Joseph Beuys plant de eerste van 7.000 eiken op de zevende Documenta in Kassel, 1982.

Foto ANP

Kan kunst de wereld redden?

Kunst tegen het systeem Activistische kunstenaars als Jonas Staal legitimeren hun werk vaak met post-modernistische theorieën waarin het sociale systeem de onderdrukker is – en niet individuen.

Dat kunstenaars zich opwerpen om met hun kunst de wereld te verbeteren, om niet te zeggen te redden, zoals de laatste tijd steeds vaker gebeurt, dat is natuurlijk mooi. Nobel.

Zo richtte de Nederlandse kunstenares Tinkebell een fonds op, de Tinkebell Foundation, dat als hoofddoel heeft: ‘De wereld redden.’ Zij heeft bijvoorbeeld met succes actie gevoerd voor in Nederland geboren kinderen van asielzoekers, waarna er een ‘Kinderpardon’ kwam en deze kinderen mochten blijven. Ze is een van de politiek activistische kunstenaars van wie je er ook in Nederland steeds meer hebt. Al zei ze zelf (in Het Parool): „Ik ben absoluut geen activist. Een activist is doorgaans iemand die gelooft de waarheid in pacht te hebben. Ik vind het nogal wat om dat te denken. Je moet altijd blijven twijfelen.” Tinkebell raakt hier een interessant punt: de wereld redden is een serieuze zaak, en veel kunstenaars die nu politiek activistische kunst maken, zijn bloedserieus.

Vele geëngageerde kunstenaars-annex-wereldverbeteraars gingen de huidige politiek activistische kunstenaars voor. Dat waren niet per se altijd de grootste politieke lichten – als voorbeeld wordt vaak de Italiaanse schrijver Fillipo Marinetti aangehaald, voorman van de kunstenaarsbeweging de Futuristen die in 1909 in zijn idealistische manifest schreef: ‘Wij willen de oorlog verheerlijken – enige hygiëne van de wereld – net als het militarisme, het patriottisme, […] en de minachting voor de vrouw.’ Hij werd later fascist. Dat is niet het type wereldverbeterende kunstenaar waaraan huidige activisten zich graag spiegelen.

Ik ben absoluut geen activist. Een activist is doorgaans iemand die gelooft de waarheid in pacht te hebben. Ik vind het nogal wat om dat te denken. Je moet altijd blijven twijfelen.

Tinkebell kunstenaar

De Russische kunstenaars Kazimir Malevitsj en Vladimir Tatlin hielpen met vooruitstrevende kunst graag aan de opbouw van een betere wereld na de Russische revolutie. Maar niet alleen kregen ze ruzie met elkaar, ze mochten al snel niet meer het abstracte werk maken dat ze wilden: toen Stalin in 1928 dictator werd, merkten ze dat de politiek bepaalt hoe de kunst eruitziet. En niet andersom.

Dan is de Duitse kunstenaar Joseph Beuys (1921-1986) een beter voorbeeld voor hedendaagse activisten. Hij streed als kunstenaar voor een milieuvriendelijke samenleving, was mede-oprichter van de Duitse politieke partij Die Grünen, pleitte in kunstacties voor directe democratie, en plantte in Kassel in 1982 bij de kunstshow Documenta als kunstwerk 7.000 eiken in de stad – die nog steeds doorgroeien. De Nederlands activistische kunstenaar Jonas Staal ziet Beuys als zijn grote voorbeeld. Over Staals kunstvisie straks meer.

Belangeloos welbehagen

Eerst de fundamentele vraag: kun je met kunst de wereld, de mensheid redden? Dat hangt natuurlijk af van hoe je tegen de wereld (en kunst) aankijkt. In haar Huizinga-lezing over kunst, politiek en identiteit zei beeldend kunstenaar Marlene Dumas in 2019 bijvoorbeeld: „Kunst gaat ons niet redden.” Ze haalde kunsthistoricus Eddy de Jongh aan die had gezegd: „Dat liefde tot de kunst ook uitstekend samengaat met intense slechtheid, kan aan de hand van vele historische figuren worden aangetoond.” Van kunst word je niet een beter mens.

