Opinie

In de strijd om een woning verzuipt de solidariteit

Woningmarkt De wooncrisis zet burgers tegenover elkaar. Wie komt er in aanmerking voor een sociale huurwoning? Jongeren of ouderen? Starters of statushouders? wil een andere visie op huisvesting.
Foto Frank Hanswijk

Op 8 mei protesteerde actiegroep Niet Te Koop voor de 34ste keer tegen de verkoop van een sociale huurwoning in Amsterdam. Tussen 2011 en 2019 slonk het aandeel corporatiewoningen in die stad van 48 naar 40 procent van de woningvoorraad. Amsterdammers staan zo’n vijftien jaar op de wachtlijst voor een sociale huurwoning.

Ook de gemeente is ongelukkig met de verkoop en kondigde onlangs aan zelf corporatiewoningen te willen opkopen om te voorkomen dat deze in de vrije sector belanden. In heel Nederland verkochten woningcorporaties tussen 2009 en 2020 ruim 236.000 woningen, zo blijkt uit cijfers van het kadaster, vooral aan de zittende huurders of starters, maar sinds 2015 steeds vaker aan beleggers.

Vaak wijzen woningcorporaties naar de verhuurderheffing; deze belasting op sociale huurwoningen werd in 2013 ingevoerd als bezuinigingsmaatregel. Daardoor zouden de corporaties te weinig geld overhouden voor nieuwbouw, onderhoud en verduurzaming.

Het aantal sociale huurwoningen neemt dus af, terwijl de prijs van particuliere huurwoningen toeneemt. Te veel mensen kunnen zich zo’n dure particuliere huurwoning niet veroorloven. Er moet dus iets gebeuren. Zeker, er moet meer woonruimte worden geschapen, door leegstaande gebouwen beter te benutten en waar nodig bij te bouwen.

Maar de wooncrisis vereist meer dan dat; we moeten ook het volkshuisvestingsbeleid drastisch veranderen. Sinds de jaren negentig heeft de overheid het woonbeleid voor een groot deel overgeheveld naar de vrije markt. Dat heeft geleid tot tal van negatieve effecten.

Nu ook starters maar moeilijk een koopwoning kunnen bemachtigen, is er volop aandacht voor investeerders die woningen weg kapen en voor de gevolgen van buy-to-let-constructies (kopen om te verhuren). In 2020 kochten investeerders maar liefst een derde van de woningen in de vier grote steden. Onder hen bevonden zich buitenlandse investeerders. Onder de laatste minister voor Wonen, Stef Blok (VVD), startte het rijk een campagne om buitenlandse investeerders naar onze woningmarkt te lokken. Voor kleine beleggers kan een eigen woning, of een tweede of derde woning om te verhuren, een boterham voor later zijn of een leuk extraatje. Woningen zijn een langtermijninvestering zonder al te grote risico’s.

Ook voor particulieren is een koopwoning een slimme investering. Wie een koophuis bezit, wordt vanzelf rijker, geholpen door de stijgende woningwaarde en het woonbeleid. Want het bezit van een eigen woning wordt niet alleen geïdealiseerd en gestimuleerd maar ook gesubsidieerd.

Met alle gevolgen van dien: de hypotheekrenteaftrek en recent de eenmalige vrijstelling van overdrachtsbelasting, bedoeld om starters te helpen, stuwen zowel de woningprijzen als de hypotheken verder omhoog.

Het overheidsbeleid ter promotie van het eigenwoningbezit heeft volgens sociaal geograaf Barend Wind geleid tot groeiende vermogensongelijkheid. Ook journalist Hans de Geus, die onlangs een boek over de wooncrisis schreef, ziet een ‘tweekastenmaatschappij’ ontstaan. Want de mensen die niet kunnen kopen, komen er steeds bekaaider vanaf. Sociale huurwoningen worden schaarser en huurwoningen op de vrije markt worden duurder. Bovendien worden steeds meer particuliere huurwoningen (vorig jaar bijna de helft) alleen tijdelijk verhuurd, waardoor steeds meer huurders in woononzekerheid verkeren, terwijl verhuurders bij elke nieuwe huurder de huren kunnen verhogen, waardoor particuliere huurwoningen nog onbereikbaarder worden.

