De Islamitische begraafplaats Raza Ul Mawa in Almere.

Foto Daniel Niessen

In Gods naam, dan maar eeuwig in Almere

Islamitische begraafplaats De Hindoestaans-islamitische begraafplaats in Almere was begin 2020 halfleeg. Toen ging Marokko op slot. Families konden hun doden niet meer repatriëren. Het grote begraven in Almere begon.

‘Waar is papa?”, vraagt Moegtaar Karamatali (33) als hij op een zondag in maart 2020 een bezoekje brengt aan zijn ouders.
„Op de begraafplaats”, zegt zijn moeder.
„Oh?”

Hij is nieuwsgierig en rijdt erheen, het is maar vijf minuten verderop. Hij loopt het grafveld op en ziet een groepje mensen. Er is een begrafenis gaande, ze laten net het lichaam het graf in zakken. En Moegtaar ziet nog iets. Dit zijn Marokkanen, als hij zich niet vergist. Die zijn hier anders nooit. Hij loopt op zijn vader af en fluistert:

„Wie wordt er begraven?”
„Een Marokkaanse broeder”, zegt zijn vader. „Marokko zit dicht.”
Zijn vader heeft ook een vraag.
„Wat doe je morgen?”
„Niks.”
„Kun je komen helpen?”

Het is maanden geleden dat Moegtaar voor het laatst op zijn vaders islamitische begraafplaats aan de Almeerse Kruidenweg was. Hij heeft er weleens onkruid gewied en de paden opgehoogd – dat was het wel zo’n beetje. Maar nu heeft hij tijd.

Die maandag, 23 maart, krijgt Moegtaar de ene begrafenis na de andere te verstouwen. Allemaal Marokkaanse Nederlanders. Ze komen te liggen in de betonnen grafkelders die al klaarstonden in kuilen van elk anderhalf meter diep. Moegtaar moet die kelders voor elke begrafenis weer vrij graven van een laag zand. Hij moet de zware tegels die de kelders afdekken, eraf tillen – zeven stuks per graf. Hij ontvangt, mondkapje op, de rouwende families. Helpt bij het laten zakken van de kisten. Tilt de tegels er weer op. Fatsoeneert achteraf de graven. Hij doet het werk met één andere „broeder”. Aan het eind van de middag is Moegtaar „helemaal gesloopt”.

Het is nog maar het begin.

Voor wie machtige bomen verwacht, een breed uitwaaierend bladerdek en parkachtige lanen rond de zerken, voelt de islamitische begraafplaats aan de Almeerse Kruidenweg open en bloot. Het is een boomloos, rechthoekig zandveld, honderd meter lang en dertig meter breed. Het veld grenst links aan een algemene begraafplaats, en rechts kijk je uit op een fietspad, een vaart en een woonerf. Sommige graven zijn bedekt met grafstenen die je ook op algemene begraafplaatsen ziet. Op andere graven ligt niet meer dan een hoopje zand.

Oprichter van de begraafplaats is Moegtaars vader Ali Karamatali (60), een imam met vriendelijke ogen, een grijze, lange baard en een Surinaams accent. Hij wilde voor de Hindoestaans-islamitische gemeenschap van Almere en omstreken een plek met eeuwige grafrust. Dat bestond in Nederland niet: graven worden uitgegeven in termijnen van tien of twintig jaar. Verleng je de termijn niet, dan wordt een graf geruimd en verdwijnen de lichaamsresten in een verzamelgraf.

Imam Ali Karamatali (60) richtte de begraafplaats op voor de Hindoestaans-islamitische gemeenschap van Almere.
Foto Daniel Niessen
Moegtar Karamatali (33), zoon van de oprichter van de islamitische begraafplaats in Almere.
Foto Daniel Niessen
Betonnen grafkelders staan op de begraafplaats klaar in kuilen van anderhalve meter diep.
Foto Daniel Niessen
Imam Ali Karamatali (60), oprichter van de begraafplaats voor de Hindoestaans-islamitische gemeenschap van Almere, en zijn zoon Moegtaar Karamatali (33).

Zo’n termijn is moslims veel te onzeker, zegt Ali Karamatali. Je weet nooit of de kinderen van je kinderen die wel verlengen. In hun graf, zegt hij, moeten moslims in alle rust kunnen wachten op de dag des oordeels, waarop de Schepper hen zal verwijzen naar paradijs of hellevuur.

Moslims van Marokkaanse en Turkse komaf deert het Nederlandse gebrek aan grafrust doorgaans niet. Zij repatriëren hun doden meestal, een gewoonte die in stand wordt gehouden via langlopende overlijdenspolissen, vaak aangeboden door banken in het land van herkomst. Die hang naar ‘terugkeer’ is islamitische Surinamers vreemd. Een rustplek in Nederlandse aarde ligt meer voor de hand.

