Reportage

Ook mijn familie uit Jaffa werd verdreven, in mei 1948

Palestijnse familie De biologische vader van NRC-journalist Nina Jurna, zo wees een dna-test uit, is een Palestijn uit Jaffa. Jurna kreeg er een hele familie bij, die ze opzocht in 2019. In deze week van geweld haalt ze herinneringen op – van de Nakba van 15 mei ’48 tot de wanhoop nu.

Luchtfoto uit april van havenstad Jaffa, vlakbij Tel Aviv. De familie aan vaderskant van NRC-journalist Nina Jurna komt er vandaan, juweliersfamilie El Hreish. Ze bezocht de stad in 2019.
Luchtfoto uit april van havenstad Jaffa, vlakbij Tel Aviv. De familie aan vaderskant van NRC-journalist Nina Jurna komt er vandaan, juweliersfamilie El Hreish. Ze bezocht de stad in 2019. Foto Menahem Kahana/AFP

Mijn nicht Hanan (42) laat me vanaf haar balkon in Ramallah telefonisch meeluisteren naar het lawaai buiten. Er klinkt geschreeuw en in de verte geknal. „Iedere dag wordt de situatie erger’’. Ze zucht heel diep. Ver weg, in mijn woonplaats Rio de Janeiro, maak ik me grote zorgen en bel en app ik met familieleden.

„Weet je nog dat we in de Heilige Grafkerk waren tijdens je reis?”, vraagt nicht Luna (47) uit Jeruzalem als ze me via Facetime bijpraat. Laatst tijdens het Grieks-Orthodoxe paasfeest, zo vertelt ze, werd ze samen met andere Palestijnse christenen hardhandig door Israëlische militairen van de heilige plek, waar het graf van Jezus zou zijn, verdreven. „Ze hadden blokkades opgezet om de toegang te verhinderen en we werden fysiek aangevallen.” Ze stuurt filmpjes en foto’s per Whatsapp. „Het loopt nu overal uit de hand met zoveel aanvallen, lynchpartijen en doden. We proberen ons veilig te houden.” Op de achtergrond in haar kamer herken ik de miniatuur van het beroemde Christusbeeld dat ik vanuit Rio voor haar heb meegenomen.

Een completer mens

Een dna-test gaf de definitieve zekerheid over mijn biologische vader: met de komst van Samir El Hreish en een hele Palestijnse familie in mijn leven, werd mijn familiesamenstelling ingewikkelder. Maar ik voelde me ook een completer mens en dat zou ik tijdens onze reis in de zomer van 2019 nog sterker ervaren.

„Als ik deze route neem, ontwijk ik de checkpoints’’ zegt Luna, en ze bestuurt behendig het grijze passagiersbusje. We zijn na een lange vliegreis aangekomen op de luchthaven van Tel Aviv en ze is de enige van de familie die ons daar kan ophalen omdat de rest op de bezette Westelijke Jordaanoever woont en niet naar Israël mag. Tenzij ze een speciale reisvergunning hebben. Luna is getrouwd met een Palestijnse ondernemer, ze woont in Jeruzalem en heeft een zogeheten ‘Jeruzalem ID’: een speciale verblijfsvergunning waardoor ze door heel Israël en de Westbank kan reizen. In het dagelijks leven betekent het dat ze de meeste bewegingsvrijheid heeft van alle familieleden.

Foto van Nina Jurna’s reis in 2019. Met nicht Hanan (r).
Foto privécollectie
Met haar kinderen, biologische vader (midden) en stiefmoeder (r).
Foto privécollectie
Foto links: Nina Jurna met nicht Hanan (r)
Foto rechts: met haar kinderen, biologische vader (midden) en zijn vrouw (r).

Foto’s privecollectie

We zitten in het busje met mijn biologische vader Samir (73) die al meer dan vijftig jaar in Nederland woont, en zijn vrouw Suzanne (70) die de Arabische taal heeft leren spreken en lezen. Ook mijn twee kinderen en Luna’s zoon Simon, die studeert aan de Hebrew University in Jeruzalem, zijn erbij. „Zie je het verschil?”, vraagt Samir ons. „Verderop was de weg nog glad met goede straatlampen, nu gaan we het bezette gebied in en hier wordt het wegdek slechter, vol scheuren en gaten. Straatverlichting is hier nauwelijks.”

