Hedy d’Ancona: „Als mensen afspraken maken voor over twee jaar dan denk ik, nou, dan ben ik misschien wel dood.”

Foto Merlijn Doomernik

Interview

Hedy d’Ancona: ‘Je hoeft geen respect te hebben voor ouderen. Compassie vind ik nog erger’

Hedy d’Ancona Ouderen hebben een emancipatieslag nodig, vindt oud-politicus Hedy d’Ancona. „Er heerst een zeker dedain voor oude mensen.”

Toen Hedy d’Ancona in 1981 net was aangesteld als staatssecretaris voor Emancipatie probeerde ze de zinsnede ‘structurele vrouwenonderdrukking door mannen’ in de regeringsverklaring te krijgen. „We waren in de vrouwenbeweging inmiddels van ‘achterstand’ naar ‘onderdrukking’ geëvolueerd”, vertelt ze aan de grote glazen tafel van haar Amsterdamse woning. Ze lacht om de herinnering. „Uiteindelijk werd het door Van Agt onherkenbaar afgezwakt.”

Als hoofdredacteur van ‘radikaal feministisch maandblad’ Opzij verdedigde d’Ancona in de jaren zeventig meermaals met vuur artikelen met koppen als ‘Kut ruikt lekker’. Een leven later, na een volgende carrière als Eerste Kamerlid, minister en europarlementariër, serveert de 83-jarige d’Ancona ‘omataartjes’ van de bakker om de hoek. Haar muren hangen vol schilderijen en tekeningen van haar in 2018 overleden geliefde Aat Veldhoen, een kunstenaar die vooral bekend is om zijn grafisch werk. Op de grond, tegen de muur staat het eerste portret dat hij van haar maakte in 1997. „‘Moeten mijn kleren uit?’, vroeg ik toen ik poseerde. Dat zou ik maar niet doen, zei Aatje.” Vanaf die tekening waren ze samen.

D’Ancona, boegbeeld van de tweede feministische golf, PvdA-politicus die zich naast emancipatie inzette voor thema’s als cultuurbehoud, migratie, racisme en vreemdelingenhaat, legt deze weken de laatste hand aan een boek over ouder worden: Vrolijk Verval. Een zowel scherp als anekdotisch boek over barricaden en bungelende lichaamsdelen. Over rolmodellen en ‘velseks’. Vrijdag maakte het Humanistisch Verbond bekend dat Hedy d’Ancona de Van Praagprijs 2021 toegekend krijgt. „Ze heeft altijd het hart van de activist gehouden”, meldt het juryrapport.

Is dat zo, bent u nog altijd activist?

„Ja. Ik wil dat er voor ouderen een emancipatieslag wordt gemaakt, net als bij vrouwen destijds. Zelfbeschikking en zelfontplooiing, daar draaide het bij de vrouwenemancipatie om. Die twee pijlers zijn ook op ouderen van toepassing. Zelfbeschikking over je levenseinde zonder dat daar een onomkeerbaar lijden voor nodig is. Ik ben voorstander van euthanasie voor oude mensen die zeggen dat ze genoeg hebben geleefd. En zelfontplooiing in de zin dat je je als ‘grijsaard’ niet terugtrekt in je relaxfauteuil, maar bezig bent met zaken waarvoor je eerder geen tijd of geen geld had, zoals studeren of een instrument bespelen. Je moet niet uitblussen.”

Is daar te weinig aandacht voor? Zeker sinds de coronacrisis gaat het continu over ouderen.

„Er heerst een Jan Slagter-achtig respect voor de ouderdom. Compassie. Nou, ik vind helemaal niet dat je respect en compassie moet hebben voor mensen als ik die blijven in- en uitademen. Waarom moet je daar respect voor hebben? Compassie vind ik nog erger.”

Waarom?

„Daar zit een beschermend medelijden in. Door de coronacrisis is dat alleen maar erger geworden. Rutte zei bij zijn eerste persconferentie dat een soort cordon van gezonde jongeren ons moest omringen. Ik zag het al voor me: dat ik met allemaal ouwe wijven en ouwe mannetjes beschermd werd door mensen die voor ons hun leven gaven. Ik dacht: die oude mensen kunnen toch beter eerder dood? Dat is toch eigenlijk zoals het hoort?”

Lees ook dit twistgesprek Speel jong en oud niet tegen elkaar uit

Maar het is toch sociaal om elkaar te beschermen?

„Het gaf mij ook een gevoel van opsluiting. Ik wilde niet voorgetrokken worden. En ik vond het zielig voor de jongeren. Ook dat beeld dat ouderen het knuffelen zo zouden missen… Ik knuffel mijn kleinkinderen nooit.” Een lach. „Natuurlijk geef je elkaar wel eens een zoen, en ik vind het heus leuk om iemand beet te pakken, maar om nou te denken dat ik hier neerstort omdat ik een paar weken niemand heb geknuffeld…”

Als de serie van Erica Terpstra stopt, dan zie je nog nauwelijks oudere mensen op tv. Dan zijn ze op

U vindt het betutteling?

