Vanaf linksboven met de klok mee: Alma Mathijsen, Ramsey Nasr, Babs Gons, Thomas Heerma van Voss, Lale Gül en Lieke Marsman.

Foto's Merlijn Doomernik, Frank Ruiter, Martijn Gijsbertsen, Olivier Middendorp

Analyse

‘Schrijven is een activistische daad’

Schrijven en activisme Beeldende kunst en activisme gaan beter samen dan literatuur en activisme. Waarom is dat? Een zoektocht in vier punten.

‘De dag zal komen / Dat die stille bomen / ’t Volk zich zien verheffen, / Als het gaat beseffen, / Wat die jongens streden / Voor een vrije wereld, hand in hand’. Zo luiden de slotregels van het gedicht ‘Onrust’ dat de nu ons onbekende dichter Tom de Wit in 1933 schreef in het maandblad Links richten. Het blad werd gemaakt door een ‘Arbeiders-schrijverscollectief’, dat vanaf 1930 een tegenwicht moest zijn voor het kapitalisme en zijn uitwassen. Jacques Gans, Anton de Kom, Jef Last en anderen stelden hun schrijven in dienst van de ‘kollektiviteit’. Het tijdschrift hield na drie jaar op, want toen viel de boel uit elkaar, zoals dat wel vaker gebeurt met kunstenaarscollectieven.

In de literatuur zijn er meer collectieven geweest, vaak met elkaar verbonden in een tijdschrift, maar tot echt gezamenlijke kunstwerken omwille van het statement kwam het zelden. Wie naar de beeldende kunst kijkt, ziet dat het daar anders is: veel vaker worden kunstwerken gezien als ‘project’ van een groep. Ook is activisme in de beeldende kunst niet een term waar negatieve connotaties aan kleven. Typerend genoeg staan op de shortlist van de Turner Prize 2021 – een van de bekendste kunstprijzen – alleen maar kunstenaarscollectieven.

Waarom zijn er zo weinig schrijverscollectieven? Zou het schrijven van een roman iets wezenlijks anders zijn dan het maken van een schilderij? Komt het doordat beeldend kunstenaars kunnen terugvallen op een meer universele beeldtaal? Of komt het doordat we schrijvers meer op een voetstuk plaatsen? Het orakel dat de toekomst voorspelde, kende de kracht van taal, net als de schrijver. Had het eerste orakel met een stokje een figuurtje in de grond getekend, dan was de beeldend kunstenaar van oudsher degene geweest die alles had moeten duiden. Nu past de beeldend kunstenaar in de traditie van iemand die gemeenschappelijke kennis optekende in de grot.

1. Activisme of engagement?

Bram Ieven, redacteur van de bundel Art and Activism, ziet weinig activisme bij schrijvers. „Ik zie bij de schrijvers nu meer een focus op verhaaltechnisch vernuftige verhalen, op een persoonlijke manier die je ook al eerder in Amerikaanse essays zag. Er is wel bekommernis om de wereld natuurlijk – zelfs een feilloos markeren van de politieke en ecologische impasse waarin we ons bevinden – maar activisme? Nee.”

Alma Mathijsen, van wie dit najaar de memoir Bewaar de zomer uitkwam, is het daar niet mee eens: „Elk boek is een activistische daad”, vindt ze. „Iets dat in het hoofd van de schrijver leeft, is te lang alleen geweest, en is een schreeuw om gehoord te worden. Of dat nu gaat om een verhaal over iemand die zijn eigen lichaam mee moet zeulen in een verzonnen wereld of om een vilein boek over opgroeien in een mannenwereld. Schrijven is laten zien hoe de wereld in elkaar steekt. Nadenken over waarom dingen zo gaan als ze gaan. De politiek zingt als vanzelf door in romans. Als het te direct gebeurt voel je dat, maar het is altijd volop aanwezig.”

Lees ook: ‘We moeten het ongemak met elkaar opzoeken’

Het hangt er dan ook maar vanaf wat je onder activisme verstaat, stelt Yra van Dijk, hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Leiden. „Is een romanschrijver pas activistisch als die de straat op gaat? Mijn neiging is om te wijzen op een misschien meer verborgen ‘activisme’.” En ze wijst onder meer op het eco-kritische bij bijvoorbeeld Lieke Marsman of Eva Meijer.

Nina Polak, in 2018 winnaar van de BNG Bank Literatuurprijs voor aanstormend literair talent, sluit zich daarbij aan: „Wat ik de afgelopen jaren las van generatiegenoten, was niet zelden behoorlijk geëngageerd. Romanschrijvers zijn misschien niet direct activistisch, maar ik geloof ook niet dat ik dat zou verlangen van literatuur, al zou ik het interessant vinden om te zien hoe je zoiets goed doet, zonder drammerig of slaapverwekkend te worden.”

