‘Ridicule’ nekt films in Cannes

Te onverschillig Boegeroep, een fluitconcert: het hoeft niet fataal te zijn in Cannes. Maar aardige films smoren er in onverschilligheid en mislukkingen worden wreed weggehoond, zoals Sean Penns ‘The Last Face’.

Charlize Theron en Javier Bardem in het in Cannes weggehoonde The Last Face, een film van Sean Penn.
Charlize Theron en Javier Bardem in het in Cannes weggehoonde The Last Face, een film van Sean Penn. Foto EPA, bewerking NRC

Binnenkort maakt Cannes zijn filmcompetities bekend. Filmmakers kijken met zweet in de palmen uit naar het belangrijkste filmfestival ter wereld. Daar wil je op de rode loper, maar je weet dat de wrede badplaats je film kan neersabelen, plat stampen, in reepjes scheuren en cremeren. In Cannes hoef je niet in de prijzen te vallen; het draait om buzz, het opgewonden gezoem dat jouw film de moeite waard is. Dan volgt een mondiale zegetocht, maar de lat ligt hoog, de filmpers is bloeddorstig en talloze best aardige films vonden in Cannes al een vroegtijdig graf.

Boegeroep, een striemend fluitconcert: dat hoeft niet fataal te zijn. Het saai en pretentieus geachte L’Avventura van Antonioni oogstte in 1960 beide. De regisseur was in tranen, tot een dag later een groep smaakmakers zijn film in een open brief ‘buitengewoon belangrijk’ noemde. L’Avventura won de Juryprijs, Fellini’s bij de Fransen evenmin in de smaak gevallen La dolce vita de Gouden Palm: nog meer boegeroep. Scorseses Taxi Driver werd in 1976 uitgefloten als gewelddadig en nihilistisch, Lars von Triers Antichrist in 2009 als een smaakloze horrorprovocatie. Maar er klonk toen ook ovationeel applaus, en dus werd Antichrist de schandaalhit die je gezien moet hebben.

Onverschilligheid is erger

Op boegeroep én applaus bouwden deugnieten Maurice Pialat, Gaspard Noé en Lars von Trier hun reputatie in Cannes. Als een deel van de zaal je serieus neemt, maak je een kans. Onverschilligheid is veel erger. In mijn jaren zag ik talloze films wegzakken in het drijfzand van mwâ. Maar wat je echt bijblijft, is de wreedheid van het fiasco. Zoals bij The Last Face van acteur-regisseur Sean Penn. Vooraf keek ik naar die film uit. Een hulpverlenersdrama leek riskant, want Penn was wel erg vol van zichzelf en van zijn goede werken, radicale agenda en dubieuze vrienden als Hugo Chavèz. Maar filmen kon hij, zo bewees Into the Wild, een sfeervolle elegie voor een outcast.

In Cannes trakteerde Penn de pers op 20 mei 2016 op een vermakelijke ochtend. Lachsalvo’s golfden door de zaal bij de huilerige romance van hulpverlener Charlize Theron, Penns ex, en crisisarts Javier Bardem tussen de Afrikaanse brandhaarden. Gefolterde, anonieme zwarte lijven – een stomende taart van vliegen en lichaamsdelen in Liberia – bleken een soort afrodisiacum voor witte redders die plechtig elkaars offerzin prezen. Acteur Jean Reno kreeg de lachers op zijn hand met: „Dit is geen grabbelen, dit is beminnen.” De strofe „ze hebben alles bij haar verwoest, van anus tot vagina, maar ze dánst weer” bracht de zaal in een rolstuip.

Hoe gaat zo’n film in de 21ste eeuw ten gronde in Cannes? Na, vaak al tijdens, de persvoorstelling ontstaat er een woeste Twitterstorm, dan volgen verzengende kritieken in de vakbladen, een gênante persconferentie met de film als olifant in de kamer en een gedoemde galavoorstelling. De dag wordt een kruisgang, Sean Penn oogde die avond op de rode loper als een eeuwenoude eik. In Nederland verdween The Last Face stilletjes naar vod en dvd.

Kitsch

In 2015 werd de potsierlijke kitsch van Gus van Sants The Sea of Trees net zo hardhandig gevloerd. Daarin trok Matthew McConaughey als weduwnaar naar het Japanse zelfmoordbos Aokigahara om er een eind aan te maken, onderweg driftig flashbackend over zijn dode eega Naomi Watts die hij honds behandelde. In het bos treft hij een gewonde Japanse ‘salary man’ (Ken Watanabe) en hervindt via hem zijn levenslust, hetgeen wordt bezegeld met een symbolische wedergeboorte als een modderlawine McConaughey door een wortelstelsel perst. Bij de idiote onthulling – SPOILER! – dat Watanabe het spook van de dode Naomi Watt was, gierde de zaal van het lachen.

Het werd me helder: niet boegeroep, maar ‘ridicule’ nekt een film in Cannes. Smadelijk lachen; de vermoeide, slapeloze filmpers doet dat bijzonder wreed. Naomi Watts vroeg zich na The Sea of Trees beduusd af of dat wel mocht, zo gemeen zijn. Dat werd dan weer opgevat als een oproep tot censuur. Maar ook Cannes’ golden boy Xavier Dolan hoorde ik een jaar later in een strandtent foeteren over verwilderde zeden. Harde kritiek hoort bij Cannes, aldus Dolan, maar Twitter had een race naar de bodem ontketend. Wie boort een film als eerste de grond in met de snedigste oneliner? Directeur Thierry Frémaux van Cannes bleek gevoelig, en sinds 2018 gelden nieuwe regels. Er zijn embargo’s: de filmpers ziet de film nu niet voor, maar tijdens of na de galavoorstelling en mag pas na afloop twitteren. Dat voorkomt pruillipjes op de rode loper, al volgen die nare tweets en kritieken natuurlijk alsnog. In Cannes kan je film nog altijd in één dag sterven, maar het is een mildere dood nu.