Ahmet Ögüt, Bakunin’s Barricade, 2015–2020, zoals het werk te zien was in het Van Abbemuseum in Eindhoven in 2015.

Foto Peter Cox

Nuttig en kunst zijn geen tegenstelling meer

Activisme en esthetiek Steeds meer kunstenaars willen met hun werk buiten de kunstwereld verandering bewerkstelligen. Hoe verhoudt dit zich tot de eigen waarde van kunst die weer- en belangeloos is?

In 1853 publiceerde de Amerikaanse schrijver Herman Melville – twee jaar na Moby Dick – de novelle Bartleby, the Scrivener. A Story of Wall Street. Het verhaal gaat over een kantoorklerk die op alles nee zegt, nee, zelfs dat niet, hij zegt ‘I would prefer not to’, wat in het Nederlands vooral vertaald is met ‘liever niet’, maar ook met ‘ik doe het liever niet’ of ‘dat deed ik liever niet’. Bartleby’s weigeringen waren heel beleefd, maar weigeringen waren het. Aan het begin van het verhaal weigert hij als klerk van een notaris documenten te kopiëren, aan het eind sterft hij in een gevangenis, nog even voorkomend als aan het begin.

Waarom deed Bartleby wat hij deed? Over de reden voor de weigeringen van de klerk lopen de meningen uiteen; had Bartleby een depressie, gaf Melville kritiek op het kapitalisme, is het verhaal een verhandeling over de vrije wil, een voorafspiegeling van Occupy Wall Street? ‘The plot is easily comprehensible; the meaning utterly elusive’, schreef The Guardian een paar jaar geleden over Bartleby. Wat hij in dit stuk doet, weet ik ook nog niet.

In 1849, vier jaar voor Bartleby werd geboren, was de Russische anarchist Michail Bakoenin in Dresden, waar hij meevocht in een democratische opstand. Ook componist Richard Wagner maakte handgranaten en stond op de barricaden. Toen Pruisische troepen in aantocht waren om de revolutie te onderdrukken, stelde Bakoenin voor om een schilderij uit de Gemäldegalerie op een barricade te hangen. De Pruisische soldaten zouden volgens de Rus nooit schieten op de Sixtijnse Madonna, een schilderij van Maria met kind van de Italiaanse kunstenaar Rafaël. Interessant aan dit apocriefe verhaal is dat de soldaten volgens Bakoenin niet op het doek zouden schieten omdat hun God erop was afgebeeld, maar omdat ze beschaafd waren. De Sixtijnse Madonna gold toen ook al als een van de meesterwerken van de Renaissance.

166 jaar later, in 2015, zorgde kunstenaar Ahmet Öğüt ervoor dat het idee van Bakoenin toch werd uitgevoerd, niet op straat, maar in musea. In Eindhoven, Keulen, Istanbul, Kopenhagen en Dresden bouwde hij barricades met daarin opgenomen werken uit de collectie van de betreffende kunstruimte (in Dresden was het niet in de Gemäldegalerie te zien maar in de Dresdner Kunstverein en dus ontbrak de Sixtijnse Madonna). De laatste versie was vorig jaar te zien in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Op de barricade stond daar onder meer werk van Marlene Dumas, Nan Goldin, Käthe Kollwitz en Kazimir Malevitsj. Tamelijk tandeloos, zo’n museale barricade. Maar ernaast hing een koopcontract: ‘De koper verklaart zich bereid de Barricade uit te lenen aan derden om deze als barricade te gebruiken indien daarom wordt verzocht in de context van radicale economische, sociale en politieke transformatieve gebeurtenissen.’

Öğüt stelt museale kopers met dit contract voor het blok. Want is de eerste taak van een museum niet te zorgen voor de kunst die het hoedt? Wie het koopt, houdt rekening met de mogelijkheid dat kunstwerken zullen sneuvelen of is zo naïef te geloven dat alle soldaten zo beschaafd zijn als de Pruisische in de ogen van Bakoenin. Dit is meer dan propaganda voor ruimdenkendheid.

Kunst als vrijplaats

In de jaren vijftig van de vorige eeuw, tijdens de Koude oorlog werd kunst als middel dat het doel heiligt ingezet door de CIA. Een paar jaar geleden bleek dat de inlichtingendienst in het geheim een van de grootste sponsoren was geweest van het abstract expressionisme, een toen bepaald nog niet alom gewaardeerde kunststroming. Juist daarom werden de schilderijen van Mark Rothko en Jackson Pollock op de Amerikaanse barricades van de Koude Oorlog gezet. Een gewiekste, cynische strategie die duidelijk moest maken dat je in Amerika echt kon doen wat je wilde, al was het lelijke schilderijen maken. Afschuwelijke kunst als symbool van vrijheid.

Misschien toont de strategie van de CIA nu vooral het tekort aan van de opvatting dat kunst een vrijplaats is, een plek waar niets moet en alles mag. Er is geen ontsnappen mogelijk. En dat terwijl het in de twintigste eeuw juist die vrijheid is geweest die door kunstenaars tot vervelens toe bevochten is. Het hoogtepunt werd misschien al bereikt in 1960, toen Piero Manzoni de hele planeet tot kunstwerk bestempelde, en opnieuw in 1967, toen Joseph Beuys ieder mens tot kunstenaar uitriep. 7,6 miljard kunstenaars op één kunstwerk.

