Opinie

Kalm aan met rechterlijke toets aan de Grondwet

Staatsrecht De rechter moet wetten aan de Grondwet kunnen toetsen. Dat heeft de Tweede Kamer begin deze maand aan het kabinet gevraagd. Pas daarmee op, zegt
Artikel 1 van de Grondwet.
Artikel 1 van de Grondwet. Foto: Sijmen Hendriks / Hollandse Hoogte

Het afgelopen jaar leidden onder meer de Toeslagenaffaire en diverse wetten rondom coronamaatregelen tot een scherp debat over het gebrekkige dualisme in ons politieke bestel. Met name de Tweede Kamer zou zich weinig kritisch opstellen ten opzichte van het kabinet bij het maken van wetgeving. Hierdoor is ook het debat over de wenselijkheid van een toetsingsverbod weer aangewakkerd. Wie moet er gaan over onze grondrechten? De hamvraag is: in wie hebben we meer vertrouwen? Is dat de democratisch gekozen medewetgever, of in de onafhankelijke rechter?

De wetgever kampt met een vertrouwensprobleem, zoals is blootgelegd door de Toeslagenaffaire. Zeker bij een dichtgetimmerd regeerakkoord en een strenge fractiediscipline rijst de vraag in hoeverre de Tweede Kamer een serieuze toetsing aan de Grondwet uitvoert.

Toetsingsverbod

Bij rechterlijke toetsing zijn we verzekerd van een consistente, minder politiek beladen lijn ten aanzien van grondrechtelijke toetsing maar staat de toetsing verder weg van de politieke stem van de burger.

Laten we vooral een breed debat voeren rondom dit juridisch complexe en onderbelichte thema. Het raakt namelijk de manier waarop we onze vrijheid waarborgen.

Op dit moment is het de rechter verboden wetten te toetsen aan de Grondwet. Vandaar het begrip ‘toetsingsverbod’. Deze taak is voorbehouden aan onze hoogste wetgever, de Tweede Kamer, die daar niet erg veel werk van lijkt te maken.

Met een weinig kritisch parlement lopen we daarmee het risico dat belangrijke wetten niet zorgvuldig worden getoetst aan fundamentele grondrechten. Om die reden diende op 29 april een gevarieerde groep Kamerleden onder aanvoering van Anne Kuik (CDA) en geïnspireerd door fractiegenoot Pieter Omtzigt een motie in, die werd aangenomen, waarin de regering verzocht wordt om het zogeheten toetsingsverbod te schrappen. Dit zou kunnen leiden tot een systeem waarin de rechter wetten kan toetsen op de grondwettelijkheid. Dit is bepaald geen nieuw idee. In Nederland bestaat er sinds de grondwetswijzigingen in de jaren vijftig een continu debat over de wenselijkheid van het toetsingsverbod.

Lees ook: De Grondwet: te belangrijk om aan rechter over te laten

Laten we ons echter niet blindstaren op alleen het toetsingsverbod, maar – als we toch bezig zijn – een stap terug zetten en naar het volledige grondwettelijke bestel kijken. Er is namelijk nog een andere constructie in de Grondwet die het mogelijk maakt dat wetten getoetst worden aan grondrechten: de beruchte artikelen 93 en 94 van onze Grondwet.

Hierin staat grof vertaald dat de rechter wetten wél mag toetsen aan internationale verdragen. Hierin staan ook grondrechten, zoals in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het enige probleem hierbij is dat het tot op de dag van vandaag onduidelijk is wie bepaalt wanneer zo’n internationale bepaling geschikt is voor rechterlijke toetsing.

Op papier is dat de rechter. Maar wanneer we goed kijken naar rechtspraak rondom mensenrechten blijkt de wetgever een sterk bepalende vinger in de pap te hebben, en desgewenst voorbehouden te maken bij internationale verdragen, of deze zelfs in te trekken wanneer rechters al te kritisch worden.

Rommelig debat

Wanneer je gaat sleutelen aan de verhoudingen binnen de trias politica kunnen de gevolgen verstrekkend zijn, daarom is het belangrijk dat op basis van een eenduidige visie te doen. De constructie in de Grondwet waarin geregeld is hoe internationale wetten doorwerken in de Nederlandse rechtsorde is het gevolg van een rommelig debat begin jaren 50.

Het is gebaseerd op een haastig ingediend amendement waar inhoudelijk nauwelijks over doorgepraat is. Het was politiek gezien net dat beetje compromis wat nodig was om de grondwetswijziging er doorheen te krijgen. Staatsrechtelijk gezien heeft het geleid tot een vaag gedrocht in onze Grondwet.

Wanneer we dus echt het politieke dualisme tussen Tweede Kamer en kabinet willen vormgeven, is het verstandig te leren van het verleden. Laten we dus geen gehaaste grondwetswijzigingen doorvoeren die worden ingegeven door politiek beladen actualiteiten. En laten we bij een mogelijke grondwetsherziening het politieke compromis niet belangrijker maken dan staatsrechtelijke degelijkheid. Het is precies dat laatste wat we momenteel nodig hebben.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.