Maar waartoe dient kunst dan wel? „De primaire functie van kunst […] is het bevrijden van het individu van de tirannie van zijn cultuur.” Die uitspraak van kunstcriticus Lionel Trilling citeerde Dumas met instemming: cultuur is, zei zij, het behoud van (spel)regels in een samenleving en kunst is verandering ervan. Voor Dumas is de vrijheid van de kunstenaar als individu van groot belang. Het kunstwerk mag ambigu zijn, het beeld zelf is ‘amoreel’, zei ze. Het is aan de kijker het te beoordelen. Maar: „Een kunstenaar moet zich niet hoeven verantwoorden”, zei ze in een interview.

Sommige hedendaagse activistische kunstenaars vinden dat maar schijnheilige, a-politieke kletspraat, dat hameren op vrijheid en autonomie van de individuele kunstenaar. Dat heeft te maken met de herkomst van het idee van de kunstenaar als vrij en onafhankelijk schepper. Dat idee krijgt langzaam vorm in de periode die begint met de Verlichting in de achttiende eeuw, het begin van de ‘moderniteit’. Dat is de periode waarin het liberale idee postvat dat ieder individu vrij en gelijkwaardig is, dat zich in de samenleving, mede gebaseerd op de moderne wetenschap en intellectuele uitwisseling, positief kan ontplooien.

Tijdens de Franse revolutie worden koning en kerk, die niets van die ideeën moeten hebben, als machthebbers aan de kant gezet. Het volk de macht geven via een representatieve democratie, dat vindt men een beter idee. En kunst hoeft niet langer een versiersel voor aristocraten te zijn. Bovendien schrijft Verlichtings-filosoof Immanuel Kant in 1790 dat schoonheid, iets esthetisch waarderen, een ‘belangeloos welbehagen’ is. De stap naar een vrije, belangeloze, autonome kunst is dan snel gezet. Na veel strijd en tegenstrevingen hebben zowel het idee van de liberale democratie als de vrije, autonome kunstenaar postgevat in de moderne tijd, in wat wij het ‘vrije Westen’ zijn gaan noemen.

Postmoderne theorieën

Maar de wereld verandert. En na onder meer twee wereldoorlogen en de tragische erfenis van het kolonialisme, waren in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw sommige denkers teleurgesteld over de moderniteit en de linkse heilsideeën. Met name in Frankrijk ontwikkelden linkse, activistische filosofen als Michel Foucault en Jacques Derrida nieuwe, nogal sombere visies op de politiek en machtsverhoudingen, die postmodern worden genoemd. Ze vroegen zich af: wat hebben de liberale democratie, de universele mensenrechtenidealen en de moderne wetenschap met haar nadruk op objectief onderzoek, kortom de moderniteit, ons uiteindelijk opgeleverd? Er waren en zijn toch nog steeds grote groepen slachtoffers die onderdrukt, niet gehoord, gediscrimineerd worden?

In de postmoderne theorie worden zaken als objectieve wetenschap en liberale democratie als onderdrukkende, besmette oude waarden gezien, net als denken in termen van individuen en universele mensenrechten. In universitaire en artistieke kringen zijn die verder uitgebreide postmoderne theorieën de laatste decennia erg populair geworden. Het heeft niet alleen het marxistisch linkse denken, maar ook het geloof in de liberale moderniteit vervangen. Dat schrijven althans de Britse taalkundige Helen Pluckrose en de Amerikaanse wiskundige James Lindsay in hun boek Cynical Theories. How Universities Made Everything about Race, Gender, and Identity – and Why This Harms Everybody (2020). Macht doordringt alles in de postmoderne theorie, aldus Pluckrose en Lindsay; macht ‘komt niet van bovenaf, zoals in het marxistisch denkraam, maar we doen allemaal mee, we zijn allemaal deelnemers aan de onderdrukkende macht. Door taal, verwachtingen, sociale constructies en culturele redeneringen: het sociale systeem is de onderdrukker, niet individuen.’

