Opinie

Songfestival is viering van diversiteit en gekkigheid

Eurovisie Songfestival

Commentaar

Het Eurovisie Songfestival staat niet bekend om de kwaliteit van de inzendingen. Sterker, de enige vereisten zijn dat het om een nieuw, niet eerder uitgebracht liedje moet gaan en dat het nummer niet politiek getint is. Zuiverheid van zang of muzikale finesse maakt niet uit, gebrek daaraan evenmin.

Toch is het festival al decennia populair, dinsdag en donderdag zijn de halve finales van de 65ste editie, zaterdag volgt de finale. Het Songfestival trekt publiek, naar de finale keken twee jaar geleden 182 miljoen mensen. Sinds de eerste editie in 1956 zijn steeds meer landen – ook buiten het Europese continent – eraan deel gaan nemen.

De belegen grapjes van presentatoren, de malle danspasjes, de clichématige teksten, de dertien-in-een-dozijn ballades of de soms totale hysterie op het podium zijn slechts één kant van het festival. De bijzonderheid zit hem in de verscheidenheid en verrassing.

Alleen maar gelikte pop dankzij de vele door Zweden geproduceerde nummers, zou saai worden. Alleen maar goede muziek, zou van het Eurovisie Songfestival een gewoon festival maken. Juist optredens waarbij je als kijker je afvraagt wat je nu ziet, maken dit evenement uniek. Want is het kitsch of camp? Echt of ironie? Wie verdient de douze points?

Lees ook het spoorboekje: Dit zijn de 39 nummers van het Songfestival

Nederland komt sinds 2013 met een muziekinhoudelijke act, dit jaar onderstreept door het soulvolle ‘Birth of a New Age’ van Jeangu Macrooy, die zich liet inspireren door Black Lives Matter en zijn Surinaamse afkomst. Dankzij die nadruk op muziek won Duncan Laurence in 2019 met ‘Arcade’ ook voor het eerst in 44 jaar, sinds ‘Ding-a-dong’, het Songfestival voor Nederland.

Lees ook een interview met Jeangu Macrooy: In Suriname waren er geen homoseksuele rolmodellen voor mij

In een Europa waarin eenheidsworst de winkelstraten domineert, is de viering van diversiteit een genot. Waar anders kan het ene jaar een bebaarde drag queen winnen (Oostenrijk, 2014), het andere jaar een feministe met kippengeluiden (Israël, 2018), en daar tussenin een inzending over de deportatie van Krim-Tataren door Rusland in 1944 (Oekraïne, 2016). Wat die ene vereiste – geen politieke nummers – meteen logenstraft.

Zo is het hele festival doordrenkt van – meestal goedmoedig – chauvinisme. Ook al is de jurering meer dan tien jaar geleden aangepast om al te politieke uitslagen te voorkomen, standaard ontstaat gedoe over de steun van bevriende landen aan elkaar. De Scandinavische landen stemmen op elkaar, net als de Balkanlanden. Griekenland en Cyprus doen standaard onderling zaken. Een optimist zal zeggen dat dit komt door een gedeelde cultuur, taal en muzieksmaak.

Daartegenover staan de blokken die nooit op elkaar zullen stemmen, net als politieke gevoeligheden toen het Songfestival in Rusland, Azerbeidzjan of Israël werd gehouden. De Britten beklaagden zich in 2016 dat het Brexit-referendum zich vertaalde in een 24ste plaats (van 26 deelnemers). Ook bij een muziekfestijn uit (oud) zeer zich. Terwijl het festival ooit bedoeld was om „de Europese eenheid te versterken door middel van muziek”.

Feit is dat miljoenen Europeanen, van Albanië tot Zwitserland, tegelijk naar hetzelfde programma zitten te kijken. Zitten te foeteren op, en te genieten van, dezelfde liedjes. Ze staan open voor iets nieuws, voor andere culturen. En dat mag gevierd worden.