Twee uur Bob Dylan in een stomende suite

Popmuziek Bob Dylan wordt maandag tachtig jaar. In 2001 verbleef popjournalist Jan Vollaard in Rome twee uur in zijn raadselachtige nabijheid.

Zanger Bob Dylan in 1984 tijdens een optreden in Basel, Zwitserland.
Zanger Bob Dylan in 1984 tijdens een optreden in Basel, Zwitserland. Foto EPA/STR

Een goed gesprek met Bob Dylan: welke popjournalist zou er zijn linker pink niet voor geven? Het aanbod voor een ontmoeting met ‘His Bobness’ in zijn zestigste levensjaar, hartje zomer 2001 in Rome, kwam met de aantekening dat er elf andere popjournalisten uit evenzoveel Europese landen aan zouden schuiven. Een frustrerend uitgangspunt, zo bleek. Vooral de morsige oudere heer uit Portugal maakte er een potje van. Bijna kreeg hij ruzie met Dylan om één woord uit de tekst van ‘Visions of Johanna’.

„Miester Dielan, nu we toch in de Eeuwige Stad zijn, heeft het voor u nog enige betekenis dat u ooit ‘Inside the museums, history goes up on trial’ hebt gezongen?”

„Ik herken die woorden niet”, zei Dylan, geïrriteerd. (‘Infinity goes up on trial’, moest het zijn.)

Het werden twee verhitte uren in een Romeinse hotelsuite, op een steenworp afstand van de monumentale Spaanse trappen waar Dylan ooit ‘When I Paint My Masterpiece’ componeerde. Vragen werden in hoog tempo afgevuurd, gedachten wreed onderbroken met alwéér een nieuw tekstcitaat. De scherpzinnige zanger kwam van onder zijn cowboyhoed al te vaak weg met een vaag antwoord als „ik weet het niet zeker” of een triomfantelijk, zonder enige toelichting uitgesproken „precies!”. De chaos in het zweethok kwam hem goed van pas. Het gaf hem de perfecte gelegenheid om het mysterie in stand te houden dat hem als meest enigmatische artiest van het rock-’n-rolltijdperk is blijven omringen. Al sinds Robert Allen Zimmerman zich de artiestennaam Bob Dylan aanmat, trekt hij een rookgordijn op rond zijn herkomst uit het suffe stadje Duluth in Minnesota.

Betrekkelijk opgeruimd

In Rome troffen we een betrekkelijk opgeruimde en, waar het zijn muziek betrof, openhartige Bob Dylan. Hij was volledig hersteld van de hartkwaal die in mei 1997 op menige krantenredactie aanleiding was alvast een necrologie gereed te zetten. Dylan voelde zich goed en was in artistiek opzicht nog lang niet dood, zo bleek uit het album Love and Theft dat hij kwam toelichten.

Lees ook: De recensie van Dylans meest recente album

Het bouwde voort op de muziek die de jonge Zimmerman in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw op de radio hoorde. Blues, western swing en rockabilly bepaalden de toon van een vitaal nieuw album.

Bob Dylan was nu eens niet in Rome voor een audiëntie bij de paus, zoals vier jaar eerder toen Johannus Paulus II bijkans in slaap viel tijdens ‘Knockin’ on Heaven’s Door’. Op 23 juli 2001 onderbrak hij de Italiaanse tak van zijn Never Ending Tour voor een middagje met de door hem gewantrouwde pers. Hij droeg een westernhemd met cowboyhoed en het koddige latin lover-snorretje van de albumhoes. Hij zette zich op de stoel naast mij, terwijl voor hem een enorme hoeveelheid microfoons en recorders werd uitgestald. Aan mij de eer om de eerste vraag te stellen: „Over de albumtitel Love and Theft: zijn liefde en diefstal twee dingen die voor u onvermijdelijk samen gaan?”

Exactly sir. Like a hand in a glove.”

Er viel een stilte. Pennen krasten op notitieblokjes. Hij lachte er sluw bij, de oude vos. Daar moest ik het mee doen. (Bob Dylan zei ‘sir’ tegen mij!)

De Oostenrijker, de Fransman, de Noor en acht anderen stelden hun vragen bij toerbeurt. Het gesprek vloog alle kanten op. Dylan sprak geanimeerd over zijn liefde voor de blues en Charley Patton, zijn schatplichtigheid aan Woody Guthrie, het veranderde timbre van zijn stem en de onverschrokkenheid waarmee hij en zijn muzikanten een nieuw nummer in de studio te lijf gingen. De dood van zijn moeder, een jaar eerder, en de gedachte aan zijn eigen sterfelijkheid brachten hem tot een onwrikbare levenswijsheid: „Wat ons als mensen samenbindt is dat we allemaal ooit doodgaan.” Wederom driftig gekras van pennen in de Italiaanse hotelsuite.

Ik weet niet of ik thuishoor in het gezelschap van Ernest Hemingway en John Steinbeck

Bob Dylan

Na de bijna-aanvaring met de Portugees hield Dylan een pauze. Een Italiaanse ober bracht een dienblad met twee cappuccino’s naar het kamertje waar de levende legende zich afzonderde met de stapel elpees die hem door de aanwezigen ter signering was voorgelegd. Iedereen wilde natuurlijk een souvenir van deze middag. Al was het alleen maar om thuis te bewijzen dat we de enige echte Bob Dylan hadden ontmoet.

Na een kwartier kwam Dylan met hernieuwde scherpte terug voor de tweede ronde. Volgde hij de discussie rondom het gerucht dat hij in aanmerking zou komen voor de Nobelprijs voor de literatuur?

Hij gromde. „Ik heb er iets over gehoord. Het zou me in dezelfde categorie plaatsen als Ernest Hemingway en John Steinbeck. Ik weet niet of ik in dat gezelschap thuishoor.” (Het zou tot 2016 duren voordat Dylan de Nobelprijs daadwerkelijk kreeg).

Na een klein college over het verschil tussen geschreven poëzie en gezongen popteksten nam het gesprek een curieuze wending. Wat vond hij van de religieuze bewondering die hardcore fans voor hem koesteren?

„Als er sprake is van een religie, welke offers brengen ze dan? Offeren ze elkaar? In dat geval zou ik graag eens bij zo’n religieuze bijeenkomst aanwezig willen zijn.”

Veel vragen bleven in de lucht hangen. Na een lang en technisch relaas over de manier waarop hij zijn platen opneemt, staat Dylan plotseling op. Het is mooi geweest. De Oostenrijker mag nog even met hem op de foto. Terwijl hij de kamer uit loopt mompelt His Bobness: „Zo, dan ga ik nu het Colosseum bezoeken.”

Bob Dylan heeft het hotel al lang en breed verlaten als de berg elpees wordt teruggebracht uit de kamer van zijn cappuccinopauze. Op elke hoes heeft hij, met een dikke zwarte viltstift, een kruisje gezet.