In 2005 kocht Ali Karamatali de lap grond aan de Kruidenweg aan van de gemeente Almere. Na een uitbreiding in 2017 kwam er plek voor zo’n achthonderd graven. Jarenlang vonden er niet meer dan tien, twintig begrafenissen per jaar plaats, begeleid door Karamatali zelf. De doden komen uit wat hij „zijn achterban” noemt, de pakweg zevenhonderd Hindoestaans-islamitische gezinnen uit Almere, Lelystad en Amsterdam – Surinamers meestal, maar ook Pakistanen en Bengalezen. Ze doneren maandelijks geld aan de door hem opgerichte moskee op de rand van Almere-Buiten. Karamatali leidt er het gebed.

Begin 2020 vullen de graven drie stroken die zich uitstrekken over de volle lengte van het veld. Een vierde strook is halfvol. De rechterhelft van het veld ligt braak. Ali Karamatali kan, zo denkt hij, nog jaren vooruit.

Mohammed Ameziani (1940), een geboren Marokkaan met een gedistingeerd wit ringbaardje, maakt de uitbraak van de coronapandemie niet bewust meer mee. Hij staart hele dagen naar de muur vanuit het ziekenhuisbed dat zijn kinderen naar de woonkamer hebben versleept in zijn kleine portiekwoning in Leiden. Een hersentumor, zeventien centimeter lang, velde hem in 2018. Chirurgen hadden veertien uur nodig om de tumor weg te halen. Het litteken vormt een lange boog op de linkerhelft van zijn kale schedel. Dokters stuitten bij een nacontrole op uitzaaiingen. Na een longinfectie verslechterde zijn gezondheid verder. Nu, voorjaar 2020, kan Mohammed Ameziani niet meer lopen en praten. De verwachtingen zijn slecht.

Zijn vrouw Louisa weet het en hun acht kinderen ook: Mohammed wil een graf in Oujda, Noordoost-Marokko. Zijn vader en moeder rusten er eeuwig. Zijn zoon Yahya, die in Nederland op zijn zeventiende aan leukemie stierf, ligt er ook al dertig jaar. „Kom, kom,” zei Mohammed vaak grappend tegen Louisa voor hij zijn spraak verloor, „we gaan terug naar ons eigen land! Kunnen we daar begraven worden!” Maar een grap was het niet, hij betaalde elke maand premie voor een verzekerde uitvaart in Marokko. Zijn geboorteland is aan hem blijven trekken, al had hij het als twintiger verlaten voor een beter leven in Europa. Hij betrok de Leidse portiekwoning met zijn vrouw en kinderen, en werkte als afwasser in vogelpark Avifauna, als spoormedewerker van de NS, als magazijnbediende. Louisa en hij keerden elke zomer terug naar Marokko om familie te bezoeken – zowel de levenden als de doden.

Mostafa Ameziani (52) en zijn vrouw Fadva (47). Zijn vaders laatste wens: een begrafenis in Oujda, Marokko.

En nu nadert zijn eigen einde en sluiten vele landen hun grenzen. Turkije laat nog een kier open voor de repatriëring van doden, maar Marokko zit potdicht.

Marokkaans-Nederlandse families die in die eerste coronaweken al een dode te betreuren hebben, zien zich plots geplaatst voor een ongenadig dilemma. Ze willen het lichaam naar Marokko brengen zodat het er eeuwig kan rusten, maar ze willen ook een snelle begrafenis, liefst binnen 24 uur, want ook dát schrijft hun geloof voor. Een tijdelijke begrafenis in Nederland om het lichaam later alsnog naar Marokko over te brengen is geen optie: herbegraven druist weer tegen de grafrust in.

Tientallen families laten in maart het lichaam van hun naaste bewaren in de koelcel van een uitvaartorganisatie of in het mortuarium op Schiphol, in de hoop dat Marokko zijn luchtruim heropent. Andere kiezen meteen voor Nederland.

Ze weten snel waar ze moeten zijn. Een medewerker van een islamitische uitvaartonderneming post half maart een video op YouTube. Hij staat op het halflege, Almeerse grafveld en zegt: „Mijn advies is om de broeder of zuster zo snel mogelijk te begraven.” Hier in Almere is er eeuwige rust, in tegenstelling tot elders, is zijn boodschap. „Mijn garantie hebben jullie.” De video krijgt honderden likes. De tamtam doet de rest.

Mijn advies is om de broeder of zuster zo snel mogelijk te begraven.

Medewerker van een islamitische uitvaartorganisatie op een video opgenomen op de Almeerse begraafplaats

De ringtone van Karamatali’s iPhone klinkt vanaf half maart voortdurend. Ja, zegt hij dertig keer per dag, ik heb plek en u bent welkom. En hij meent het. Hij vindt dat hij zijn Hindoestaanse veld moet openstellen voor wat hij zijn „Marokkaanse broeders en zusters” noemt. Hij vindt het zijn religieuze én maatschappelijke plicht. „Rutte zei: we moeten elkaar helpen in deze moeilijke tijden.” Karamatali leidt dagelijks vijf gebeden in zijn moskee. Daar komen nu zes begrafenissen per dag bij.