Wie uitgaat van engagement in plaats van activisme, komt inderdaad uit bij topics als klimaatverandering (recentelijk nog: Kraaien in het Paradijs van Ellen de Bruin, Adriaan van Dis’ KliFi of Lieke Marsmans Het tegenovergestelde van een mens) of (institutioneel) racisme dat terugkeert in verzamelbundels als Zwart, De goede immigrant en Afrolit waarin veel autobiografische beschouwingen gaan over wat het betekent om als schrijver van kleur in Nederland een plek te vinden.

Schrijven is laten zien hoe de wereld in elkaar steekt. Nadenken over waarom dingen zo gaan als ze gaan. De politiek zingt als vanzelf door in romans.

Alma Mathijsen, schrijver

De onlangs gedebuteerde Vincent Merjenberg noemt „het schrijven van een roman een heel individuele bezigheid.” Hij realiseert zich dat vanuit zijn geprivilegieerde positie als „witte man” engagement al snel betekent: je verplaatsen in een ander. „Engagement staat dan tegenover het autobiografische, met uitzondering misschien van de eigen schuldgevoelens. Er is een groot verschil tussen betrokkenheid tonen en betrokken zijn.”

Dichter en romanschrijver Maarten van der Graaff valt het op dat „cultuurbeschouwers, critici en schrijvers zich vaak eendimensionaal over politiek en literatuur uitlaten. Het woord engagement duikt dan steeds weer op, alsof je ‘schrijvers’ hebt en ‘geëngageerde schrijvers’, waarbij die eerste positie dan niet geproblematiseerd wordt, maar zogenaamd gewoon nog samenvalt met het idee van de schrijver als autonoom kunstenaar of de privépersoon die zijn obsessies boekstaaft of een variant daarvan. Dit gaat voorbij aan het feit dat literatuur niet los te denken is van politiek – hoe apolitiek ze zichzelf ook presenteert – niet van klasse, ras, gender, niet van de relatie tot kapitaal, en hoe die verschijnselen de wereld ordenen.”

2. Dichters en romanciers

Poëzie, en dan vooral spoken word, is op het eerste gezicht zichtbaarder als het gaat om zowel activisme als engagement, zeker sinds Amanda Gorman de inauguratie van president Joe Biden mocht optuigen met woorden over identiteit en erkenning. In Nederland zijn festivals en organisaties, zoals Woorden worden zinnen, waarin politieke poëzie ruimte krijgt. Zowel Nina Polak als Mariska Kleinhoonte van Os, redacteur Nederlandse fictie bij uitgeverij Atlas Contact, denken dat je voor activisme in de literatuur op het eerste gezicht meer bent aangewezen op poëzie. Polak: „De eerste expliciet politiek geëngageerde jonge Nederlandse prozaschrijvers die bij me opkomen zijn ook dichter: Lieke Marsman, Marjolijn van Heemstra, Ramsey Nasr. Maar dit is een oppervlakkige observatie, omdat de prozawereld diffuser is.”

Tijdens demonstraties werken mensen ook met poëtische middelen, met literaire technieken

Maarten van der Graaff, dichter en schrijver

Keinhoonte van Os noemt de dichters Babs Gons en Levina van Winden die bij uitstek activistisch zijn in hun poëzie. Ze is activisme in romanvorm nog niet echt tegengekomen. Prozaschrijvers uiten zich op politiek vlak volgens haar meer op sociale media en in columns dan in romans. „Het verklaart wellicht de toenemende interesse voor essays, waarin het gaat om een persoonlijke zoektocht, maar waarvan ook een deel gericht is op activisme.”

Thomas Heerma van Voss, van wie vorig jaar de roman Condities uitkwam, ziet uitgesprokenheid van dichters ook meer in columns en op sociale media. „Grenzen vervagen ook: kijk maar naar Marsman of Hanna van Binsbergen: zijn ze dichter of prozaïst?”

Wat Maarten van der Graaff betreft, moet je het breder trekken: „Activisme is een vorm van politiek handelen, je kunt gedichten schrijven én demonsteren, wil ik maar zeggen. Het een hoeft het ander niet te vervangen. En dan is er ook nog het argument dat het literaire of poëtische zich niet beperkt tot ‘de literatuur’. Tijdens demonstraties werken mensen ook met poëtische middelen, met literaire technieken. De zin ‘Zwarte Piet is racisme’ heeft veel in beweging gezet. Mensen, onder wie dichters en kunstenaars, hebben zich ingezet om zo’n zin te bedenken en ernaar te handelen. Dat vervang je niet met een roman. Dat zou in z’n geheel een verschraald denken zijn.”

