Recensie

Recensie Boeken

Het langzame uitsterven van de katholieke kerk in Nederland

Rooms-Katholieke kerk Anton Stolwijk volgde het laatste jaar van de parochiekerk uit zijn jeugd, de Sint Jozef in Alkmaar. Dat leverde een fijn portret van binnenuit op.
De Sint Jozef in Alkmaar.
De Sint Jozef in Alkmaar. Foto Michiel Verbeek/CC 3.0

‘Aan de eredienst onttrokken’. Het zijn vier woorden waarvan de laatste gelovigen vrezen ze op een kwade dag op een bordje aan de deur van hun kerk gespijkerd te zien. Vooral gebedshuizen van katholieke signatuur hangt zo’n toekomst boven het hoofd. Want als ergens de loop uit is, dan is het wel uit de katholieke kerk. Die kerkmijding kende al een vroeg begin in de jaren zeventig. Men ging niet meer voor God, maar alleen nog voor elkaar, totdat ook dat niet meer hoefde, en men helemaal niet meer ging.

Het is een bekende geschiedenis en een bekend fenomeen: secularisatie leidt tot lauw of tot geen geloof en dat op haar beurt heeft lege kerken tot gevolg, die in het beste geval kunnen worden omgebouwd tot Dance Studio zoals de Amsterdamse Chassékerk of tot woon- en zorgcentrum zoals de Sint Jan in Arnhem.

Religieus erfgoed moet, wil het van waarde zijn voor het ontkerkelijkte vaderland, herkenbaar zijn aan uiterlijke merktekens, net als de piramiden voor de Egyptenaren: aan pinakels, torens, bogen, klokken en – als het even kan – aan een menstype dat voor de geseculariseerde meerderheid van ons land aanvaardbaar is (en dat er niet op losslaat bij pottenkijkers). Het moet herinneringen oproepen aan de zondagen, aan de kerkgang aan de hand van je vader en moeder, aan het huis- tuin- en keukengeloof van een generatie die niet meer geloven kan, maar wier neus vertrouwd is met de geur van wierook en het nat van wijwater.

Maar wie vinden het echt erg dat de kerken met torenspitsen en neogotische gewelven verdwijnen? Schrijver Anton Stolwijk, zoon van een progressieve katholieke vader uit de jaren zeventig, stelde zich die vraag. Hij volgde het laatste jaar van de parochiekerk uit zijn jeugd, de Sint Jozef in Alkmaar, en schreef een verslag van binnenuit.

Rechtstreeks naar het crematorium

Daar gaan we weer, vreesde ik toen ik het boek opensloeg, met een verhaal over een uitstervend mensensoort dat al vaker is verteld, en waar ik van dacht dat mijn vader en moeder – gelovig gestorven in de vorige eeuw – zo ongeveer de laatsten waren. Met ditmaal in de hoofdrol: de allerlaatste restgelovigen op vaderlandse bodem.

Maar het moet meteen gezegd. Het is een fijnbesnaard en bescheiden requiem geworden, geheel passend bij de religieuze werkelijkheid die ten grave wordt gedragen. En met het vizier op mensen zoals ze misschien niet meer gemaakt worden, mensen met het hart op de juiste plaats en een scherp oog voor de gebreken van onze tijd.

Zo is er Hans, klusjesman van de kerk, dag en nacht oproepbaar. Hij beklaagt zich over de zoon van een medeparochiaan die het bestaat zijn vader, veertig jaar zanger in het koor en gelovige van de oude stempel, vanuit zijn doodsbed rechtstreeks naar het crematorium te rijden. ‘Een paar anekdotes en wat vakantiefoto’s op zo’n beamer – dat leek hem een waardig afscheid van zijn vader; alsof het belangrijk is waar je op vakantie bent geweest als je aan de hemelpoort staat, of dat je van worteltjes hield.’

En zo is er oud-pastoor Jan, woonachtig in een Vinex-wijk. ‘Kijk naar de tijdschriften in de supermarkt!’, roept hij, ‘ze gaan alleen nog maar over het antwoord in jezelf’ (‘de mensen zijn toeristen geworden in hun eigen leven’, vindt ook een parochiaan).

En dan is er Bea. Ze hebben laatst in de stad een kattencafé geopend, vertelt ze de schrijver. Kun je het geloven, vraagt ze hem: ‘Een café voor katten, en onze kerk moet dicht. Noem dat maar eens rationeel.’ Of neem Hanny, die al haar derde kerksluiting meemaakt, maar net als Bea als vrijwilligster welgemoed op pad blijft gaan om hoogbejaarde, knorrige, eenzame parochianen op te zoeken.

Rozenhoedje

Het boek geeft niet alleen dit soort portretten van de katholieken uit de jaren zeventig die bleven, maar schenkt ook pijnlijke beschrijvingen van de nieuwe jonge Zuid-Amerikaanse priesters die de parochie bedienen. Ze spreken geen woord Nederlands, en zijn als de dood dat ze het altaar moeten verruilen voor de straat. In hun extreme formalistische opvattingen zijn ze het tegendeel van de laatste gelovigen die hun vermenselijkte geloof ten onder zien gaan aan de rigiditeit van de buitenlandse missiepaters (‘die Argentijn is een onbenul’, zegt meneer Bakker, bij wie de auteur op huisbezoek gaat met Bea).

En natuurlijk ontleent het boek zijn betekenis aan de speurtocht van de auteur naar zijn overleden vader, zijn leven lang werkzaam bij het bisdom Haarlem. De zoon hoopt uit zijn papieren op te kunnen maken waarom het geloof zo belangrijk was voor de vooruitstrevende gelovigen die de kerk probeerden te behoeden voor de leegloop. Hij vindt alleen rapporten en kritische notities, maar geen enkele persoonlijk religieuze ontboezeming (katholieken van zijn vaders generatie wisten niet hoe dat moest. Ze spraken via het rozenhoedje en geloofden door naar de hemelachtige gewelven in hun kerk te staren).

Een religie die een landschap achterlaat van verlaten godshuizen. De gelovigen die de schrijver erover spreekt op de laatste bijeenkomst van de Sint Jozef halen er wat laconiek hun schouders over op. ‘De mensen die nooit naar de kerk gaan, roepen het hardst als er eentje dichtgaat’, zegt Hanny. Vanzelfsprekend vindt ze het erg, maar ze maakt er geen drukte om (er zijn ergere dingen in de wereld, zegt ze). Wij zouden ermee moeten zitten dat, als straks de laatste kerk sluit, mensen als Hanny, Hans en Bea uit onze samenleving verdwenen zijn.