De benarde positie van huurders bevestigt dat een huurwoning ‘weggegooid geld’ is, en een huurder dief van de eigen portemonnee.

Lees ook: De prijzen stegen het hardst in wijken die een paar jaar terug nog betaalbaar waren

Bouwen voor de allerarmsten

Ondertussen is huisvesting door woningcorporaties weer een sociaal vangnet geworden, dat door de strengere inkomensregels alleen nog toegankelijk is voor de laagste inkomensgroepen. Dat was niet altijd zo. In 1901 stelde de Woningwet arbeiders in staat om met overheidssteun woningbouwverenigingen op te richten. Al snel moesten gemeenten bijspringen om woningen voor de allerarmsten te bouwen – het begrip ‘volkshuisvesting’ werd geïntroduceerd. Tijdens de wederopbouw en daarna de stadsvernieuwing ontwikkelden de gemeentelijke woningbedrijven zich echter tot de belangrijkste woningbouwers, voor de allerarmsten én voor de middenklasse.

Tijdens de liberaliseringsgolf van de jaren tachtig werd de verantwoordelijkheid voor huisvesting naar de markt geschoven. In 1997 moesten gemeentelijke woningbedrijven verzelfstandigen – voortaan heetten ze woningcorporaties. Woningcorporaties verkochten een deel van hun woningen aan beleggers, waardoor de particuliere huursector groeide. Daarop moest ‘middenhuur’ worden gebouwd, voor mensen die niet in aanmerking komen voor de sociale sector maar ook niet kunnen kopen. Pas in 2013 werd de verhuurdersheffing ingevoerd. Volgens stadsgeograaf Cody Hochstenbach was de verhuurderheffing dan ook geen gewone bezuinigingsmaatregel, maar past ze in een lange trend van liberalisering van de woningmarkt.

Na een reeks financiële schandalen en een parlementaire enquête naar de corporatiesector volgde de herziening van de Woningwet in 2015. Het rijk bedong dat woningcorporaties terug moesten naar hun ‘kerntaak’: het huisvesten van mensen met lage inkomens of mensen die om andere redenen geen woning op de markt vinden.

En zo zijn we honderdtwintig jaar na invoering van de Woningwet in zekere zin weer terug bij af: mensen moeten in principe zelf voor hun huisvesting zorgen, de overheid ontfermt zich alleen over de allerarmsten. Zoals alle sociale voorzieningen, is ook een sociale huurwoning van een recht tot een gunst verworden. Tegelijk is sociale huisvesting voor lage inkomensgroepen synoniem geworden voor sociale problemen. Zo raakt de sector ook gestigmatiseerd.

Minder sociale problemen, meer leefbaarheid

Gelijktijdig met de verzelfstandiging van de corporaties, in de jaren negentig, deed het ‘mengingsideaal’ zijn intrede: buurten met veel sociale huurwoningen werden ‘geherstructureerd’ door een deel van de sociale huurwoningen te verkopen of te slopen en te vervangen door duurdere huur- en koopwoningen, met als doel minder sociale problemen en meer leefbaarheid. Het omgekeerde, sociale woningen bouwen in betere buurten, gebeurde uiteraard niet.

Dat mengingsideaal is niet iets van gisteren. In Rotterdam bijvoorbeeld, worden nog altijd goedkopere woningen gesloopt of gerenoveerd, waarna ze worden opgewaardeerd. Het streven om ‘wijken in balans’ te brengen gaat ten koste van lagere inkomensgroepen.

