Recensie

Recensie Beeldende kunst

Slavernijtentoonstelling Rijksmuseum: veelzijdig, verhalend en indrukwekkend

Tentoonstelling Het Rijksmuseum wacht de opening van musea niet langer af. Dinsdag opent koning Willem-Alexander de langverwachte tentoonstelling over de slavernijgeschiedenis. Die is uniek in veelzijdigheid, en maakt indruk door de verhalen eromheen.

Jacob Coeman, Surapati en een tot slaaf gemaakte bediende naast de familie Cnoll, 1665 (Rijksmuseum).
Jacob Coeman, Surapati en een tot slaaf gemaakte bediende naast de familie Cnoll, 1665 (Rijksmuseum). Foto Carola van Wijk / Rijksmuseum

Een recensie over Slavernij, de prachtige, vernieuwende en waarschijnlijk belangrijkste tentoonstelling van dit jaar, zou met een paar voor de hand liggende opmerkingen kunnen worden ingeleid. Dan krijg je bijvoorbeeld: ‘Het Rijksmuseum werpt nieuw licht op een donkere bladzijde uit onze geschiedenis’, ‘Tentoonstelling toont de wereldwijde impact van het Nederlandse kolonialisme’ of ‘Expositie laat een rijke schakering van verhalen over zwart verzet zien’. Deze constateringen zijn allemaal van toepassing, maar ze beschrijven geen van alle de trefzekerheid en diepgang waarmee het Rijksmuseum het thema slavernij op de kaart zet.

De tentoonstelling werd in februari 2017 al aangekondigd door het Rijksmuseum. Curatoren Valika Smeulders en Eveline Sint Nicolaas beschrijven in de bijbehorende catalogus een intensief traject van vier jaar met „een verdieping in een sociale geschiedenis die vanuit het museum nog maar weinig is bestudeerd, maar die daarbuiten voor velen een levend verleden is.” Er werden nieuwe medewerkers aangenomen, er vond uitgebreid overleg plaats met binnen en buitenlandse experts met uiteenlopende specialisaties binnen de slavernijgeschiedenis, met verschillende bruikleengevers en kunstenaars, en er werd een denktank opgericht. „Tijdens een bijeenkomst over de tentoonstelling werd het Rijksmuseum een tempel van koloniale zelfoverschatting genoemd.”

Toegeschreven aan Jean Saint, Doos van de West-Indische Compagnie, 1749 (Rijksmuseum)

Foto Rene den Engelsman / Rijksmuseum

De kritiek op het instituut werd meegenomen in het tentoonstellingsontwerp, dat verwijst naar de rol van architectuur in het slavernijsysteem. In de eerste zalen zijn de wanden donker en voelt de ruimte benauwend, een referentie naar een scheepsruim of een gevangenis. Naarmate de tentoonstelling vordert worden de ruimtes groter, de kleuren lichter en vallen de spiegels op. „Het gebruik van spiegels beïnvloedt wat de bezoeker wel of niet meteen ziet, waarmee verwezen wordt naar de onzichtbaarheid van slavernij in de beleving van mensen, zowel toen als nu”, duidt de catalogus de inrichting van de tentoonstelling.

Lees ook: Geef ons een breder perspectief op het slavernijverleden

Voetboei

De Slavernij-tentoonstelling in het huis van de Nederlandse meesters leidde tot verdere introspectie, objecten uit de vaste collectie werden aangevuld met noodzakelijke context. Lang werd gedacht dat er in het Rijksmuseum geen collectie beschikbaar was om het verhaal van de slavernij te vertellen. Dat was reden om samen te werken met curatoren buiten Nederland.

De introspectie en de samenwerking zijn een succes, en plaatst delen van de vaste collectie in een breder perspectief. Het is dan ook op ingenieuze wijze gelukt om achter de suikertrechters, kralen, serviezen en regenteske schilderijen persoonlijke verhalen te vertellen over het geweld en de internationale dynamiek ten tijde van de slavernij. Zo legt het museum in een paar korte zinnen in de begeleidende tentoonstellingstekst uit dat het systeem alleen kon bestaan door gebruik van extreem geweld en het diepe gevoel van minderwaardigheid dat mensen in slavernij dagelijks werd ingeprent. Dit wordt geïllustreerd met een in Zeeland gevonden object, de tronco, een voetboei waarin meerdere slaafgemaakten werden vastgezet zodat ze niet konden vluchten.

