Array Collective uit Belfast, genomineerd voor de Turner Prize, tijdens Belfast Pride, 2019.

Foto Laura O'Connor

Samen sterk. De kracht van het collectief

Kunstenaarscollectieven Steeds meer kunstenaars kiezen ervoor om samen te werken. Wat betekent de opkomst van het collectief voor de kunstmarkt? En wat kan de rest van de wereld van hen leren?

‘Het moeten wel aardige mensen zijn.” Reza Afisina, een van de curatoren van het Indonesische collectief Ruangrupa, meende het oprecht, toen ik hem in 2016 vroeg naar de criteria waarmee hij de kunstenaars voor de Arnhemse tentoonstelling Sonsbeek had geselecteerd. „Onze manier van werken bestaat uit nieuwe vrienden maken”, zei hij ook. „Ons engagement is altijd persoonlijk. Natuurlijk, het gaat om de kunst, maar ook om de relatie met de bezoekers. De kunstenaars moeten goed ruimtelijk werk kunnen maken, én goed met mensen kunnen omgaan. Want hun werk wordt gebruikt als ontmoetingsruimte.”

Vijf jaar geleden klonken die uitspraken me nog wat wereldvreemd in de oren. Sympathiek, maar ook een beetje hippieachtig, refererend aan de tijd dat kollektief nog met een k geschreven werd. Want hoezo deed het karakter van een kunstenaar ertoe? Kunstenaars lieten hun engagement toch spreken uit hun werk? Waarom moesten ze dan ook nog aardig zijn?

Inmiddels weet ik dat Afisina gelijk heeft gekregen. Samenwerken is in de kunstwereld heel gebruikelijk geworden. Steeds vaker wordt er gesproken over solidariteit en gemeenschapszin, in plaats van veilingrecords of ‘blue chip artists’. Kunstenaarscollectieven, zoals Ruangrupa, hebben het op de hoogste podia voor het zeggen. Vorige week werd bekend dat de vijf genomineerden voor de Turner Prize, de bekendste internationale kunstprijs, allemaal collectieven zijn. Een maand eerder ging de Eye Film Prize naar Karrabing Film Collective, dat bestaat uit oorspronkelijke bewoners van de Northern Territories van Australië. En Ruangrupa zelf mag volgend jaar de vijfjaarlijkse Documenta in Kassel samenstellen, misschien wel de belangrijkste tentoonstelling op het gebied van hedendaagse kunst.

De opkomst van het collectief hangt samen met de roep om een meer inclusieve kunstwereld. Veel van de kunstenaarscollectieven die zich de afgelopen jaren profileerden, komen op voor een specifieke groep of gemeenschap. Zo heeft Black Obsidian Sound System (B.O.S.S.), een van de vijf genomineerden van de Turner Prize, als missie „het samenbrengen van een gemeenschap van mensen van kleur die homo, trans of non-binair zijn”. Dat doen zij „middels kunst, geluid en radicaal activisme”. Ook Array Collective uit Belfast, een andere Turner-genomineerde, komt met demonstraties en tentoonstellingen op voor de rechten van de lhbti+-beweging, en vraagt daarnaast aandacht voor de strenge Noord-Ierse abortuswetgeving.

Inclusiviteit

Natuurlijk werden er de afgelopen jaren al pogingen gedaan, op de laatste Documenta in Kassel en Athene, maar ook op de Biënnale van Venetië, om deze grote internationale tentoonstellingen inclusiever te maken. Er was meer werk te zien van vrouwelijke en niet-westerse kunstenaars, en van onbekende outsiders die jarenlang buiten de gevestigde instituten hadden gewerkt. Maar tegelijk bleef op deze mega-kunstfestivals het aloude westerse, modernistische model bestaan: curator kiest individuele genieën die met hun oeuvre een plekje in de kunstgeschiedenis behoeven en die daarmee hun positie op de kunstmarkt snel zien groeien.

