Recensie

Recensie Boeken

De Joodse tycoons van Shanghai

Koloniale geschiedenis Twee Joodse families uit Bagdad bouwden halverwege de 19de eeuw Shanghai op, werden schatrijk en redden tijdens de Tweede Wereldoorlog 18.000 Europees-Joodse vluchtelingen.
De Bund in Shanghai in 1936.
De Bund in Shanghai in 1936. Foto: Everett Collection Historical / Alamy Stock Photo

Soms vertelt een enkele afbeelding het halve verhaal. Zo staat op een van de eerste bladzijden van Jonathan Kaufmans Koningen van Shanghai een foto van de Bund, een drukke promenade in Shanghai in de jaren dertig van de twintigste eeuw. Uit alles blijkt dat die stad kon wedijveren met Parijs, Londen of New York, zo bruisend gaat het er aan toe.

Shanghai was toen een internationaal centrum voor de beau monde. In het Internationale Vestigingsgebied, het door de Britten beheerste deel van de stad, kon je uitgaan als nergens anders. In het sjieke Cathay Hotel logeerden Charles Chaplin, Paulette Goddard en Noël Coward. Bovendien had de stad dankzij een valuta-stabilisering niet te lijden onder de Grote Depressie. Je zou bijna vergeten dat Shanghai in een door burgeroorlog en Japanse invasies verscheurd land lag.

In 1842, na afloop van zijn nederlaag in de Eerste Opiumoorlog tegen de Britten, had de Chinese keizer niet alleen het eiland Hongkong aan Groot-Brittannië moeten afstaan, maar ook vijf steden, waaronder Shanghai, moeten openstellen voor handel met het Westen. Buitenlandse kooplieden betaalden er geen belasting. Hun juridische disputen werden door Britse rechters en volgens de Britse wet behandeld.

Kaufman, voormalig China-correspondent voor onder meer The Wall Street Journal, laat in zijn boek overtuigend zien dat de bloei van Shanghai vooral te danken is aan twee Joodse families uit Bagdad, de Sassoons en de Kadoories. Hij begint zijn boek met David Sassoon (1792-1864), die in 1829 uit Bagdad vlucht, nadat hij is gegijzeld door de lokale Turkse heersers die zijn rijke vader willen afpersen. Hij vestigt zich in Bombay, dat deel uitmaakt van het Britse koloniale rijk. In korte tijd bouwt hij daar een zakenimperium op, geholpen door een loyaal korps van, vooral Joodse, medewerkers die uit alle delen van het Ottomaanse rijk naar Bombay zijn gekomen en die hij in zijn eigen ‘Sassoon-scholen’ opleidt. In 1859, dertig jaar na zijn vlucht uit Bagdad, beschikt zijn familie over een vermogen van, omgerekend naar huidige bedragen, 600 miljoen dollar.

Wereldfamilie

Een zakenimperium vereist een wereldfamilie. Daarom stuurt David in 1849 zijn een na oudste zoon Elias naar China, waar hij zich op de opiumhandel stort, die lange tijd illegaal en daardoor extra lucratief is. De drug wordt in India geproduceerd en tegen forse winst verkocht. Telkens als de Chinese keizer de opiumhandel probeert te beperken, omdat onderhand een op de tien Chinezen eraan verslaafd is, stuit dat op verzet van de Britten en dus van de Sassoons, die anglofielen en hoeders van het koloniale systeem zijn.

Inmiddels hebben enkele jongere broers van Elias zich in Londen gevestigd, waar ze invloed in het parlement en Buckingham Palace verwerven. Door de flierefluitende en spilzieke kroonprins Albert, de latere koning Edward VII, te paaien, weten ze lange tijd te voorkomen dat de opiumhandel verboden wordt en kunnen ze hun grootste concurrent ver achter zich laten. Als dat verbod er in 1891 alsnog komt, steken de Sassoons hun geld in fabrieken en onroerend goed, wat hun fortuin nog groter zal maken.

Kaufman laat goed zien hoe dat succes binnen het Britse establishment behalve tot bewondering ook tot antisemitisme leidt. Ondanks hun rijkdom maakt dat de Sassoons tot eeuwige buitenstaanders, ook al worden ze in de adelstand verheven en doen ze veel aan liefdadigheid. Maar juist dat buitenstaanderschap dwingt hen tot creatieve keuzes in innovatieve takken van handel en industrie.