Ook het beleid om systematisch de door de ouders gegeven naam van de slaafgemaakten te ontnemen, zoals bij het meisje dat aan de VOC werd verkocht in het zuidoosten van India en de naam China kreeg opgelegd, is een voorbeeld van de ontmenselijking die slavernij mogelijk maakte. Ze eindigde 8.000 kilometer verwijderd van haar geboorteplaats op een Zuid-Afrikaanse wijnboerderij. Wie de naam geeft, heeft de macht – dat hadden de slavenhouders goed begrepen.

De meerwaarde van deze expositie zijn de verhalen van zwart verzet, ontheemding en de muziek van de slaafgemaakten

Lees ook: Muziek is nog altijd een strijdmiddel tegen onderdrukking

De verhalen op de expositie spreken voor zich. Tien uiteenlopende historische figuren, slaafgemaakten afkomstig uit Afrika en Azië, Nederlandse slavenhouders en plantagebezitters, zijn de spil van de tentoonstelling. Bij de ingang hangen ijzeren Nederlandse luidklokken die op plantages en boerderijen in Indonesië, Zuid Afrika, Kaapstad, Suriname, Curaçao en Guyana het begin en het einde van de werkdag aankondigden. De te verwachten administratie uit de slavernijtijd, zoals het dagregister op slavenschip de Coninck Salomon uit 1686 (54 tot slaafgemaakten overleefden de overtocht niet), het ondertrouwboek van de bediende Paulus die toetrad tot de lijfgarde van stadhouder Willem III en andere geschreven bronnen zijn een onderdeel van de geschiedenis en worden natuurlijk getoond. De meerwaarde van deze tentoonstelling zijn de doorlopende verhalen van zwart verzet, ontheemding en de muziek van de slaafgemaakten, die meestal mondeling werden overgedragen in een systeem waarbinnen bezit en schrijven grotendeels verboden was.

Hedendaagse kunst maakt de ontheemding van slavernij ook nu invoelbaar, hier op de foto: Romuald Hazoumè, La Bouche du Roi (De mond van de koning), 1997–2005 (British Museum, Londen).

Foto Rijksmuseum

Opstanden

Zo is er het indrukwekkende verhaal van João Mina. Hij werd verhandeld in Fort Elmina en kwam terecht op een suikerplantage in Portugees Brazilië. Hij vluchtte in 1646 naar het Nederlandse deel van de kolonie, zijn kennis hielp de Nederlanders in de oorlog tegen Portugal. Afrikaanse vorsten werden meegesleept in het Europese conflict. De Congoleze koning Garcia II handelde ook in slaafgemaakte mensen en werkte samen met de Nederlanders tegen Portugal.

Dirk Valkenburg, Plantage van Jonas Witsen, waarschijnlijk Palemenribo, 1707 (Rijksmuseum).

Foto Rijksmuseum

Aangrijpend is ook het verhaal van Wally, verteld op de audiotour door voormalige wereldkampioen boksen Remy Bonjasky, wiens voorouders op dezelfde Surinaamse plantage werkte in slavernij. De Amsterdammer Jonas Witsen erfde op zijn 25ste drie plantages en stuurde vanuit Nederland aan op een aanscherping van het regime om meer winst te maken. Wally vluchtte daarop naar het bos, overleefde vijf dagen maar werd daarna gevangengezet en levend verbrand. In het verhoor krijgt de slaafgemaakte, weliswaar vanuit zijn executeurs opgetekend, een stem: „Ons nieuwe meester is rijk genoeg, gij lieden hoeft soo stijf niet te werken.” Ondanks zijn gruwelijke einde vertelt Bojansky over de inspiratie die hij uit Wally’s poging om zijn lot te veranderen heeft gehaald.

Er zijn meer voorbeelden van opstanden die nazaten door de generaties heen geïnspireerd hebben, zoals de verhalen van Sapali, Lokhay, Tula, Toussaint Louverture en Surapati. Laatstgenoemde wordt tot op de dag van vandaag in Indonesië geroemd om zijn strijd tegen de Nederlanders.

Om de urgentie van het verleden te benadrukken, koppelde het Rijksmuseum moderne kunstwerken aan de slavernijgeschiedenis, waardoor de ontheemding van toen nu nog steeds voelbaar is.