievaar”, staat in De Ontdekking van de Natuur. Toch betekent dat niet dat de weidevogels bestaan bij gratie van de landbouw, benadrukken de auteurs. „De meeste weidevogels zijn weinig kieskeurig en komen in meer dan één type habitat voor.” En de huidige intensivering van de landbouw werkt voor de weidevogels juist averechts.

De wolf: opgejaagd en opgehemeld

Maar niet alleen de natuur zelf is steeds aan verandering onderhevig. Ook de manier waarop we over die natuur denken verandert. Dat blijkt alleen al uit de positie van de wolf: nu opgejaagd, dan weer opgehemeld. In de Romeinse tijd waren wolven in Nederland en elders in Europa meer dan welkom, juist ook omdat een wolvin volgens de overlevering aan de basis van het Romeinse Rijk stond, als voedster van Romulus en Remus. De soort werd niet bejaagd, niet gegeten, „en er werden geen medicijnen van gefabriceerd zoals dat van veel andere soorten wel gebeurde”, staat in De Ontdekking van de Natuur. Maar later, in de negende eeuw, voerde Karel de Grote de ‘louveterie’ in, een „elite-eenheid voor de uitroeiing van de wolf. En ook wolven werden publiekelijk geëxecuteerd, vaak als mens verkleed opgehangen, als exempel voor wat menselijke criminelen te wachten stond”. Over de huidige terugkeer van de wolf zijn de meningen verdeeld. Boeren vrezen voor hun schaapskuddes, natuurbeheerders zien er een sprankje oernatuur in. Want de wolf komt in Nederland immers van oudsher voor, en geldt daarom als ‘inheems’.

Naast die inheemse soorten zijn er de exoten: soorten die pas ná 1492 hun opwachting maakten. In dat jaar ontdekte Columbus Amerika, en daarna raakte de wereldwijde verspreiding van soorten in een stroomversnelling. Van de pakweg 45.000 soorten dieren, planten, schimmels, wieren en algen die Nederland rijk is, zijn er naar schatting enkele duizenden exoten. Sommige niet-inheemse soorten kunnen zo succesvol zijn dat ze uitgroeien tot een plaag. Nederland kent tientallen van die ‘invasieve exoten’, die door de Europese Unie zijn aangemerkt als schadelijk voor de natuur, en zodoende moeten worden bestreden. Op de lijst staan planten zoals de reuzenbalsemien en vogels zoals de nijlgans. Of een exoot invasief wordt, hangt af van meerdere factoren, waaronder de aanwezigheid van natuurlijke vijanden.

Foto Walter Herfst
Het Beekbergerwoud, ten zuiden van Apeldoorn. Ooit was dit het oudste stukje oerbos van Nederland.
Foto Walter Herfst
Het Beekbergerwoud ten zuiden van Apeldoorn, ooit het laatste stukje oerbos in Nederland.
Foto’s Walter Herfst

Dat er nu zelfs tot op Europees niveau wordt bepaald welke soorten er wel en niet thuishoren in de Nederlandse natuur, staat in schril contrast met de natuurbeleving van een paar eeuwen geleden. Tot de Industriële Revolutie maakte vrijwel niemand zich druk om hoe de Nederlandse natuur veranderde, staat in De Ontdekking van de Natuur. „Er waren nog geen biologen of natuurliefhebbers die stilstonden bij het verdwijnen van het everzwijn, de wolf of de grote trap [een vogelsoort, red.].” En: „Tot ver in de negentiende eeuw dacht men bij natuur vooral aan de natuur elders in de wereld (die toch veel mooier was).” Sterker nog: bij een analyse van oude krantenartikelen vanaf 1800 ontdekten de auteurs dat er pas na 1900 echt positieve ‘natuurwoorden’ werden gebruikt. Tot die tijd ging het veelal over ongedierte en onkruid.

„Iemand wees mij er op dat de woorden vanzelfsprekend en natuurlijk van oudsher synoniemen zijn”, schrijft Van Slobbe in zijn boek. „Natuur was een vanzelfsprekendheid. Maar het feit dat natuur inmiddels bedacht, bestemd, beïnvloed is, maakt dat deze in het domein van meningen en verantwoordelijkheden wordt getrokken. Natuur is niet vanzelfsprekend meer.”

Halverwege de negentiende eeuw gingen de eerste natuurbeschermers zich zorgen maken over de verdwijning van de natuur. In 1854 schreef Frederik Willem van Eeden in zijn Album der Natuur over de duinen: „Reeds zie ik hoe die landbouw begeerige blikken slaat op de vrije duinen; ik zie de vierkante aardappel- en erwtenvelden het natuurlijke groen en de wilde bloemen meer en meer verdringen: wel is de strijd nog groot, maar de Landbouw zal overwinnen, want hij is de sterkste.” En de botanist Frederik Hartsen noteerde in 1868: „Laat ons toch die veenen van Westbroek in eere houden en ze dikwerf bezoeken, zoolang ze nog vruchtbaar zijn. Wie weet, over een halve eeuw of vroeger behooren ze misschien tot de vaderlandschse geschiedenis. Dan is de adem der beschaving over die streken heengegaan.”

Het goede nieuws: de venen rond Westbroek zijn anderhalve eeuw later nog grotendeels intact. Ze behoren tot het natuurgebied Westbroekse Zodden, als onderdeel van het Geopark Heuvelrug Gooi en Vecht. Maar elders is de ‘adem der beschaving’ wel degelijk over het land gegaan. Er zijn soorten en natuurgebieden verdwenen, als gevolg van versnippering, vervuiling, verstedelijking. Af en toe komen er ook natuurgebieden bij, zoals de Marker Wadden in het Markermeer. En nog altijd weten nieuwe soorten hun weg naar Nederland te vinden. Ze liften mee met schepen, met autobanden, of vestigen zich hier op eigen kracht als gevolg van het opwarmende klimaat.

De Nederlandse natuur blijft veranderen, kortom. En misschien is de meest prangende vraag wel deze: in hoeverre is de mens bereid om mee te veranderen ten gunste van die natuur?

Meer lezen over dit onderwerp?
De ontdekking van de natuur, Jan Luiten van Zanden, Thomas van Goethem, Rob Lenders, Joop Schaminée. Uitgeverij Prometheus, 265 pagina’s.
Natuurvervaging – en de strijd om wat natuurlijk is, Thomas van Slobbe. Uitgeverij Noordboek, 110 pagina’s.