„Het is zachte uitsluiting. Terwijl: wij zijn met velen. Het CBS voorspelt dat er in 2040 bijna vijf miljoen 65-plussers zijn. We vormen een belangrijk deel van het electoraat, het culturele leven zou compleet plat liggen als ouderen – vooral vrouwen – geen musea en schouwburgen bezochten, maar er wordt vooral óver ons gepraat, niet mét ons.”

Vorig jaar zomer verdedigde u bij het tv-programma M de Amsterdamse burgemeester Halsema tegen de kritiek op haar aanpak van de Dam-demonstratie. ‘Het is bijna een seksistische coup’, zei u. Onlangs maakte u zich bij Op1 kwaad over de online haatberichten die politici als Sigrid Kaag (D66) ontvangen. Met u als voorbeeld: de ouderen zijn toch zichtbaar in de media?

„Juist niet. Ik zit niet vaak aan de talkshowtafels. Als de serie van Erica Terpstra stopt dan zie je nog nauwelijks oudere mensen op tv. Dan zijn ze op.

„Als Joe Biden in beeld komt, wordt er altijd gezegd: die man is al 78. Nancy Pelosi, precies hetzelfde. Maar kijk wat zij bereikt hebben, die mensen zijn fantastisch. Herman Tjeenk Willink wordt een ‘kwieke oude baas’ genoemd. Zelf zei hij ook dat het toch wel treurig gesteld is met Nederland dat we zo’n oude man nodig hebben om een kabinet bij elkaar te krijgen. Wat zit je nou te doen, dacht ik. Met zo’n ervaring en intelligentie kan je leeftijd toch een pre zijn? Er heerst in Nederland een zeker dedain voor oude mensen.”

Ze zijn wel politiek vertegenwoordigd, ook al is 50Plus nu geïmplodeerd…

„Nou ben ik kritisch op alle one-issuepartijen. Zo ben ik ook nooit voor een vrouwenpartij geweest. Democratie heeft als kern het afwegen van belangen van allerlei mensen in de samenleving, het vermogen om door de ogen van een ander te kijken. Je moet zeker een beweging beginnen als je ontevreden bent over de positie van een groep, begin een club, ga de straat op. Maar het hoort niet als one issue in de politiek.”

Hoe zou er naar ouderen gekeken moeten worden?

„Het zou goed zijn als we eens als gelijke worden gezien, en behandeld. Zolang onze geestelijke gezondheid dat toelaat. Dan hoef je niet meteen alle ouderen interessant te vinden, dat vind ik ook niet, maar we willen niet op grond van leeftijd in een hoek worden gezet.

„Bovendien: het is niet eng, ouder worden. Er zijn ook voordelen. Ik ben elke dag blij als dat lijf het nog doet. Je draagt een boek van herinneringen met je mee. En je hebt geen last meer van zware competitie, geen last meer van de blik van de ander. Dan vinden ze je maar raar en afkeurenswaardig, het kan je minder schelen.”

Lees ook dit opiniestuk Mooi oud worden is niet jong blijven

Er zijn toch zeker ook nadelen?

„Dat je minder lang voor je hebt dan achter je, dat is vanzelfsprekend. Als mensen afspraken maken voor over twee jaar dan denk ik, nou, dan ben ik misschien wel dood. Wat ik niet eens zo’n angstaanjagende gedachte vind. Ik vind het niet erg om dood te gaan, ik vind het gewoon. Ik zou het wel erg gevonden hebben als ik in de veertig of vijftig was. Maar nu… Als ik het maar zelf zou kunnen beslissen. Op een onafzienbare of onomkeerbare lijdensweg zit ik niet te wachten. Dat is zo’n onttakeling. Was je eerder nog een helder denkend mens met wie je kon lachen – ik heb het over mezelf haha –, eindig je vervolgens als een kwijlende oude debiel. Daar heb ik helemaal geen zin in.

„Ik vind het wel gemeen als een ánder dat doet: dood gaan. Dat vind ik een rotstreek. Behalve dat ik dan verdrietig ben, krijg ik ook altijd een razernij over me heen.”

In uw boek zegt u: ik ben nooit met de dood bezig. Dat kan toch niet waar zijn?

„Nou ja, je draagt het continu bij je. Mensen vragen wel eens: mis je Aatje nog? Ja, dat gemis zit van mijn tenen tot mijn kruin. Zonder dat ik dat dramatisch bedoel. Het was bijzonder dat ik dit met hem heb gehad. Ik had nooit gedacht dat ik tot zo’n lange relatie in staat zou zijn. In die zin vind ik het ook een compliment aan mezelf.

„Al denk ik nu na bijna drie jaar wel: nou is het genoeg geweest. Ik heb me al die tijd zo goed gedragen, niet in het openbaar getreurd, ik heb er zo verstandig over gepraat, kan hij nou weer eens even langskomen? Dat is een rare confrontatie met de dood, dat er geen uitstapje mogelijk is naar die intimiteit van weleer.

„Het is een ander leven. Ik denk dat je het zo moet zien. Als je blijft denken: het is hetzelfde leven zonder de ander, dan is daar aldoor dat grote gat. Dat is niet op te vullen.”

