Plakkaat dat geen kwaad kan

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen.

Deze week: korstmossen staan weer in de belangstelling.

Korstmossen op Brug 382 over het Westelijk Marktkanaal in Amsterdam.
Korstmossen op Brug 382 over het Westelijk Marktkanaal in Amsterdam. Foto Karel Knip

Pas in 1867 werd voor het eerst het vermoeden uitgesproken dat in de vreemde groeisels die we ‘korstmossen’ of ‘lichenen’ noemen schimmels en algen in een wederzijdse afhankelijkheid samenleven. De Zwitserse botanicus Simon Schwendener had ze lang door zijn microscoop bestudeerd en was tot de slotsom gekomen dat het een soort meester-slaaf verhouding was.

De groene en blauwgroene algen die hij tussen de schimmeldraden van de korstmossen zag waren steeds beschouwd als een soort vruchtlichamen (gonidia) die door de schimmeldraden gevormd werden. Schwendener zag daarvoor geen reden. In een rede voor de Zwitserse natuurhistorische vereniging bracht hij zijn alternatieve interpretatie.

De vakgenoten reageerden met ongeloof en spot want dit soort ‘samenlevingen’ was nooit eerder beschreven en stond ook haaks op Darwins ‘Kampf ums Dasein’. Maar er waren er ook die zich lieten overtuigen. Belangrijke steun kwam van de proeven van de Duitser Max Reess (1871) en de Nederlander Melchior Treub (1872). Zij kweekten geïsoleerde algen en schimmelsporen samen op en zagen hoe de schimmels bij de algen binnendrongen. In 1877 bedacht Albert Frank het woord symbiotismus voor het waargenomen samenleven. Dat werd later symbiose, een term met een gebrekkige definitie.

Miniatuur-ecosystemen

150 jaar lang bleef dit beeld van korstmossen bestaan: het zijn samenlevingen van steeds één schimmel- en één algensoort in de vorm van mutualisme (wederzijds voordeel) of soms van mild parasitisme (waaraan de algen net niet te gronde gaan). Dit is onlangs bijgesteld. In 2016 maakte Toby Spribille in Science bekend dat hij veel Amerikaanse korstmossen had gevonden waarin algen niet samengroeiden met één, maar met twee schimmels, de tweede met een gist-achtig karakter. De associaties tussen schimmels en algen bleken aan veel minder strenge regels gebonden dan altijd was aangenomen en ook gisten en bacteriën kunnen aan het spel deelnemen. Vorig jaar is voorgesteld korstmossen voortaan te beschouwen als open miniatuur-ecosystemen.

Waarmee maar gezegd is, lezer, dat korstmossen volop in de belangstelling staan en dat het geen kwaad kan er af en toe eens naar te kijken. Daar zijn ze ook mooi en veelvormig genoeg voor. Je hebt ze als struiken rendiermos, als meer of minder ruwe, kleurige plakkaten op stenen, dakpannen en boomschors en als lange grijsgroene slierten die van takken naar beneden hangen. Die slierten, bij heer Bommel ‘bleke hippel’ genoemd maar door botanici met ‘baardmos’ aangeduid, zijn zeldzaam geworden. De korstmossen hebben een moeilijke periode achter de rug. Ze bleken erg gevoelig voor het soort luchtverontreiniging (ophoping van zwaveldioxide) dat gepaard gaat met ongebreideld steenkool stoken en vooral de soorten die op boomschors groeien, de epifyten waaronder het baardmos, hadden het zwaar te verduren. Inmiddels treedt langzaam herstel op, zoals blijkt uit de NDFF Verspreidingsatlas Korstmossen. Alleen rond de intensieve veehouderij blijft terugkeer van de oorspronkelijke vegetatie nog uit, ook doordat sommige korstmossen (zoals het ‘groot dooiermos’) juist extra goed gedijen op de verhoogde aanvoer van stikstof.

Vogelpoep kan voedingsstoffen leveren voor korstmossen. Foto Karel Knip

De vraag waarom korstmossen groeien waar ze groeien geldt ook op lokaal niveau. Het is moeilijk te begrijpen waarom sommige pannendaken volkomen vrij blijven van korstmossen en van andere altijd maar een klein deel begroeid raakt. Het zal met de aanvoer van voedingsstoffen uit vogelpoep en stuifmeel en misschien uit de dakpannen zelf te maken hebben. Verschillen in de vocht- en warmtehuishouding van het dak kunnen ook meespelen.

Gescheiden stroken

Op veel stenen muren komen de verschillende korstmossen al evenzeer ‘gesorteerd’ voor: niet losjes door elkaar maar in gescheiden stroken. Laatst kwam dat prachtig in beeld op de stenen balustrades van de Amsterdamse Beltbrug, maar toen de plek vorige week opnieuw bezocht werd bleken de muren radicaal gereinigd, misschien wel gezandstraald. Alles sauber gemacht! Het deed denken aan die vlijtig gemaaide vlinderberm bij Posterholt en de grondig schoongepoetste Vanishing Staircase in Utrecht. We delen deze planeet met mensen die mossen, korstmossen en algen in de eerste plaats smerig vinden. In klantvriendelijke tuincentra worden ze aan doeltreffende verdelgingsmiddelen geholpen.

Het goede nieuws is dat bouwkundigen en monumentenbeheerders hun afkeer van korstmossen beginnen kwijt te raken. De literatuur kent een overvloed aan artikelen waarin breed wordt uitgemeten hoezeer korstmossen oude monumenten aantasten en vervuilen, compleet met tips voor hun definitieve verwijdering. Maar in 2014 was daar opeens een opiniestuk van ‘conservation scientist’ Daniela Pinna uit Bologna die betoogde dat de aantasting door korstmossen maar zelden ernstig was en dat korstmossen heel vaak juist een beschermende invloed hebben. Ze houden zandsteenkorrels bij elkaar. Net zo genuanceerd is, bij nader inzien, een brochure van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed uit 2008 die vond dat de groei van korstmossen soms bevorderd kon worden om gerestaureerde muren er wat ouder te laten uitzien. Je smeerde ze in met yoghurt, karnemelk of bier en de rest ging vanzelf.