En dat is niet het enige probleem. Scheefwoners (mensen die te veel verdienen voor een sociale huurwoning) moeten plaatsmaken voor de ‘echte’ doelgroep – ook als zij de hoge particuliere huren niet kunnen betalen. Ouders met een bijstandsuitkering zetten hun volwassen kinderen op straat, uit vrees voor de ‘samenwoonkorting’. Daklozen moeten eerst ‘aan zichzelf’ werken voordat ze een dak boven hun hoofd krijgen. Mensen met lichamelijke beperkingen wonen in voor hen ongeschikte huizen. Sociale huurders moeten verhuizen als een gemeente op hun woonplek duurdere woningen wil bouwen.

Rechtse politieke partijen die medeverantwoordelijk zijn voor de inkrimping van de sociale voorraad, grijpen de woningnood aan om xenofobe standpunten te verkondigen: zij vinden het ‘oneerlijk’ dat statushouders voorrang krijgen op andere woningzoekenden. Het lijkt zijn vruchten af te werpen. Vorige week werd bekend dat het woningcorporaties en gemeenten niet lukt om locaties te vinden voor de bouw van 20.000 flexwoningen, bedoeld voor starters, statushouders en mensen die tijdelijk een dak boven hun hoofd nodig hebben, vanwege verzet uit de samenleving.

De wooncrisis zet burgers tegenover elkaar. Wie heeft het meeste recht op een woning: jongeren, ouderen, starters, particuliere huurders, mensen met beperkingen? De 11.000 statushouders die het komende half jaar moeten worden gehuisvest, de 36.000 daklozen, de naar schatting 250.000 arbeidsmigranten uit Oost- en Zuid-Europa die nu via hun werkgever worden gehuisvest maar die hun woonruimte verliezen zodra ze hun werk kwijtraken?

In Den Haag verzette een buurt zich tegen de huisvesting van zestig dakloze mensen in een leeg verpleeghuis. In Tilburg stapten buurtbewoners naar de rechter om een ‘Polenhotel’ voor 700 arbeidsmigranten tegen te houden.

De strijd om woonruimte ondermijnt de solidariteit.

Lees ook: De hele Kamer is het erover eens: bouwen moet. Maar hoe?

Wonen is een gunst

Hoe zien we huisvesting? Natuurlijk, huisvesting betekent allereerst een fijne plek om te wonen. Maar huisvesting is ook handelswaar, een veilige investering, een boterham voor later. En sociale huisvesting is een gunst, voor hen die echt zelf geen woning kunnen bemachtigen. Maar verwacht geen luxe: de mooiste woningen worden verkocht, nieuwe woningen worden steeds kleiner, op de ‘toplocaties’ hebben projectontwikkelaars het voor het zeggen en zij zien geen business case in betaalbare woningen. Deze dominante beleidsvisies op huisvesting hebben het zicht ontnomen op wat huisvesting in de eerste plaats is: een basisbehoefte.

Om de wooncrisis op te lossen is het niet voldoende om meer woningen te bouwen, al gebeurt het nog zo slim, snel, tijdelijk of tiny. Er moet niet alleen voldoende beschikbare woonruimte zijn, maar ook de betaalbaarheid, kwaliteit en woonzekerheid moeten worden gegarandeerd. Een nieuwe minister voor Wonen helpt niet, als die onze huurwoningen aanprijst als beleggingsobjecten bij internationale investeerders. De terugkeer van een minister van Volkshuisvesting kan een eerste stap naar een oplossing zijn, maar alleen als diens visie op huisvesting fundamenteel wijzigt.

Erken huisvesting als een grondrecht, zei het Europarlement in januari tegen overheden, en beperk de financiële activiteiten die het recht op huisvesting ondermijnen. En laat daarbij geen misverstand bestaan: uitvoering geven aan het recht op wonen vereist niet alleen bescherming tegen de uitwassen van marktwerking maar ook tegen de perverse effecten van decennialang woonbeleid dat dit recht niet heeft gerespecteerd.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.