Opinie

De kolonisator en de gekoloniseerde

Michel Krielaars

Groot was mijn frustratie toen de koning afgelopen week in het Rijksmuseum de slavernij-tentoonstelling opende, die voor gewone stervelingen zoals ik door de kortzichtigheid van het kabinet voorlopig niet te bezoeken is. Ik ben namelijk nieuwsgierig of er ook aandacht is voor romans of verhalen over het koloniale leven in de Oost. Ter voorbereiding herlas ik daarom een paar van zulke werken en constateerde ik opnieuw hoe overtuigend sommigen die koloniale wereld hebben verbeeld. Zo bladerde ik door de geweldige brieven van Willem Walraven (1887-1943) om te genieten van zijn kritiek op ‘Europees Indië’ en zijn inzicht in de meest uiteenlopende Indische verschijnselen en sociale verhoudingen. Ook was ik weer onder de indruk van het in 1984 verschenen verzameld werk van H.J. Friedericy (1900-1962). Als één Nederlandse schrijver zich in de Indonesische bevolking heeft verdiept, dan is het deze indoloog, die op 21-jarige leeftijd als bestuursambtenaar in Nederlands-Indië begon.

Friedericy schreef zijn verhalen door de ogen van de Indonesiërs. Tegenwoordig heet dat cultural appropriation, maar in zijn geval kun je er weinig bezwaar tegen hebben, omdat hij zijn personages met zoveel inzicht, kennis en respect neerzet dat je bijna zou vergeten met een in Brabant opgegroeide jongen uit Stadskanaal te maken te hebben.

Ook zijn brieven zijn de moeite waard. Ze geven een vermakelijk en soms kritisch beeld van het koloniale leven. Ineens besefte ik dat een bestuursgemeenschap vaak uit niet meer dan 40 mensen bestond, die elkaar voortdurend opzochten.

In zijn inleiding bij het verzameld werk roemt Rob Nieuwenhuys Friedericy’s grote nieuwsgierigheid en aandacht voor mensen en situaties. Het zijn de bouwstenen van zijn verhalen, die je hem bijna hoort vertellen als je ze leest. Als verteller leerden zijn medegevangenen hem tijdens de oorlog in een Japans interneringskamp dan ook kennen. Of het nu over Indië ging of over een lekkend orgel op een Brabantse kermis, altijd wist hij zijn toehoorders te boeien. In dat Japanse kamp begon hij ook met schrijven.

Friedericy is inmiddels vergeten. Maar zijn werk zou heruitgegeven moeten worden. Al was het maar omdat een jonge generatie het verleden dan beter zou kunnen begrijpen.

Ook herlas ik F. Springers Bandoeng-Bandung (1993). Door de huidige discussie over goed en fout in de koloniale geschiedenis maakte die novelle nog meer indruk dan indertijd. Het verhaal is dat van de afgeserveerde politicus Chris Regensberg, die als goedmakertje op handelsmissie naar Indonesië gaat. Daar ontmoet hij een Indonesiër, Otje Blanchet, bij wie hij als kind in Nederlands-Indië in de klas zat. Ze halen herinneringen op, waarbij het tempo doeloe van Regensberg het tegenovergestelde is van de armoede waarin zijn vriend opgroeide. Vandaar dat Bandoeng en Bandung.

Geleidelijk beseft Regensberg dat Otje hem in 1945 het leven heeft gered, wat hij helemaal is vergeten. Toen hij door een oom werd meegenomen naar Batavia, had hij Otje in tranen gezworen dat hij hem zou komen halen. Op dat moment beseft Regensberg zijn verraad en denkt: ‘Welpenbelofte, ik zweer, ik zweer, maar van mij kreeg je niets. Geen brief uit Batavia, niets. Vergeten, weggestopt, ik heb nooit meer aan je gedacht.’ Beter kun je de verschillen tussen kolonisator en gekoloniseerde niet onder woorden brengen.