Nu Ruangrupa, als eerste collectief en als eerste Aziatische curatorengroep, in 2022 de Documenta mag samenstellen, zal er waarschijnlijk op een fundamenteler niveau iets veranderen. Ruangrupa zal doelgroepen willen bereiken die normaal buiten het reguliere kunstpubliek vallen. Ze zullen bestaande systemen van binnenuit willen bevechten. Dat denkt ook Charles Esche, directeur van het Van Abbemuseum en lid van de commissie die Ruangrupa aanstelde als Documenta-curatoren. „Ik ben ervan overtuigd dat ze andere vragen zullen stellen”, zei hij in de Britse krant The Guardian. „Niet alleen omdat ze een collectief zijn, maar vanwege hun ervaring en culturele empathie – ze zitten minder gevangen in de modernistische ego-valkuil die de Europese cultuurpolitiek nog steeds domineert.”

Het Indonesische collectief Ruangrupa, hier in in 2019, zal 2022 de vijfjaarlijkse tentoonstelling Documenta in Kassel samenstellen. Foto Gudskul/Jin Panji

Architect en Ruangrupa-lid Farid Rakun, zei het zo in 2016: „Wij zijn geen standaard curator, die over het algemeen mannelijk, wit en heteroseksueel is. Wij willen geen klassieke tentoonstelling maken, dat kunnen wij niet eens.” Hij vertelde hoe het kunstcollectief in 2000 uit noodzaak was geboren, omdat in Jakarta nauwelijks ateliers en expositieplekken waren – Ruangrupa betekent vrij vertaald ‘ruimte voor kunst’. En hoe ze, na vele verhuizingen, nu eindelijk een permanente thuisbasis hebben, waar ze exposities organiseren, radio maken en workshops geven. „We willen meer zijn dan een kunstenaarsgroep”, vulde Reza Afisina aan. „Ruangrupa is een supportsystem, een organisatie, een laboratorium.”

De uitbraak van de coronapandemie heeft hun werk en hun ideeën alleen maar urgenter gemaakt, vertelden de leden van Ruangrupa onlangs in een interview met Artnet. „Toen Covid-19 uitbrak in Indonesië, hebben we enkele van onze ruimtes omgebouwd tot noodkeukens en hebben we werkplaatsen opgezet om mondmaskers en beschermingspakken te produceren.”

In aanloop naar de Documenta denken ze nu vooral na over „de structuren voor de productie van hedendaagse kunst”. Productiviteit en efficiëntie kunnen niet de enige graadmeters voor succes zijn, aldus Ruangrupa. „Er is een verschuiving gaande van het maken van objecten naar kunstwerken die gaan over kennis of informatie. Hoe kunnen we daarin investeren?”

Het thema dat ze voor de Documenta bedachten is de Indonesische term ‘lumbung’ – letterlijk: ‘rijstschuur’. „Het verwijst naar een collectieve voorraad of verwervingssysteem waarbij gewassen die door een gemeenschap zijn geproduceerd, worden opgeslagen als een toekomstige, gedeelde bron. Het gaat om generositeit en empathie. In de huidige tijd van onrust is het overduidelijk dat we ‘lumbung’ nodig hebben.”

Anarchistische happenings

Dat kunstenaars zich groeperen om zich af te zetten tegen bestaande, dominante structuren, is niet nieuw. Ook in de jaren zestig zag je dat kunstenaars het patriarchale systeem van de kunstwereld uitdaagden door zich als groep te presenteren. Fluxus-kunstenaars als John Cage, Yoko Ono en Nam June Paik deden dat met anarchistische happenings waarbij ze de grenzen tussen autonome kunst en muziek probeerden te slechten. Voor hen was samenwerken een politiek statement. Het was de tijd waarin de macho schilderkunst van Mark Rothko en Jackson Pollock grote successen vierde op de kunstmarkt – en als ultra-Amerikaanse kunst gepromoot werd door de CIA. De Fluxus-kunstenaars gaven hun individuele auteurschap op, en die daad alleen al maakte hen verdacht.

General Idea, P is for Poodle, 1983 Courtesy the Estate of General Idea

In de jaren zestig was het voor kunstenaars zelfs gevaarlijk om samen te werken, stelt Ellen Mara De Wachter, auteur van het boek Co-Art: Artists on Creative Collaboration (2017), waarin 25 kunstenaarscollectieven aan het woord komen. „Onder het Amerikaanse kapitalistische model werd de individuele ‘geniale’ kunstenaar een merk. Collectief kunst maken werd als zeer suspect gezien. Collectivisme werd geassocieerd met Sovjet-kunst, en kunstenaars liepen het risico om als ‘rood’ bestempeld te worden.”

