Recensie

Recensie Boeken

Het hangbuikzwijn met een milde depressie

Kinderboek Door haar slimme gebruik van kleur, contrast en lijnvoering bevatten de tekeningen in Yvonne Jagtenbergs nieuwe boek veel verrassingen. De simpele en intuïtieve zinnen zijn rijker dan ze lijken.

Moet je altijd blij zijn? In Kop op, Herman! worstelt het eigengereide hangbuikzwijn Herman met een milde depressie. Het is het tweede prentenboek van Yvonne Jagtenberg over Herman, waarin ze met een subtiele filosofische insteek gevoelens aankaart.

Vorig jaar ontving Jagtenberg het Gouden Penseel voor haar prentenboek Hup, Herman!, een ontroerend verhaal waarin haar zwijn een wedstrijdje rennen aangaat met een stel kippen. Uiteindelijk onderbreekt hij dat wedstrijdje om lekker in de modder te wroeten. De vondsten in taal en beeld spatten van de bladzijden, terwijl de belangrijke en ook wel eigenzinnige vraag gesteld wordt: is winnen wel belangrijk, of mag je ook wat aanmodderen als dat meer in je aard ligt?

Ook Kop op, Herman! heeft een originele invalshoek. Het zwijn voelt zich niet zo fijn en hij weet eigenlijk niet hoe dat komt. ‘Was er iets met het eten? Nee, dat was het niet. Was er iets met zijn bad? Nee, zijn bad was precies zoals Herman zijn bad graag had.’ Wat wil het geval: er is niks aan de hand, het is gewoon zijn dag niet, er zit hem een traantje dwars.

Hysterische kippen

Doordat dit het tweede Hermanverhaal is, is de verrassing kleiner. Je kent de kippen die met te veel tegelijk te veel drukte maken. Je kent het goeiige hangbuikzwijn, en zijn trouwhartige benadering van de wereld. Je hebt de neiging te denken: meer van hetzelfde. Maar die vertrouwdheid biedt hier een groot voordeel. De focus ligt daardoor meer op de onderliggende vragen over gevoelens: mag je soms ook gewoon een beetje sip zijn? Samen bieden de twee boeken bovendien overkoepelende vragen aan. Wat is je plek in de wereld en in hoeverre moet je voldoen aan de rol die anderen voor jou bedacht hebben?

Het zijn ongewone vragen aan vier- à vijfjarigen, die Jagtenberg heel knap oproept in zowel taal als beeld. Het zoekende individu Herman is in haar prenten zwaarlijvig en volledig zwart ingekleurd. Hij steekt daardoor eenzaam en kwetsbaar af tegen de massa hysterische kippen die juist alleen in losse lijnen zijn neergezet. Je ziet dat Herman anders is, maar hij hoort er toch bij. (Moet je hetzelfde zijn om bij elkaar te horen?) Jagtenberg maakt slim gebruik van kleur, contrast en lijnvoering in de prenten, die bij nadere beschouwing vele ontdekkingen in zich dragen. Twee kippen doen aan sport. Als Herman getroost moet worden krijgt hij van een zorgzaam kipje een kusje.

Net als de waterverftekeningen lijken de zinnen simpel en intuïtief opgezet, maar zijn dat allerminst. Jagtenberg werkt in haar taal met rijm en assonantie en heeft een minutieus opgebouwd ritme in haar zinnen aangebracht: ‘Herman at en nam een bad. Zoals hij elke dag badderde en at. Alleen vandaag voelde het anders. Maar Herman had geen idee waarom.’

In dit tweede verhaal staan wel beduidend minder taalgrapjes dan in Hup, Herman!. Het haantje is niet meer de voorste en geen van de twintig kippen profileert zich nog door te roepen dat hij ‘de eerste de beste’ is. Gelukkig blijft er genoeg over om van te genieten in dit eigenwijze verhaal over een huilbui die eruit moet.