Oerknal: dat is pas klare taal

Essay Nederlandse woorden voor wetenschappelijke begrippen verdwijnen langzaam. Jammer: achter een woord als planetoïde gaat een hele denkwereld verscholen.

Illustratie Martien ter Veen

Au! Dat dacht ik toen mijn oog viel op het woord ‘asteroïde’ in de Nederlandse vertaling van een Amerikaanse boek over natuurkunde en kosmologie. Niets ten nadele van de vertaler, en ook niet van de uitgever die de vertaling expres door een fysicus liet nalezen. Trouwens, genoeg mensen zullen zich afvragen waar ik me druk over maak. Maar ik hou van het (eerste) Nederlandse woord voor wat Engelstaligen een asteroid noemen: planetoïde.

Die Nederlandse variant beschrijft de rotsblokken die in een baan rond de zon zwerven veel beter. Een grote zwerm ervan vind je tussen Mars en Jupiter, waar zwaartekrachtseffecten van andere planeten waarschijnlijk hebben voorkomen dat ze samenklonterden tot nóg een planeet. Het gaat dus om een soort grondstof van planeten, en juist dat maakt ‘planetoïde’ passender dan ‘asteroïde’, dat is afgeleid van het Griekse aster – ‘ster’. Stukjes ster zijn het niet.

Helaas, de kans dat de Engelstaligen van ‘planetoids’ gaan spreken is oneindig veel kleiner dan de kans dat wij het hier binnenkort louter nog over asteroïdes hebben. Taal is nu eenmaal flexibel, en absorbeert woorden, ideeën en concepten of schudt ze juist af. Op zich fantastisch, natuurlijk. Het zou potsierlijk én onmogelijk zijn om te proberen onze wereld met piepschuim, mobieltjes, mRNA-vaccins, computers, kunstmatige intelligentie en klimaatcrisis te beschrijven met een negentiende-eeuws vocabulaire. Wat je er bij die flexibiliteit alleen vanzelf bij krijgt zijn de sporen van een andere, dominante taal.

Tegenwoordig is die dominante taal het Engels, zeker in het onderzoek, en dat vergroot de kans op Engelse leenwoorden en op anglicismen voor nieuwe fysische, chemische en biologische begrippen. En misschien drukt het ook oudere Nederlandse woorden zoals ‘planetoïde’ naar de achtergrond. Dat zoiets een beetje pijn kan doen komt, denk ik, doordat achter zulke woorden soms een denkwereld verscholen gaat.

Wereldbeeld

Nog een voorbeeld: ‘aangeslagen toestand’. In het Engels heet dat begrip uit de quantummechanica een ‘excited state’, wat bij argeloos vertalen misschien een ‘geprikkelde toestand’ oplevert. Het gaat om de toestand van een elektron dat in een atoom om de positief geladen atoomkern beweegt. Zo’n elektron heeft de keuze uit een beperkt aantal nauw omschreven banen. De dichtst bij de kern gelegen baan is daarbij favoriet, omdat het wegens de aantrekkingskracht van de positief geladen kern energie kost om op grotere afstand te blijven. Komt een elektron na absorptie van een precies afgemeten energiepakketje toch in zo’n verder weg gelegen baan terecht, dan is het in een ‘excited state’ beland, oftewel een aangeslagen toestand.

Waarom is dat ‘aangeslagen’ mooi? Omdat het doet denken aan het aanslaan van een snaar of stemvork en daarmee aan grondtonen en de bijbehorende boventonen. Net zo horen de grondtoestand (dichtbij de kern) en de aangeslagen toestanden (verder weg) bij elkaar. De vergelijking is zelfs nòg mooier als je het elektron als een golf opvat die bij hogere energie een hogere frequentie heeft – zoals in de quantummechanica het geval is. Laten we dus hopen dat de aangeslagen toestanden lang bij ons blijven.

Quarks

Het vocabulaire van mijn eigen vak, de deeltjesfysica, overlapt trouwens voor een groot deel in vele talen. Hooguit verschillen de meervoudsvormen van elkaar: hadrons in plaats van hadronen, protons en neutrons in plaats van protonen en neutronen. Misschien speelt mee dat het vak vrij jong is, net als de kernfysica waaruit het is voortgekomen, en dat het vanaf het begin heel internationaal werd bedreven. Maar belangrijker is waarschijnlijk dat het bij elementaire deeltjes vaak om namen gaat, en die worden meestal van de ene in de andere taal overgenomen. Dus hebben we het overal over ‘up-’ en ‘down’-quarks (gemunt door de Israëlische fysicus Haim Harari), over ‘strange-’ en ‘charm’-quarks en over het ‘top’-quark. Alleen over het bottom-quark zijn fysici het niet eens: sommige hangen aan de naam ‘beauty’ die het bijna tegelijk kreeg. En omdat in formules de eerste letter van de quark-namen wordt gebruikt en dus een ‘b’ is voor bottom én beauty, zullen de beauty-aanhangers dat nog lang kunnen volhouden.