Vanaf de jaren zestig ontstonden vooral kunstenaarsgroepen rondom subculturen die door de gevestigde kunstwereld genegeerd werden. In de South Side van Chicago werd in 1968 het collectief AfriCOBRA (African Commune of Bad Relevant Artists) opgericht door een groep zwarte kunstenaars die ‘zwarte esthetiek’ in de kunst wilden promoten. Volgens hun manifest wilden ze kunst maken voor „de hele Afrikaanse familie” omdat „de rijke Anglo-Amerikanen” hun werk niet kochten.

In de jaren 60 was het zelfs gevaarlijk om samen te werken

In Canada werd in datzelfde jaar de groep General Idea opgericht, die vooral bekend werd doordat ze in de jaren tachtig met publieke kunstwerken en performances de aidscrisis onder de aandacht brachten. Drie poedels stonden namens de drie leden van de groep symbool voor het kunstenaarschap. Toen twee van de drie leden in 1994 overleden aan de gevolgen van hiv, hield de groep op te bestaan. Rond die tijd lieten in New York ook anonieme feministische kunstenaars van zich horen onder de naam Guerrilla Girls. Zij verkleedden zich niet als honden, maar als apen. Tot op de dag van vandaag demonstreren ze tegen de slechte vertegenwoordiging van vrouwen in de kunstsector.

Lees ook dit interview met de Guerrilla Girls: ‘Eén vrouw en één zwarte erbij lost het probleem niet op’

Individueel genie

Wat al die collectieven, toen en nu, gemeen hebben, is dat ze het idee ter discussie stellen van de kunstenaar als individueel genie, die zijn werk in de eenzaamheid van zijn atelier creëert. Die mythe van het kunstenaarschap begint behoorlijk achterhaald te raken – ook individuele kunstenaars maken hun werk tegenwoordig vaak samen met een grote groep assistenten of technici.

Vaak verenigen kunstenaars zich ook uit praktische overwegingen. De huidige opleving van collectivisme heeft voor een groot deel te maken met puur overleven in voor kunstenaars schrale tijden. Samen een werkruimte huren is, zeker in niet-westerse landen, heel gebruikelijk. Ook het delen van dure apparatuur kan een reden zijn voor kunstenaars om samen te werken. Het eerder genoemde B.O.S.S. verenigde zich in 2018 rond een geluidsinstallatie. De Londense studio is beschikbaar voor „gemeenschappen en anderen, met als doel ons geluid te versterken en ons met elkaar te verbinden”.

En dan is er nog de sociaal-politieke component. Historisch gezien zijn collectieven altijd gelieerd geweest aan linkse denkbeelden. De opkomst van de huidige kunstcollectieven is in die zin vergelijkbaar met de tegencultuur uit de jaren zestig. Opnieuw leven we in een tijd van polarisatie en toenemende rechtse retoriek. Tel daar de vluchtelingencrisis, de coronapandemie en de vrees voor klimaatverandering bij op, en er is volop voedingsbodem voor creatieve groepen die alternatieve leefwijzen propageren.

Turner Prize

Hoe snel de opmars van de collectieven gegaan is, is goed af te lezen aan de ontwikkelingen bij de Turner Prize, de Britse kunstprijs die al decennia een goede graadmeter is van wat er speelt in de kunstwereld. In 2010 werd er voor het eerst een collectief genomineerd: The Otolith Group, een platform voor zwarte filmmakers, in 2002 opgericht door Anjalika Sagar en Kodwo Eshun. De nood om samen te werken, vertelde Sagar twee jaar geleden in The Guardian, kwam voort uit frustratie over de heldenverering van sterren als Damien Hirst. „Het was een reactie op de marketing van de Young British Art en de obsessie met celebrities van de Cool Britannia-beweging. Wij wilden juist over nationale grenzen kijken, allianties smeden met andere filmgroepen en politieke ideeën delen op een internationaal niveau.”