Guess Who’s Coming To Dinner Too? van Patricia Kaersenhout in De Appel, 2019. Foto Aatjan Renders

De kunst bleek alleen lang niet voor iedereen een vrijplaats te zijn: van die 7,6 miljard mensen waren het toch vooral witte mannen die op de noordelijke helft van het kunstwerk aarde echt kunstenaar mochten wezen. Dat is niet zo gebleven. In 1979 maakte Judy Chicago bijvoorbeeld het kunstwerk The Dinner Party, een tafel gedekt voor 39 vrouwen uit het verleden. In 2017 maakte Patricia Kaersenhout een nieuwe versie onder de titel Guess Who’s Coming To Dinner Too? waarin gedekt is voor 38 zwarte vrouwen en vrouwen van kleur, die in het werk van Chicago bijna geheel ontbraken. Zo verandert kunst de wereld, met werkwoorden als grenzen verleggen, aandacht vragen, bewust maken, aan de kaak stellen, zichtbaar maken, plaats maken, emanciperen, verbinden.

Het is de vraag of het ook nog anders kan.

Tussen 1979 en 2017 was het 1988, volgens mij ook een uitzonderlijk jaar in de kunstgeschiedenis. In 1988 maakte Errol Morris namelijk de film The Thin Blue Line. Dat is een schitterende documentaire over feit en fictie en hoe die tot elkaar veroordeeld zijn. Maar het uitzonderlijke van The Thin Blue Line ligt ergens anders. De film wist de grens tussen kunst en activisme. Dankzij deze documentaire kwam er een voor moord tot levenslang veroordeelde man, Randall Dave Adams, vrij uit de gevangenis. Morris had met de film Adams’ onschuld bewezen. Op de flaptekst van de dvd staat: ‘The Thin Blue Line bewerkstelligde verandering in de echte wereld, en bewees daarmee de kracht van film.’

The Thin Blue Line, Errol Morris, 1988.

Er zijn niet veel voorbeelden van kunst met zo’n heldere invloed op de werkelijkheid als The Thin Blue Line. 1 op 1. Ik ken in ieder geval geen ander kunstwerk dat iemand uit de gevangenis heeft gekregen. Kent iemand nog een geval? Nee? Dan is dit het moment om te beweren dat het er niet toe doet dat The Thin Blue Line zo’n goede documentaire is. Een slechte documentaire had hetzelfde effect gehad. En de documentaire om deze reden bejubelen doet af aan de eigen waarde van kunst, die tenslotte weerloos en belangeloos is. Kunst is niet letterlijk maar figuurlijk, ambigu, metaforisch, dubbelzinnig, 1 + 1 = 3.

Gelukkig kloppen die cijfers en letters ook niet altijd. Quinsy Gario zei het bijvoorbeeld juist heel helder in 2011, toen hij met het kunstproject Zwarte Piet is racisme begon. Duidelijker kan het niet.

Artivisme

Steeds meer kunstenaars lijken er nu naar te streven niet alleen binnen maar ook buiten de kunstwereld directe verandering te bewerkstelligen. Er is zelfs al een neologisme, artivisme, al is dat waarschijnlijk te flauw om gemeengoed te worden.

In 2021 zijn voor de Turner Prize vijf kunstenaarscollectieven genomineerd die proberen maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen via kunst, zoals het persbericht meldt. Het grootste wapenfeit dat in een bericht in NRC over de nominaties wordt genoemd, is dat de restaurants van de Tate musea geen kweekzalm meer serveren dankzij het project Salmon: A Red Herring van de groep Cooking Sections. Is dat veel of is dat weinig?

Ik weet het niet. Misschien gaat het Cooking Sections ook om bewust maken, aandacht vragen et cetera, maar toch. Er is concreet resultaat, letterlijk, niet figuurlijk.

Sinds 2017 doet het collectief Fossil Free Culture NL onuitgenodigd performances in culturele instellingen als Nemo en het Concertgebouw om die te bewegen hun banden met olieproducerende sponsors door te snijden. ‘Fossil fuel companies associate themselves with art to shore up their public image; we use art to erode it’, meent het collectief. Ze slaagden daar al een paar keer in, al beweren het Van Goghmuseum en het Concertgebouw dat hun performances niet verantwoordelijk waren voor de beëindiging van de sponsoring.

Nuttigheid

Sommige kunstenaars zien helemaal af van het produceren van kunst. Het Oostenrijkse collectief Wochenklausur opent liever een bejaardencentrum of zet een taalschool op voor vluchtelingen. De Amerikaanse curator Nato Thompson haalt in zijn boek Seeing Power. Art and Activism in the 21st Century Rick Lowe aan. Toen deze Amerikaanse kunstenaar uit Houston in 1993 de vraag kreeg waarom hij schilderijen en beelden maakte over sociale problemen in plaats van met creatieve oplossingen voor die problemen te komen, verliet hij zijn atelier en begon samen met een aantal andere kunstenaars Project Row Houses, waarvoor hij vervallen huizen opknapte, eerst om er kunst te laten zien, maar later ook voor sociale bewoning en een coöperatieve winkel.

Laten we in godsnaam de mogelijkheid openhouden dat schoonheid en politiek ons in het onvermoede doen belanden

Het zijn voorbeelden van wat de Cubaanse kunstenaar Tania Bruguera ‘Art Útil’ heeft genoemd, nuttige kunst. Het is de vraag of die naam nog steeds een tegenstelling bevat, of een paradox is. Misschien niet meer; laten we in godsnaam de mogelijkheid openhouden dat het kan, dat esthetiek en activisme, schoonheid en politiek ons in het onvermoede doen belanden. Rick Lowe maakt ook weer schilderijen. Het gaat in de kunst dus niet om of, maar om en, om ook, om meer. Geen tekort maar een teveel.

In 2021 maakt de Nederlandse filosoof Simon(e) van Saarloos in het HEM een tentoonstelling die niet schaarste maar overvloed voorstelt als uitgangspunt om ons weg te denken uit allerlei tegenstellingen. ‘Wat als alles er mag zijn en er toe doet, zonder bewijs van nut, doel, onderscheid, hiërarchie, prioriteit of winst?’