3. Collectief

Waar bij beeldend kunstenaars activisme duidelijk aanwezig is, vaak ook in groepsverband, is dit bij schrijvers niet of nauwelijks het geval. Van Dijk wijst op emancipatoire collectieven als Fixdit en Rose Stories die streven naar meer diversiteit, en op het in 2018 door Neske Beks opgerichte Alphabet Street, een gilde van zwarte schrijvers.

Volgens Bram Ieven gaan instituten in de beeldende kunst juist uit van het collectief: „Je hebt enerzijds kunstinstituten als BAK en CASCO, die een leidende rol hebben gespeeld in het bieden van een institutioneel platform voor activistische kunst. Een andere reden is dat beeldende kunst niet zozeer door taal- en landgrenzen wordt ingeperkt, waardoor je je makkelijker kan aansluiten bij de mondiale tendens naar activistische kunst. Schrijvers daarentegen werken vaker alleen en vinden minder makkelijk aansluiting op een internationaal literair circuit. Voor dichters is dit overigens iets makkelijker.”

Thomas Heerma van Voss vermoedt ook dat dit komt doordat bij subsidieaanvragen voor beeldende kunst vaak al veel meer wordt ingegaan op de maatschappelijke impact van een werk vergeleken met schrijverssubsidies. Ook ziet hij een veranderde positie van literaire tijdschriften waardoor een collectief gevoel steeds meer verdwijnt: „Door het wegvallen van de ideologie van tijdschriften is er ook een gemeenschappelijk gevoel verdwenen, auteurs horen niet meer echt bij een blad. Een tijdschrift heeft nu ook niet meer honderden lezers zoals tijdschriften vroeger, dus dan verdwijnt het gebaar dat je kan maken.”

Door het wegvallen van de ideologie van tijdschriften is er ook een gemeenschappelijk gevoel verdwenen, auteurs horen niet meer echt bij een blad

Thomas Heerma van Voss, schrijver

Jos Joosten, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen, ziet in het gebrek aan tijdschriften een belangrijke reden: „Ik denk dat het platform voor collectief activisme vroeger het literaire tijdschrift was en dit is als zodanig – zeker in de klassieke vorm – zo goed als verdwenen. Daarnaast zie je dat schrijversbewegingen nooit echt van lange duur waren, een kort moment effect hadden, en uit elkaar vielen. Met achteraf veelal al dan niet gemeende relativeringen van de samenhang binnen de club vernieuwers. Ik zou de bewering wel aandurven dat, achteraf bekeken, hoe minder succesvol de verdere carrière van een dichter of schrijver is, hoe meer belang hij of zij aan de beweging toeschrijft.”

Mathijsen droomt soms wel van een schrijverscollectief, maar ziet er toch weer vanaf: „Ik hou ervan om veel alleen te zijn. Dan is schrijven een goede keuze. Soms, als het schrijven niet wil vlotten, fantaseer ik wel eens over een collectief. Maar daar kom ik meestal snel van terug, als ik me realiseer dat ik dan ook moet vergaderen.”

Dit is ook de reden waarom collectieven altijd al talrijker zijn geweest in de beeldende kunst, stelt Polak. „Groepsvorming heb je natuurlijk wel onder schrijvers, maar het individu en diens individueelste expressie et cetera zijn nog altijd behoorlijk leidend in de literatuur. Ik denk dat literatuur juist veel impact kan hebben doordat het een individueel perspectief biedt. Bij Lale Gül, bijvoorbeeld, zie je hoeveel maatschappelijke impact het vrouwelijk perspectief in sommige contexten nog steeds kan hebben. Dat het een uniek, diep persoonlijk perspectief is, maakt het volgens mij op een bepaalde manier krachtiger dan iets collectiefs.”

4. De lezer versus de kijker

Het probleem van een schrijverscollectief is, zo vermoedt Maarten van der Graaff, dat het individualisme dat het romantisch schrijverschap aankleeft invloed heeft op hoe literatuur wordt gezien, en hoe schrijvers geacht worden te werk te gaan. „Romantische noties die aan dichterschap kleven, krijgen nog steeds ruimte binnen de manier waarop we met poëzie en literatuur omgaan – het idee van het genie, de outsider, de ziener – terwijl die ideeën binnen de kunstwereld grotendeels af hebben gedaan.”

Het is goed dat de schrijver die voorheen als orakel werd benaderd minder gezaghebbend wordt, denkt Thomas Heerma van Voss. Terwijl de iets oudere schrijversgeneratie nu nog stelliger van toon is, is er bij een jongere generatie meer sprake van bevragen. „De schrijver die het woord neemt en even zijn licht op een onderwerp laat schijnen, die verdwijnt. Doordat die autoriteit verdwijnt, is meer ruimte voor openheid.”