In 2015 werd de Turner Prize ook daadwerkelijk aan een collectief uitgereikt: Assemble. Deze groep van bevriende jonge architecten, allemaal afgestudeerd op het hoogtepunt van de recessie, werd in 2010 opgericht. Zij zagen geen heil meer in het ontwerpen van prestigieuze gebouwen, maar besloten zich te richten op het opknappen van verloederde buurten.

Array Collective, Belfast Pride 2019.
Foto Laura O’Connor
Foto Emma Campbell
Array Collective uit Belfast komt met demonstraties en tentoonstellingen op voor de rechten van de lhbti+-beweging, en vraagt daarnaast aandacht voor de strenge Noord-Ierse abortuswetgeving.
Foto’s Laura O’Connor en Emma Campbell

Bij de laatste Turner-uitreiking, in 2019, werd de kunstwereld compleet verrast toen de vier genomineerden, Lawrence Abu Hamdan, Helen Cammock, Oscar Murillo en Tai Shani, er bij de jury op aandrongen de prijs „uit solidariteit” aan hen als collectief uit te reiken. Om zo te laten zien dat het in de kunst om meer draait dan alleen winnaars en verliezers. Voor de gelegenheid had het viertal zich omgedoopt tot Abu Hamdan / Cammock / Murillo / Shani. Het prijzengeld van 40.000 pond werd evenredig over de vier leden verdeeld. „Deze vier kunstenaars beleden hun solidariteit niet alleen met de mond”, aldus Ellen Mara De Wachter, „Ze brachten een offer. Hun daad was een dadaïstisch gebaar om te laten zien hoe absurd het waardesysteem van kunst is.”

De kunstmarkt worstelt intussen nog hoe om te gaan met gedeeld auteurschap. De meeste grote galeries werken nog steeds het liefst met individuele kunstenaars – bij de grootse vijf galeries werkt van de aangesloten kunstenaars slechts 2 procent in samenwerkingsverband. Het werk van collectieven heeft vaak sociale en politieke motieven, en kan soms behoorlijk conceptueel zijn. Idealen zijn lastig te verkopen. Bovendien kunnen kunstcollectieven ook weer uit elkaar vallen, en dat is in kunstmarktermen niet goed voor ‘het merk’ en dus een onzekere investering.

Toekomst

Maar de coronapandemie heeft veel op zijn kop gezet. Terwijl tentoonstellingen van individuele kunstenaars werden uitgesteld of afgeblazen, konden collectieven gewoon doorwerken. Zo bleef de Turner-genomineerde groep Gentle/Radical uit Wales tijdens de lockdown wandelingen, maaltijden en workshops organiseren vanuit hun thuisbasis in de wijk Riverside in Cardiff. Voor hun project Doorstep Revolution verzamelden ze verhalen van buurtbewoners, die ze onder meer in podcasts openbaar maakten.

Ellen Mara De Wachter verwacht, zei ze onlangs in een interview met Artspace, dat de ervaring die kunstenaars nu opdoen de rest van de wereld kan inspireren tot een meer collectieve manier van denken en leven. „Het is duidelijk dat veel mensen, onder wie kunstenaars, zich in toenemende mate zorgen maken over basale zaken als huur betalen of de kosten van dagelijks levensonderhoud. Tegelijkertijd brengen mensen door de coronapandemie veel meer tijd thuis door. Dat heeft geleid tot allerlei creatieve activiteiten in wijken en tuinen. De vraag is of die bescheiden acties zullen leiden tot een meer blijvende trend waarbij we onszelf gaan organiseren tot een meer samenwerkende samenleving.”

Kunstenaars kunnen daarbij de weg wijzen, denkt De Wachter. „Zij hebben ons een model gegeven waar we allemaal profijt van zouden kunnen hebben – een model dat draait om dialoog, gedeelde ervaringen, het oplossen van conflicten en diplomatie. Ik denk dat er iets zit in deze experimentele manieren van leven, die veel kunstenaars die ik ken nu uitproberen – leven zonder deel te nemen aan de 9 tot 5-economie, leven zonder het idee te hebben dat je al die spullen de hele tijd moet kopen, besluiten om kleiner te gaan wonen, besluiten op het platteland te gaan wonen. Collectief werken hoort daar ook bij.”