Als we een half uur later het bloedhete Ramallah binnenrijden, een moderne stad met zandgele gebouwen en een Arabische sfeer, worden we warm onthaald door ammo (oom) Peter, de oudste broer van Samir. De glazen met arak (anijsdrank) worden gevuld en we eten kidreh, een heerlijk feestmaal van rijst met kikkererwten, lamsvlees, salade en yoghurtsaus. Ik voel me welkom en thuis.

Bruisende stad

„Toen ik klein was, bracht mijn moeder ons hier naar toe en dan wees ze naar de lichtjes’’, zegt Samir als we op een avond onder een heldere sterrenhemel staan aan de rand van Ramallah. Hij tuurt zwijgend de verte in. „Daar ligt Jaffa. ‘Daar komen we vandaan, en ooit gaan we weer terug’, zei ze dan.” Jaffa is nu een klein havenstadje bij het hippe Tel Aviv. Maar toen Samir er in 1946 werd geboren, was Jaffa een belangrijke handelsstad in het historische Palestina. Een bruisende en culturele stad aan de Middellandse Zee waar alle grote kranten uit die tijd waren gevestigd. Hier woonde van generatie op generatie de juweliersfamilie El Hreish, uit een oud christelijk geslacht. „We waren een vooraanstaande familie in Jaffa, met een eigen wijk die onze naam droeg: ‘Saknet El Hreish’, buurtschap El Hreish’’, vertelt Samir. Op de computer laat hij een oude, gedigitaliseerde stadskaart zien waar de wijk op staat, van voor 1948. Grenzend aan Saknet El Hreish lag de Armeense begraafplaats.

Ieder jaar herdenken ze op 15 mei de verwoesting van meer dan vijfhonderd Palestijnse dorpen, naar schatting 14.000 doden en de verdrijving van zo’n 750.000 oorspronkelijke inwoners van Palestina

Een schilderij in het souterrain van het Dar Zahran museum in Ramallah raakt me. Het toont de gebeurtenissen van 15 mei, 1948, wanneer ten tijde van stichting van de staat Israël de Arabisch-Israëlische oorlog tot een climax komt. De stad Jaffa wordt als laatste ingenomen door zionistische milities. „Zo zal het ongeveer geweest zijn’’, zegt Samir. Samen met Suzanne tuurt hij naar de hulpeloze mensen op het kunstwerk die door de golven de Middellandse Zee in rennen.

De Palestijnen noemen het de Nakba, de ramp of catastrofe. Ieder jaar herdenken ze op 15 mei de verwoesting van meer dan vijfhonderd Palestijnse dorpen, naar schatting 14.000 doden en de verdrijving van zo’n 750.000 oorspronkelijke inwoners van Palestina. Samir en zijn familie werden ook verjaagd uit Jaffa. Als eerste vluchtte zijn vader met drie kleine kinderen – Samir was 2 jaar oud. Uiteindelijk zal uit Jaffa meer dan 90 procent van de ruim honderdduizend niet-Joodse inwoners wegvluchten.

Familiehuis

We hebben het plan opgevat met de hele familie naar Jaffa te gaan, op zoek naar het vroegere familiehuis. „Het was een huis aan zee, zei mijn moeder altijd”, vertelt Samir. Een soort mini-reünie moet het worden, op de geboortegrond van de Hreish-familie. Mijn nicht Hanan en haar dochter Suad (16) dienen bij de Israëlische autoriteiten een visumverzoek in. „Een religieuze feestdag als reden opgeven kan helpen bij het verkrijgen van toestemming, en binnenkort is het Maria Hemelvaart”, zegt Hanan, terwijl ze haar aanvraag invult. Als ze de Westelijke Jordaanoever verlaat, zal ze niet alleen een visum nodig hebben, maar moet ze ook langs de checkpoints, waar vernederingen op de loer liggen. Eens kreeg Hanan bij zo’n controlepost de opdracht zich uit te kleden, vertelt ze, voor het oog van Israëlische militairen. En ammo Peter moest een keer urenlang zonder water in de bloedhete zon in de rij staan. Toen hij dreigde flauw te vallen, lachten Israëlische soldaten hem uit.

Foto van Nina Jurna’s reis in 2019. Foto privécollectie

Onze checkpoint-ervaring krijgen mijn dochter en ik als we op een dag met de bus naar Jeruzalem gaan. Voor checkpoint Qalandia stappen twee zwaar bewapende Israëlische militairen de bus in. Eén van hen, een jonge blonde vrouwelijke militair, bestudeert de papieren van een oudere Palestijnse vrouw. Die zijn blijkbaar niet in orde. De vrouwelijke militair pakt de vrouw stevig bij de arm en sommeert haar de bus uit te gaan. Als dezelfde vrouwelijke militair even later bij ons komt en onze Nederlandse paspoorten bestudeerd, verschijnt er een glimlach. „En van welke plaats in Nederland komen jullie?” vraagt ze in Nederlands met een licht Haags accent. Verbijsterd kijken mijn dochter en ik elkaar aan.