Linkse, activistische postmodernen hebben dezelfde ambitie als activistische rechts-extremisten

Ontsnappen aan die onderdrukking kun je nauwelijks. De nadruk op slachtofferschap in postmoderne studievelden, zoals vrouwenstudies, queerstudies, genderstudies etcetera is daardoor groot, aldus Pluckrose en Lindsay. Er is zeker sprake van achterstelling en discriminatie, maar op objectieve feiten gericht wetenschappelijk onderzoek wordt in postmoderne kringen argwanend bekeken of afgewezen, terwijl dit volgens de auteurs juist van belang is om sociale rechtvaardigheid te bereiken. Groepsdwang is ook sterk in postmoderne kringen, want het autonome individu is in postmoderne opvattingen ‘grotendeels een mythe’, aldus de auteurs. Dat leidt er soms toe dat mensen met afwijkende meningen die niet in het beeld van de groepsidentiteit passen, de mond wordt gesnoerd op universiteiten in de VS. Het gevolg is ‘cancel-cultuur’, en geen open debat, in naam van het hogere postmoderne ‘social justice’-doel.

Strijden voor sociale rechtvaardigheid vanuit het ideaal ‘gelijke rechten voor iedereen’, zoals de burgerrechtenbeweging deed, is niet postmodern (want op individuen en universele rechten gebaseerd). In plaats daarvan kiezen de linkse postmodernen, aldus Pluckrose en Lindsay, liever een ‘identiteitspolitieke aanpak, die collectieve schuld toeschrijft aan dominante groepen – witte mensen zijn racisten, mannen zijn seksisten, en heteromensen zijn homofoob. Dit gaat uitdrukkelijk in tegen de gevestigde liberale waarde dat je iemand niet moet beoordelen naar zijn ras, of sekse of seksuele voorkeur.’ (Het is naïef om te denken, schrijven Pluckrose en Lindsay, dat je met zo’n aanpak rechts-extremisten niet in de kaart zou spelen, die als tegenbeweging hun eigen identiteitspolitiek van stal zullen halen).

Democratisch fascisme

Veel internationale activistische kunstenaars werken vanuit deze postmoderne opvattingen over sociale rechtvaardigheid. Ook de Nederlandse activistische kunstenaar Jonas Staal past in dat plaatje. In zijn recente kunstprojecten spande hij zich onder meer in om een stem te geven aan statenlozen, door World Summit-conferenties te organiseren. Samen met revolutionaire Koerden bouwde hij tussen 2015 en 2018 in Noord-Syrië mee aan een parlement voor het autonoom bestuur in de regio Rojava.

Voor Staal geeft de ware kunstenaar met zijn kunst mede vorm aan de ware, democratische, rechtvaardige samenleving. Dat is niet het neo-liberale en op consensus gerichte democratische gedoe in staten als Nederland. De liberale democratie voldoet voor hem niet meer. Dat staat onder meer te lezen in zijn pamflet Post-propaganda uit 2009, en in zijn proefschrift van meer dan 400 pagina’s Propaganda Art from the 20th tot the 21st Century. Hiermee promoveerde hij in 2018 aan de Universiteit van Leiden op zichzelf als kunstenaar, zijn kunst en de theoretische achtergrond.

‘New World Summit’ van Jonas Staal op de Berlin Biennale in 2012. Foto Britta Pedersen/EPA

Kunst en politiek zijn volgens Staal onlosmakelijk met elkaar verbonden. Je kunt je aan die politieke macht niet onttrekken. Ook niet als kunstenaar, die denkt dat hij of zij als vrij individu een autonoom kunstwerk kan maken. In feite maken die kunstenaars met hun ‘vrije kunst’ propaganda. Propaganda voor de liberale democratie waarin ze leven, aldus Staal. En de Nederlandse democratische staat is volgens hem verwerpelijk, omdat die meedoet aan oorlogen om mensen te onderdrukken, en ook binnenslands niets waarmaakt van idealen als gelijkheid, door neoliberaal beleid.

