Onzekerheid begint bij het 5de levensjaar

Psychologie Kinderen van vijf worden gevoelig voor de oordelen van anderen en willen goed overkomen. Een vierjarige heeft daar nog maling aan.

Spelende kinderen in een park in Moskou. Na het vijfde levensjaar groeit de twijfel over de waarachtigheid van de vriendelijkheid van de ander.
Spelende kinderen in een park in Moskou. Na het vijfde levensjaar groeit de twijfel over de waarachtigheid van de vriendelijkheid van de ander. Foto Getty Images

Na een praatje met een ander onderschatten mensen meestal hoe aardig ze gevonden worden door hun gespreksgenoot. Sinds onderzoek uit 2018 wordt dat effect de sympathie-kloof (the liking gap) genoemd. Die kloof ligt tussen de eigen hoge waardering van de ander en de verwachting dat die ander voor henzelf juist minder sympathie heeft.

Die verwachting van dat lage oordeel door de ander is meestal onterecht: beiden vinden de gespreksgenoot aardig, maar verlaten het gesprek dus onzeker over de eigen charme. Het effect is gevonden na eerste kennismakingen, maar ook tussen studenten die al maanden met elkaar omgaan in een studentenhuis.

Rijker en sociaal actiever leven

In een nu verschenen onderzoek is vastgesteld dat die sympathiekloof al ontstaat rond het vijfde levensjaar. Dat is de leeftijd waarop kinderen gaan beseffen dat een ander ook een eigen opvatting kan hebben. Vanaf die leeftijd worden kinderen ook gevoeliger voor de oordelen van anderen en willen ze steeds vaker ook goed overkomen. Een vierjarige (of jonger) heeft daar meestal nog maling aan. Zoals de betrokken onderzoekers, onder wie de bekende psycholoog Michael Tomasello (Max Planck Instituut Leipzig), concluderen in Psychological Science: vanaf vijf jaar begint de ervaring van sociale onzekerheid (social anxiety) die kan leiden tot negatieve gedachten over zichzelf en ook groeiende scepsis over de vriendelijke woorden die de ander uitspreekt.

Die onzekerheid over de achtergelaten indruk na een prettig gesprek is een uitzondering op een ánder, bekend psychologisch fenomeen: dat mensen zichzelf en hun eigen aantrekkelijkheid doorgaans óverschatten en hun slechte eigenschappen meestal negeren of bagatelliseren. De sympathie-kloof past weer wel in het fenomeen dat de meeste mensen denken dat ánderen een rijker en sociaal actiever leven hebben dan zijzelf, zo schrijft het psychologenteam onder leiding van Wouter Wolf (Duke University) in Psychological Science.

In een nagesprekje werd de kinderen gevraagd wat ze van de ander vonden

Het kinderonderzoek was een herhaling van een volwassenenonderzoek, maar in plaats van een praatje van 5 minuten moesten de kinderen (die elkaar niet kenden) in duo’s van gelijke leeftijd een blokkentoren bouwen. Daarna werd de kinderen in een nagesprekje gevraagd wat ze van de ander vonden en of ze dachten dat het andere kind nog wel eens met hen zou willen spelen of misschien zelfs wel hun vriendje zou willen worden. In totaal deden ruim 250 kinderen tussen 4 en 11 jaar oud mee, maar enkele kinderen vielen af omdat ze de vragen niet leken te begrijpen en één deelnemertje werd uitgesloten omdat het – om onduidelijke redenen – een extreme hekel aan zijn spelgenootje bleek te hebben gekregen. Voor het eindresultaat bleek opname of weglating van deze ‘extreme hater’ geen verschil te maken, zo checkte Wolf c.s. met extra berekeningen.

In totaal werden de sociale inschattingen van 241 kinderen gebruikt. Alleen leeftijd bleek een factor in de verschillen van de eigen sympathie en de verwachte sympathie van het andere kind. Bij vierjarigen was die nog gelijk: die vonden de ander gewoon leuk en verwachtten dat die ander hen ook net zo leuk had gevonden.

De sympathiekloof blijkt aanvankelijk te ontstaan omdat de vijfjarigen de ander sympathieker gaan vinden terwijl de terugverwachte sympathie ongeveer hetzelfde blijft. Boven de vijf jaar groeit de kloof verder door twijfel over de eigen waardering. Want gelijk op met de zorgen over de eigen reputatie, die toenemen na het vijfde levensjaar, groeit ook de twijfel over de waarachtigheid van de vriendelijkheid van de ander. Want die zal dan ook wel mede aan zijn eigen reputatie denken als hij of zij zo vriendelijk doet, dus hoe oprecht is die uitgestraalde sympathie dan eigenlijk? Met een dieper inzicht in het sociale verkeer groeit in de kindertijd ook de twijfel. De sympathiekloof hangt dus uiteindelijk samen met het streven naar een goede sociale reputatie en de zorgen daarover, zo concluderen de psychologen.