U was drie toen uw vader werd weggehaald door de nazi’s. Hij overleefde de oorlog niet. En op uw veertiende overleed uw stiefvader. Uw moeder bleef achter met u en nog vier kinderen.

„Ik heb er mijn drive aan overgehouden. Al die dingen waar ik me over opgewonden heb, in de politiek, in het feminisme, hebben heel erg te maken met het gevoel dat ik de plicht heb mijn leven niet te verkwanselen. Mijn moeder was erg getroffen door het noodlot en vanaf het moment dat ik een beetje kon nadenken, vond ik het bijzonder dat zij desondanks blijmoedig en compassievol bleef. Ik kan mijn leven met mijn moeders leven vergelijken en dan weet ik dat ik veel geluk heb gehad.

„En je kan wel zeggen: wat erg dat je op jonge leeftijd je vader hebt verloren, maar zijn wrede lot verplicht mij tot daadkracht. Ik kan ook in een hoek gaan zitten huilen, maar dat hoort niet bij mij. Ik weet niet waarom dat is, ik kan niet anders. Het is geen verdienste.”

Is het zelfkastijding?

„Nee hoor, want de dingen die ik doe vind ik leuk. In de beeldvorming werd de emancipatiestrijd gevoerd door stampvoetende ongelukkige vrouwen, maar dat was helemaal niet zo. We hebben ontzettend gelachen. We hebben de mannen uitgelachen die dachten dat wij in het vrouwenhuis uitsluitend over hen zaten te praten. Ze konden zich niet vóórstellen dat we het over iets anders zouden hebben.”

In uw boek haalt u Fransman Stéphane Hessel aan die op z’n 93ste het pamflet Indignez-vous! schreef. Neem het niet! Waarover maakt u zich kwaad?

„Ach, over zoveel. Over Rutte, die zich deze week uitsprak over zijn ‘radicale’ verandering. Ik was een en al oor. Maar het kwam neer op de al bekende raadgevingen die de wijze Tjeenk Willink had aangereikt. Met als kers op die flauwe pudding, het schaamteloze voorstel om een commissie in te stellen die moet doen wat de Ombudsman al jaren doet. Die ook, en al in een vroeg stadium, zijn bezorgdheid uitte over de toeslagenellende. Kennelijk heeft Rutte dat gehoord noch gelezen.

„Ik maak me ook druk over de groei van het populisme. Gevaarlijk, zeker voor vrouwen als je naar Polen kijkt, of Hongarije. De jaren vijftig en zestig – tot de revolutie begon – vond ik van een ongelooflijke saaiheid, maar in elk geval was er geen populisme. Wel extreemrechts, maar mensen voelden zich in die tijd vertegenwoordigd door de voormannen van hun eigen zuil. Ik denk dat veel mensen die rancuneuze, vijandige taal van nu als troost gebruiken voor hun gevoel dat ze er niet meer bijhoren. Maar dat is geen oplossing, dat is boosheid. Populisten spelen daarop in. Bij hen gaat het altijd om wat er verloren is, terwijl ik wil horen hoe een politicus de toekomstige samenleving ziet.”

Politiek links heeft toch idealen?

„Vind je? Ik zie alleen het kortademige. Schets mij nou eens in twee minuten je droom: ik heb een land voor ogen waarin de verschillen niet zo groot zijn als nu. Ik heb een land voor ogen waar er niet zoveel kinderen in armoede opgroeien. Ik heb een land voor ogen waarin de bedrijfstop niet zo buitenissig veel verdient. De beeldvorming is belangrijker geworden dan de visie. Er is geen idealisme meer. Rutte liep er altijd mee te koop dat hij geen visie had, maar de anderen hebben het inmiddels ook niet meer. Ze kunnen er weinig aan doen hoor, want ze worden er niet op bevraagd door de media. Ze krijgen snippers voorgelegd: hoe sta je tegenover de verhoging van het minimumloon? Nou, daar zijn ze allemaal voor.”

Bij de afgelopen verkiezingen was u lijstduwer voor de PvdA. Stel u was met voorkeursstemmen gekozen, was u dan de Kamer ingegaan?

„Nou nee hoor”. Een wegwuivend handgebaar. „Dat kan ik niet meer.”

Maar u wilt toch dat ouderen serieus worden genomen?

„Ik ben niet voor een gerontocratie. Je moet mensen de ruimte geven voor nieuwe vormen en gedachten.”

Doet u nu niet zelf aan leeftijdsdiscriminatie?

„Het mag wat gewoner worden als iemand op leeftijd politiek bedrijft, net zoals ik vind dat er meer ouderen aan talkshowtafels mogen aanschuiven, maar ik vind niet dat Kamerleden tot hun tachtigste moeten blijven zitten. Er moet altijd vernieuwing van onderop komen.”

Oké, geen politiek. Maar waarom schrijft u, met uw ervaring en intelligentie, naast een boek over ouderen niet ook een boek voor feministen van nu?

Korte pauze. „Nou, misschien zou ik dat wel eens willen doen.”