‘Als kunstenaars zijn we het progressieve, democratische thuisfront die de inzet van soldaten elders legitimeren’, schrijft hij in Post-Propaganda. In zijn proefschrift heeft hij het over ‘democratisch fascisme’ dat hij in de huidige Nederlandse staat ziet. En zoals gezegd dragen kunstenaars volgens hem een collectieve schuld als propagandisten van dat ‘democratisch fascisme’ als ze denken dat ze met het schilderen van een landschapje zich verre van de politiek houden.

Staal doet het anders. Hij wil zijn activistische kunst vooral ten dienste stellen van het ‘precariaat’, de postmoderne opvolger van het proletariaat, de nieuwe verworpenen der aarde, zeg maar. Het zijn de door de neo-liberale staten buitengeslotenen en verstotenen van de wereld: ‘vrouwen, queers, transgenders, de armen, differently abled, statenlozen, religieuze en raciale minderheden’, zo citeert Staal in zijn proefschrift de Amerikaanse postmoderne filosoof Judith Butler. Hij organiseert onder meer congressen voor hen, zodat ze gehoord kunnen worden.

Lees ook de reactie van Jonas Staal: Juist extreemrechts wil groot deel van bevolking cancellen

Wantrouwen

‘Democratie is leuk’ (Demokratie ist lustig) schreef Staals grote voorbeeld Beuys in 1972 op een foto waarbij hij als vers ontslagen docent door de politie uit de kunstacademie in Düsseldorf werd gezet, na een conflict over politiek activisme. Dat was nog als ironisch commentaar op de democratie op te vatten. Voor Staal is de lol eraf. Wat hem betreft mag er een eind komen aan de Nederlandse liberale democratie, die onheil en geweld veroorzaakt, ook al is zo’n omwenteling riskant en kunnen vrijheden en meer dan dat sneuvelen. ‘Dit’, schijft Staal in Post-Propaganda, ‘is het eeuwige argument dat we altijd voorgeschoteld krijgen: voorbij democratie is alleen intolerantie, geweld en barbarij… Mijn antwoord is dat ik bereid ben deze consequenties te accepteren.’

Filosoof Maarten Doorman noemde bepaalde passages in Post-Propaganda ‘omineus’, in een debat met Jonas Staal in de Balie in 2016, getiteld ‘Kunst en politiek activisme: een problematisch huwelijk?”. Maar Staal zag dat anders: hij wil de democratie verbeteren.

Beiden – kunstenaar en publiek – zijn ons wantrouwen waard

Marlene Dumas kunstenaar

Het is opmerkelijk dat linkse, activistische postmodernen, ook al hebben ze andere doelen voor ogen dan activistische rechts-extremisten, gezamenlijk dezelfde ambitie koesteren: de liberale democratie doodknuppelen, om de wereld te verbeteren.

„Beiden – kunstenaar en publiek – zijn ons wantrouwen waard”, zei Marlene Dumas in haar Huizingalezing. Dat is een waar woord, zeker als het om activistische kunstenaars gaat.

Dumas is opgegroeid in Zuid-Afrika, tijdens het apartheidsregime. In een staat die gewelddadig onderdrukte, discrimineerde, censureerde, ook kunst. Daarna kiezen voor individuele vrijheid en onafhankelijk kunstenaarschap is dan toch moeilijk te verkopen als een a-politieke vlucht voor je politieke kunstplichten, zoals Staal lijkt te stellen. Het is wel degelijk een politieke keuze. Een verzet tegen opdringerige politiek.

Niet dat Dumas helemaal niet in politiek geïnteresseerd is. Ze sloot haar lezing af met de wens die schoonheidskoninginnen altijd uitspreken, bekend uit de film Miss Congeniality met Sandra Bullock: „Wat we allemaal willen is: wereldvrede.”