Opinie

Nu ‘wettelijk’ vastgelegd: kunst is niet-essentieel

Maxim Februari

Zoals burgers soms denken dat ze een politieke analyse bieden wanneer ze een minister beschimpen, zo denkt een minister soms dat hij aan kunstbeleid doet wanneer hij kunstenaars grieft. Het is een gedeeld misverstand. Gelukkig kunnen we dit misverstand ook prima overslaan bij beantwoording van de vraag hoe kunst opeens als ‘niet essentieel’ in de wet is beland.

Laten we minister De Jonge dan eerst overslaan. Hij heeft vele verdiensten, werkt hard, draagt een zware verantwoordelijkheid en staat vroeg op, maar verstand van kunst heeft hij niet. Dat hoeft ook niet, anders was hij nooit minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport geworden. Om minister te worden, is sowieso een soort nuchtere dadendrang nodig die zich moeilijk laat rijmen met een instinct voor het belangeloze en betekenisvolle.

Het doet er niet toe. Het gaat niet om de ministers en hun persoonlijke affiniteiten. Het gaat erom dat een land niet zonder kunst kan en dat overheid en staat hun overwegingen in dezen op orde moeten hebben. In hoeverre weerspiegelen de woorden van een minister het beleid en hoe zit het met de onderbouwing van dat beleid?

Nadat minister De Jonge vorige week bij de persconferentie zei dat we wel een dag zonder kunst kunnen, ging de pers bij de kunstsector informeren hoe beledigd die was. ‘Directeur Mauritshuis met stomheid geslagen door uitspaak De Jonge over cultuursector’, kopte NPO Radio1. ‘Kunstsector reageert op minister De Jonge: „Wat een minachting”’, kopte Het Parool. ‘Opmerkingen De Jonge waren sneer naar de kunst’, citeerde NRC een cultuureconoom. Oké, genoeg, genoeg. Er is ministeriële minachting en die is beledigend. Maar hoe zit het eigenlijk met de onderliggende argumentatie?

„Trek het je niet persoonlijk aan,” had de minister gezegd over de aanhoudende sluiting van theaters en musea. „We zijn allemaal kunstliefhebbers tot en met. Maar als we een dagje zonder moeten, dan kan dat.” Oppervlakkig gezien had hij natuurlijk gelijk. Er zijn veel dingen waar je wel een dagje, weekje, jaartje zonder kunt. Door gebrek aan onderwijs gaat ook niet iedereen individueel teloor – maar een samenleving gaat wel te gronde als je onderwijs afschaft. Zo is het ook met kunst: niet essentieel voor ieder individu, wel voor de mensheid, het land, de cultuur.

Het gehengel van de pers naar kwetsuren in de kunstwereld was daarom net zo onnozel als de uitspraak van de minister zelf. Is de kunstsector beledigd? Houdt Hugo De Jonge van kunst? Allemaal stof waarvan nieuws wordt gemaakt, maar de opwinding gaat voorbij aan de betekenis van kunst. Net als dat steeds weer opduikende begrip ‘kunstliefhebber’, dat getuigt van een merkwaardig consumentisme. Alsof bij verkiezingen wordt gestemd door politiekliefhebbers. Alsof de kerk vol zit met preekliefhebbers.

Vergeet voor een moment al die persoonlijke liefhebberijen en emoties. We zitten nu namelijk met het levensgrote probleem dat kunst sinds de nieuwe testwet officieel – ‘bij wet’ – tot niet-essentieel is verklaard. Althans volgens de Memorie van Toelichting. „Bij wet zijn sectoren aangewezen die naar maatschappelijke opvattingen voor de deelnemers onderscheidenlijk gebruikers niet van primair belang zijn.” De wet volgt hier een indeling van de Gezondheidsraad in „essentiële sectoren” en „activiteiten en voorzieningen (…) die geacht worden niet essentieel te zijn”.

Er is wel bezwaar gemaakt tegen de indeling, maar dat bezwaar is in de Memorie weggewuifd. „De kwalificatie niet-essentieel betekent niet dat deze sectoren maatschappelijk niet van belang zouden zijn, maar dat het geen primaire voorzieningen betreft die voor eenieder toegankelijk behoren te zijn.” Naar welke maatschappelijke opvattingen hier wordt verwezen, en welke beginselen de mensheid moeten beschermen tegen de heerschappij van zulke maatschappelijke opvattingen: het is een raadsel. Te vrezen valt dat we nu verder moeten leven met de kunstopvattingen en de staatsopvattingen van virologen en de Gezondheidsraad.

De virologen hebben daarmee niet alleen voorgoed bepaald onder welke omstandigheden minister De Jonge en wij een museum in mogen. Ze hebben opeens ook bepaald dat het niet van primair belang is te spelen, iets te beleven en te ervaren, gezamenlijk naar betekenis te zoeken, als verveelde puber onder protest in een theaterzaal te zitten, de voorstelling te haten en zo je persoonlijkheid soeverein vorm te geven.

Dat gebouwen tijdelijk dicht zijn is al erg genoeg. Maar als wetgever een aantal sectoren ‘niet-essentieel’ verklaren, is gevaarlijk: die terminologie is blijvend. Het belangeloze en betekenisvolle zal er in de toekomst alleen maar last van krijgen.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.