Sommige leden van de Sassoon-familie, onder wie een aantal vrouwen, springen eruit in Koningen van Shanghai. Een van hen is Rachel Sassoon, de dochter van Davids zoon S.D.. Zij weigert om, zoals de familietraditie eist, met een zoon uit een Joodse familie uit Bagdad te trouwen en kiest voor Frederick Beer, een tot het christendom bekeerde, rijke Duits-Joodse zakenman die onder meer eigenaar is van de Britse krant The Observer. Ze werkt er als journaliste, maar wordt weggepest door haar mannelijke collega’s. Beer koopt daarop The Sunday Times voor haar en benoemt haar tot hoofdredacteur. Ze ontpopt zich als feministe en ijvert voor hogere belastingen voor de rijken en verbeterde arbeidsomstandigheden. Vanwege haar omstreden huwelijk hebben haar familieleden met haar gebroken. Maar als Beer in 1903 overlijdt en zij depressief wordt, laten ze haar krankzinnig verklaren om zo haar erfenis te bemachtigen.

Kreupele playboy

Via de kreupele playboy Victor Sassoon (1881-1961), die de stad in de jaren dertig in een metropool verandert door sjieke hotels en luxe appartementencomplexen te bouwen maar door de overwinning van de communisten van Mao Zedong in 1949 een groot deel van zijn fortuin zal verliezen, belandt Kaufman bij de familie Kadoorie. Vader Elly Kadoorie verruilt in 1876, als vijftienjarige halfwees, Bagdad voor Bombay, waar hij voor de Sassoons gaat werken. Hij voltooit er de Sassoon-school en belandt op het kantoor in Shanghai. Maar hij krijgt ruzie met zijn meerderen en neemt ontslag.

Hij begint nu een effectenkantoor, investeert in een nieuwe Hongkongse elektriciteitsmaatschappij en profiteert van de rubbercrisis, die hem rond 1910 miljonair maakt. Binnen de kortst mogelijke keren is hij rijker dan de Sassoons. Zijn activiteiten in Shanghai zijn van zo’n groot belang dat de Britse koning hem in 1916 het Britse staatsburgerschap geeft en hem in de adelstand verheft. Hierdoor mag hij zitting nemen in Britse ondernemingsbesturen en neemt zijn invloed alleen maar toe. Zijn zoons Lawrence en Horace worden door hun vader uit Londen naar Shanghai geroepen om hem in zijn zakenimperium bij te staan.

Opnieuw vertelt Kaufman een relaas van buitenstaanders die over de oude elite triomferen. Maar er is een verschil met de Sassoons. Want waar zij als conservatieve kolonialen amper met de Chinezen omgaan en niets met hun Joodse achtergrond op hebben, is Elly Kadoorie een fanatieke zionist, die uitziet naar een Joodse staat in het Britse Mandaatgebied Palestina en bevriend is met de Chinese nationalistische leider Sun Yat-sen.

Japan

Kaufman laat zien hoe beide families van elkaar verschillen en elkaar voortdurend beconcurreren. En hoewel hij soms in herhaling vervalt als het om de historische context gaat, leest zijn boek op een gegeven moment als het verslag van een pokerwedstrijd tussen twee tycoons, waarbij Victor Sassoon steeds meer inzet op Shanghai en Elly Kadoorie op de veilige Britse kroonkolonie Hongkong.

Beide mannen gaan zelden met elkaar om, maar bundelen hun creatieve geesten als Elly Victor overhaalt om de 18.000 Joodse vluchtelingen uit Europa te helpen, die halverwege de jaren dertig naar China komen met het plan om van daaruit naar Palestina te reizen. Hun samenwerking levert een van de interessantste hoofdstukken in Kaufmans boek op en vult een hiaat in de geschiedschrijving over die gebeurtenis op. Ineens zijn de twee magnaten geen Britten meer, maar Joden uit Bagdad, die het voor hun onfortuinlijke mede-Joden opnemen en vanaf 1941 zelfs de Japanse bezetter bij hun reddingsplan weten te betrekken.

Als Elly en Victor zich na de oorlog weer als klassieke kolonialen manifesteren, leggen ze het af tegen de nieuwe communistische heersers. Dan pas blijkt hoe blind ze zich hebben gehouden voor het lot van de gewone Chinezen, die ze altijd hebben uitgebuit. En precies dat is de andere helft van het verhaal, die niet op de foto van de Bund in Shanghai staat.