Opinie

Hokjesgeest

Column Het in hokjes plaatsen van mensen naar afkomst gaat ten koste van vrije denkruimte, vindt Robbert Dijkgraaf

Robbert Dijkgraaf

Diversiteit staat hoog op de maatschappelijke agenda, ook binnen de wetenschap. En terecht. Een van de positieve ontwikkelingen van de afgelopen jaren is het groeiende inzicht dat de wetenschap toegankelijk moet zijn voor iedereen, ongeacht etniciteit, huidskleur, gender, geloof of – de lastigste van alle – sociale klasse. Meer diversiteit maakt het onderzoek vanzelfsprekend beter. Het brengt nieuw talent en de verschillende gezichtspunten weerspiegelen de vele facetten van de werkelijkheid.

Maar soms word ik wat mistroostig van het toenemende denken in termen van afkomst, in plaats van bestemming. Zeker hier in de Verenigde Staten, waar een moderne hokjesgeest heerst. Iedereen – politici, kiezers, studenten, consumenten – wordt in het vakje wit, zwart, latino of Aziatisch geplaatst. Tegelijkertijd lijkt de intellectuele bandbreedte te krimpen. Binnen de academie worden de tenen steeds langer, vrijdenken staat onder druk en de gedachtenpolitie waart rond.

We moeten ervoor waken de persoonlijke achtergrond te veel op de voorgrond te plaatsen en identiteit als een voorbestemming te zien. Het kan ook een vloek zijn waaraan je wilt ontsnappen. Identiteitspolitiek kan mensen gemakkelijk opsluiten in clichés waar ze nooit zelf voor gekozen hebben. De kracht van kennis is juist dat deze de mens bevrijdt uit de klemgreep van afkomst en omgeving. Wetenschap is een grote gelijkmaker. Ik verbaas me er iedere dag over hoe onderzoekers van totaal andere oriëntatie en levensloop, even enthousiast kunnen zijn over een berekening, een inzicht of een redenering. Hetzelfde geldt trouwens voor een muziekstuk, een schilderij of een roman.

Zelf groeide ik op in een kleine, besloten kring: mijn ouders, de school en een enkele vriend. Meer zicht op de wereld dan wat de krant en de televisie mij toevallig voorschotelden, had ik niet. De universiteit was ver, heel ver van mijn bed. Maar de wis- en natuurkundeboeken waarin ik me in de avonduren verdiepte, waren een ‘wormgat’ dat me met een parallelle wereld verbond. Een oneindig universum van absolute schoonheid en waarheid, het meeste ver buiten mijn begrip, maar met een onweerstaanbare aantrekkingskracht.

Het was een wereld waarin ik mijn identiteit en wortels kon vergeten. Het enige noodzakelijke toegangsbewijs was mijn interesse. Een scholier uit een Nederlandse buitenwijk voelde zich helemaal thuis tussen Babylonische geleerden en Amerikaanse Nobelprijswinnaars.

Dat virtuele gevoel van bevrijding en geestverwantschap, dwars door tijd en plaats heen, heb ik nooit meer zo intens gevoeld als destijds, in mijn tienerkamer. Later, toen mijn loopbaan me naar academische bestemmingen bracht, heb ik het gelukkig wel in afgezwakte, concrete vorm meegemaakt. Die blik van herkenning in de collega die ogenschijnlijk zo anders is, soms meerdere generaties ouder of geboren aan de andere kant van de wereld, dan wel met een compleet verschillende levensloop. Hoe langer en grilliger het pad naar onze gemeenschappelijke bestemming, hoe sterker het gevoel van verwantschap leek, misschien omdat we door zoveel schillen van gewoonte en vooringenomenheid hadden moeten heenbreken.

Maar dat gevoel van thuiskomen is slechts de helft van het verhaal. De wetenschap is geen eenheidsworst. Het intellectuele landschap mag van iedereen zijn, de reizen die men daarbinnen aflegt zijn allemaal anders, gedreven door de enorme verscheidenheid van de menselijke geest. Daarom zit niemand te wachten op hekken en prikkeldraad, of bordjes ‘verboden toegang’.

Het is ontroerend te zien hoe men zich in die zoektocht aan loodzware stereotyperingen kan ontworstelen en iedere vorm van sociale predestinatie kan loochenen. Mensen die op het oog hetzelfde lijken, kunnen totaal verschillend denken. Een jonge zwarte Amerikaanse historicus uit het diepe zuiden die zich verliest in de Europese Middeleeuwen. Een moslim fysicus uit de Golfstaten die informatie uit een zwart gat weet te halen. Een extroverte Japanse wiskundige die het hoogste woord heeft. Of een negentigjarige met het aanstekelijke enthousiasme en de rebelse natuur van een puber. Voor hen allen is de geesteswereld een ruimte waarin ze zich pas echt kunnen ontplooien.

Het doel van het universitaire diversiteitsbeleid is iedereen welkom te heten in het huis van de wetenschap, met de volle rekenschap dat voor velen het pad daarnaartoe lang en vol hindernissen is. Maar laten we er vervolgens voor waken om iedereen die uiteindelijk is binnengekomen, in dezelfde standaardvorm te stansen. Of, erger nog, op te sluiten in het keurslijf van hun identiteit. De wetenschap moet ook een veilige plek zijn, een vluchtheuvel, waar je de lasten van milieu en cultuur kunt afleggen. Waar je je kunt ontwikkelen in richtingen waarvan je niet wist dat ze in je zaten. Ons hoofd kan zoveel meer bevatten dan het leven om ons heen. Als we verscheidenheid willen stimuleren, moeten we mensen ook aanmoedigen zonder beperkingen op reis te gaan naar een doel dat ver buiten hun horizon ligt.

Kunnen we die diversiteit van bestemmingen ook op de agenda plaatsen?

Robbert Dijkgraaf is directeur van het Institute for Advanced Study in Princeton.