Opinie

Politietuchtrecht kan bijdragen aan gezonde politiecultuur

Wangedrag Als agenten in de fout gaan, spreekt de korpschef recht. Dat kan onafhankelijker, toegankelijker en transparanter voor agenten én burgers, menen en .
Foto Hans Slegers

Discriminatie door politieambtenaren van burgers en collega’s staat terecht sterk in de belangstelling. Racisme, seksisme en andere vormen van uitsluiting tasten grondrechten van mensen aan, maar ook de legitimiteit van de politie. De politie worstelt zowel met de erkenning van dit probleem als met het voorkomen en bestrijden ervan. De politieleiding heeft deze problemen en processen te veel beschouwd en afgedaan als incidenten van individuen en onvoldoende erkend als een structureel probleem van de organisatie.

Met de komst van sociale media komen uitingen door agenten gemakkelijker en vaker naar buiten, ook discriminerende uitingen. Veel agenten zijn privé actief op platforms als Facebook, Twitter en WhatsApp. Zij hebben dezelfde grondrechten als iedereen. Maar als agenten gebruik maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting, kan de werkgever oordelen dat een uiting strijdig is met de uitoefening van de politiefunctie.

Als de politieleiding besluit om de agent daarvoor disciplinair te straffen, dan is zij wettelijk verplicht om daarover advies te vragen aan de Adviescommissie Grondrechten en Functie-uitoefening Ambtenaren (AGFA). De AGFA heeft de afgelopen jaren verscheidene zaken behandeld van agenten die zich hadden geuit via sociale media en daarvoor op de vingers werden getikt.

Grondrechten

De zaak van de vijf Rotterdamse agenten die zich in een WhatsAppgroep discriminerend uitten was niet de eerste die de AGFA behandelde, maar wel de eerste politiezaak waarvoor media belangstelling toonden. De AGFA heeft, anders dan NRC bij herhaling schreef, niet de taak en de bevoegdheid om het disciplinaire onderzoek van de werkgever over te doen. De taken en bevoegdheden van de AGFA zijn verankerd in de CAO Rijk, het Besluit algemene rechtspositie politie en het Burgerlijk ambtenarenreglement Defensie. De AGFA bekijkt waar de grondrechten van de ambtenaar mogelijk schuren met de functie-uitoefening en adviseert de werkgever in de afdoening. In vergelijkbare eerdere zaken heeft de AGFA positief geadviseerd over zwaardere straffen. In de Rotterdamse zaak speelde bij de weging van de disciplinaire straf onder meer mee dat de agenten voor dezelfde kwestie al eerder waren bestraft.

In de (internationale) politiewetenschap is de politiecultuur onderwerp van onderzoek. Vrolijk word je daar niet van. Onder meer de hiërarchische structuur, de noodzakelijke vertrouwelijkheid van informatie en rechtshandhaving en de mogelijke gevaarzetting van het werk maken dat de organisatie relatief gesloten is en dat medewerkers kunnen gaan denken in wij-zij-tegenstellingen.

Het zou helpen als het stelsel van disciplinaire onderzoeken en straffen bij de politie wordt gemoderniseerd

Het frequente contact met donkere kanten van het leven (geweld, ongeluk, dood), stress, onzekerheid, onveiligheid en het repetitieve karakter van het werk kunnen cynisme en onverschilligheid met zich meebrengen. Cynisme maar ook zwarte humor werken onder hoge druk soms als overlevingsmechanisme, als coping strategy.

Lees ook: Met moties wil de raad racisme bij de politie tegengaan

Andere elementen van de politiecultuur zijn bijvoorbeeld masculiniteit, avontuur en straatwijsheid. Herhaalde contacten met vaak dezelfde groepen in de samenleving kunnen zo processen van uitsluiting, intern en extern racisme en discriminatie met zich meebrengen, in woord en soms ook in daad. Voor nieuwkomers kan het moeilijk zijn om weerstand te bieden aan zo’n dominante sfeer.

De roep om ontslag van de vijf jonge Rotterdamse agenten is begrijpelijk. Maar het is niet de oplossing van dit diepgewortelde probleemcomplex, nog afgezien van de vraag of de ambtenarenrechter dergelijke ontslagen zal toestaan.

De politieleiding is aan zet, niet met symboolbeleid maar met leiderschap, met voorbeeldgedrag en met veel meer communicatie intern en extern over doel, koers, instructie en over waar grenzen liggen bij verkeerd gedrag. Het politieleiderschap moet zichtbaar en hoorbaar leiding geven aan de broodnodige verandering en moet helder en duidelijk de norm stellen.

Opgefrist

Elke agent heeft beloofd zich te houden aan artikel 1 van de Grondwet én aan de beroepscode. Iedere agent wordt daarmee opgeleid. Maar dat is niet genoeg, het moet gedurende de gehele loopbaan blijvend worden opgefrist.

Afwijkingen van die norm moeten áltijd en niet aflatend worden gesignaleerd, benoemd, besproken, bij herhaling disciplinair bestraft en bij recidive zwaar bestraft, uiteindelijk met ontslag. Maar het zwaartepunt moet liggen bij leiderschap, collegiale correctie en ondersteuning.

Daarbij zou het helpen wanneer het stelsel van disciplinaire onderzoeken en straffen wordt gemoderniseerd. Het moet onafhankelijker, transparanter en toegankelijker. Nu spreekt de korpschef alleen recht, heeft de agent geen inzicht in het proces en heeft de burger er geen toegang toe. De professionele, moderne organisatie die politie wil zijn, behoort een modern en onafhankelijk politietuchtrecht te krijgen dat voor burgers en agenten kenbaar en toegankelijk is, met jurisprudentie en analyse daarvan voor de vakinhoudelijke ontwikkeling.

Bestrijding van politiediscriminatie staat of valt met een politieleiding die bij voortduring de gewenste cultuur uitdraagt en die tot in alle hoeken en gaten van het korps organiseert, op straffe van verlies van draagvlak en legitimiteit. Gemakkelijk is dat niet, noodzakelijk wel.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.