‘Quark’ zelf komt uit een strofe in James Joyce’s Finnegans Wake: ‘Three quarks for Muster Mark! - Sure he has not got much of a barkAnd sure he has it’s all beside the mark’. Fysicus en Nobelprijswinnaar Murray Gell-Man plakte het ‘quarks’ uit deze zinnen op de intrigerende, in drie paren voorkomende deeltjes die hij bestudeerde. Hij vond overigens wél dat quark uitgesproken moest worden als ‘quork’.

Twee deeltjes, tot slot, zijn vernoemd naar hun bedenker: het Higgsdeeltje en het nog niet ontdekte Majorana-deeltje. Misschien gebeurde dat in het geval van de Higgs doordat er intussen zoveel deeltjes waren gevonden dat ze samen met een dierentuin werden vergeleken – en dier- of andere soorten mag je gewoon vernoemen. In de scheikunde gebeurt dat ook: neem het element Polonium waarmee ontdekker Marie Sklodowska haar moederland eerde.

Oerknal

Maar: veruit de meeste natuurwetenschappelijke woorden borrelen spontaner op, tijdens lezingen, colleges en discussies. Vaak levert dat iets zakelijks op of jargon, en soms, als vanzelf, een pakkende term. Zoals toen een Feynmandiagram op een pinguïn leek – nu het ‘pinguïndiagram’ dus. Of zoals ‘wolkenkamer’, dat heel concreet een type deeltjesdetector beschrijft, maar klinkt als poëzie. Het bezorgde ons vage en houterige termen, zoals ‘donkere energie’ en ‘gentechnologie’, én woorden die alleen al mooi zijn om hun klank en ritme, zoals ‘zwaartekrachtslens’ of ‘quantumverstrengeling’. En bijna steevast borrelden zulke termen eerst in het Engels op, en werden ze pas daarna vertaald.

Bij dat vertalen blijkt opnieuw hoe moeilijk, én leuk, het kan zijn om de achterliggende denkwereld mee te laten klinken of opnieuw op te roepen. Zo zocht de voorlichter van alle Nederlandse astronomen, Marieke Baan, pasgeleden via ‘crowd-sourcing’ (of moet je nu zeggen: massaraadpleging?) naar een treffende vertaling van ‘squeezability’. Uiteindelijk was niemand blij met het resulterende ‘samendrukbaarheid’ om te beschrijven in welke mate je materie in superzware neutronensterren kunt samenpersen. Anderzijds vindt soms iemand een vertaling die mooier is dan het origineel. Zelf vind ik dat bijvoorbeeld van ‘oerknal’ dat astronoom Kees de Jager bedacht als vertaling van het door de Britse astronoom Fred Hoyle gemuntte Big Bang.

Stevin

De Jager stond met dat woord en zijn bijbehorende manier van populariseren in een lange traditie. Zijn promotor, astronoom Marcel Minnaert, die beroemde boeken schreef over ‘De natuurkunde van ’t vrije veld’, hechtte ook veel belang aan goed uitleggen en klare taal. En waarschijnlijk is het niet toevallig dat Minnaert uit Vlaanderen kwam waar lang geleden, in Brugge, de natuurkundige en ingenieur Simon Stevin werd geboren. Aan het einde van de zestiende eeuw, toen Latijn nog de wetenschappelijke voertaal was, was Stevin misschien wel de eerste die een lange rij Nederlandse wetenschappelijke en vooral wiskundige woorden bedacht.

Aan Stevin danken wij onder meer ‘evenredig’, ‘meetkunde’, ‘middellijn’ en ‘noemer’, én de naam ‘wiskunde’ voor het vak dat om ons heen ‘mathematique’, ‘mathematics’ en ‘Mathematik’ heet. In 1586, toen tussen kunst (bekwaamheid, vaardigheid) en kunde (wetenschap en kunde) nog niet zo’n scherp onderscheid werd gemaakt, muntte Stevin het als ‘wiskunst’. Het ‘wis’ daarin betekent ‘zeker’, net zoals in een ‘wisse dood’ of ‘zich vergewissen’. Zo werd ‘wiskunde’, dat op veel plaatsen een vak is voor mensen met mathematikos (leergierigheid, lust tot studie), in Nederland dus het vak waarin je dingen zeker kan weten. Trouwens, filosofie werd bij Stevin wijsbegeerte, terwijl hij voor chemie het woord scheikunde bedacht.

Zou Stevin als hij nu leefde stug vasthouden aan ‘meetgegevens’ en ‘waarnemingen’ in plaats van over ‘data’ en ‘observaties’ te spreken? Zou hij zich ergeren aan computer – een rekenapparaat - of ‘grazen’ zeggen in plaats van ‘googelen’ of ‘browsen’? Het kan natuurlijk ook dat Stevin de Nederlandse termen vooral invoerde om wetenschap te verhelderen voor mensen die niet naar de Latijnse school hadden kunnen of mogen gaan. Dan zou hij tegen spontaan gebruik van leenwoorden vast geen bezwaar hebben, zolang ze maar begrepen worden. En wie weet zou hij zelfs heel tevreden zijn over bijvoorbeeld zwaartekrachtsgolven, neurale netwerken, optische pincetten [een nano-techniek], witte dwergen [uitgedoofde sterren] en de gloed van de oerknal.