Met de airco op de hoogste stand rijden we op het heetst van de dag naar Jaffa. Hanan heeft op de valreep een visum gekregen om mee te gaan, maar het visum voor haar dochter Suad, dat ze gelijktijdig had aangevraagd, is afgewezen. „Ze letten op leeftijd, jongeren krijgen minder makkelijk een visum”, zegt mijn nicht. Israël schat de kans hoger in dat jongeren een aanslag plegen. Mijn kinderen zijn teleurgesteld en begrijpen het niet. „Ons nichtje heeft toch niets misdaan?”, vraagt mijn zoon.

Jaffa heeft nog een prachtig historisch stadsdeel aan de haven. We bezoeken de honderd jaar oude El-Kamal-drogisterij van Yousef Geday (38), die de inrichting precies zo heeft gelaten als in de tijd van zijn voorouders. Yousef kent de geschiedenis van de vroegere Palestijnse families uit Jaffa van voor ’48, ook van de familie Hreish. Hij kan zelfs aan onze stamboom komen, die teruggaat tot de zeventiende eeuw.

Op het punt te bevallen

De zon gaat bijna onder als we de wijk Al-Ajami in wandelen, een gemengde buurt tegenwoordig, Arabisch en Joods. Hier zou het ouderlijk huis moeten staan. De deal was, zo vertelt Samir terwijl hij rondkijkt of hij het huis ziet, dat zijn vader eerst zou vluchten met de drie zoontjes. „Hij zette ons in een open truck met wat spullen, en zo zijn we Jaffa ontvlucht.” Zijn moeder, die op het punt stond te bevallen, bleef achter met haar moeder en de vroedvrouw. De truck zou een dag later weer komen om haar op te halen. „Mijn jongste broer Jack is midden in het oorlogsgeweld geboren en twaalf uur later zijn mijn moeder en oma met hem gevlucht naar het christelijke dorp Jifna waar de rest zich had gevestigd. Twee jaar later zijn we naar Ramallah verhuisd.”

In de verte, nu het bijna schemer wordt, vormen de golven van de Middellandse Zee donkere contouren. „Hier was het”. Met zijn hand strijkt Samir langs wat stenen en een hekwerk. Meer is er niet over van het huis. Buurtbewoners kijken nieuwsgierig onze richting uit terwijl ze hun vuil weggooien. De kinderen maken foto’s. Ik bestudeer de buurt om een beeld te krijgen hoe het ouderlijk huis van mijn biologische vader eruit moet hebben gezien.

Mijn jongste broer is in het oorlogsgeweld geboren

Samir El Hreish biologische vader van Nina Jurna

Het huis is weliswaar afgebroken, maar de grond staat nog op naam van Samirs opa, ontdekken we in een kadaster. Maar de familie Hreish, die inmiddels al generaties op de bezette Westelijke Jordaanoever woont, kan niets claimen vanwege de Israëlische wetgeving. Er ligt een VN-resolutie die bepaalt dat de mensen die in 1948 verjaagd zijn bij de oprichting van Israël het recht hebben op terugkeer, maar tot op de dag van vandaag is die nooit uitgevoerd. De pijn over de Nakba zit nog diep, merk ik tijdens deze reis. Bij schoonheidsspecialiste Najwa bijvoorbeeld, zij is nazaat van gevluchte Nakba-slachtoffers. „Mijn ouders zijn verjaagd uit ons land en nu leven wij in een bezet gebied tussen een groeiend aantal nederzettingen en kolonisten die ons intimideren”, zegt ze. Ik zie wanhoop in haar ogen.

Nu het geweld de afgelopen week zo escaleert, maakt Luna zich grote zorgen. De dreigende huisuitzettingen in Oost-Jeruzalem, een van de aanleidingen van de huidige onrust, zijn voor haar de zoveelste herhaling van wat er in 1948 gebeurde: als Palestijn is je plek nooit zeker. „En zolang de wereld wegkijkt zijn wij op onszelf aangewezen”, zegt ze.

En Samir? Bij elk bezoek ziet hij de situatie verslechteren. Hij wil het liefst niet meer gaan. „Maar deze reis was voor jou, zodat jij kon zien waar een deel van je roots liggen.”