Gelukkig heeft hij een zoon.

Moegtaar Karamatali kan na zijn eerste week op de begraafplaats „nauwelijks nog lopen”. Voor elke begrafenis is hij een half uur bezig met het wegscheppen van het zand dat de grafkelders afdekt. Hij werkt zes dagen per week. Zijn onderarmen worden dikker, zijn borstkas zet uit, zijn shirts verstrakken. Na een paar weken speelt zijn rug op. Je schept ook niet goed, zegt een collega-graver. Je moet de schep aan de bovenkant vastpakken, dan hoef je niet zo te bukken. Moegtaar besluit een kleine graafmachine te huren. Want ook al heeft hij „0,0 procent ervaring met graafmachines”, zelf blijven scheppen is „gewoon gekkenwerk”. Hij maakt eerst oefenrondjes op een onbenut stukje grond naast de ingang, om daarna op te stomen naar de graven. Een paar keer laat hij de graafbak te diep zakken, die botst dan op de afdektegels, er breken er meer dan hem lief is. Maar het graven gaat sneller en eindelijk krijgt zijn lichaam wat rust.

Zo’n vijftig Marokkaanse Nederlanders die in maart 2020 overleden, van wie een deel aan corona, komen op de begraafplaats te liggen. Dat zijn dubbel zo veel begrafenissen als normaal in een heel jaar. Strook vier, tot voor kort halfleeg, ligt ramvol. Dan volgt april. Tweeëntachtig doden. Strook vijf en zes vullen zich rap.

Bij de rouwende nabestaanden heerst verwarring, merkt Moegtaar. „Is hier écht eeuwige grafrust?”, vragen sommigen hem minuten voor de begrafenis van hun naaste. „We kenden deze plek helemaal niet.” En: „We hopen maar dat we het goede doen.” Een enkele keer hoort Moegtaar de ene broer letterlijk naast het graf tegen de andere broer zeggen: „Je weet zeker dat we hiervoor gaan?” Dan hoort hij achteraf van de uitvaartondernemer dat in die familie het meningsverschil – wel of niet blijven koelen – hoog is opgelopen. Moegtaar snapt dat goed, want „wat als juist mórgen het luchtruim van Marokko ineens opengaat?”

Dat velen kozen voor koeling, ziet Moegtaar terug in zijn vaders agenda. Elke maandagochtend staan daar de begrafenissen al ingepland: niet voor een dag of twee, maar tot en met zaterdag. Want de ene na de andere familie haalt het lichaam van de naaste uit de koelcel, zet voor altijd een streep door Marokko en belt met Ali Karamatali voor het eerst beschikbare timeslot. Soms begeleiden de Karamatali’s een begrafenis van iemand die anderhalve maand eerder overleed – een dode uit maart die een graf krijgt ver in de aprilstrook. Die familie is lang op Marokko blijven hopen. Pas toen gaven ze zich gewonnen. In Gods naam. Dan maar eeuwig in Almere.

Foto Daniel Niessen
Foto Daniel Niessen
Bij de rouwende nabestaanden heerst verwarring, merkt Moegtaar. „Is hier écht eeuwige grafrust?”

Op 11 juni 2020, na een scheerbeurt en een ontbijt met melk en dadels, sterft Mohammed Ameziani vredig in zijn ziekenhuisbed thuis in Leiden. Twee van zijn dochters zijn erbij. Ze hadden hem net behoedzaam op zijn zij gedraaid, hij glipte er stilletjes tussenuit.

Zijn kinderen schieten in de actiemodus. Koeling ziet niemand zitten. „Dat is islamitisch gezien niet de bedoeling”, vindt zoon Mostafa (52). „Begraven moet snel.” „Hoe sneller, hoe beter”, zegt Mostafa’s vrouw Fadva (47). „In de koeling op Schiphol,” zegt Mostafa, „zou hij voor mijn gevoel niet echt dood zijn.” Maar ja, eeuwig rusten bij zijn familie in Oujda is wat Mohammed wilde. Dus zijn kinderen benaderen het consulaat-generaal van Marokko in Rotterdam. Vergeefs. Ze bellen een zwager die in de Marokkaanse politiek zit – ook vergeefs. En de uitvaartverzekeraar kan ook weinig betekenen. Ja, die kan een deel van de kosten dekken voor een begrafenis in Nederland. Maar repatriëren: nee. Dat doet pijn, zegt kleindochter Hafza (22). „Ik vind het treurig voor mijn opa, want hij heeft altijd hard gewerkt, altijd premie betaald. En op het eind wordt hij in de steek gelaten.”

De Ameziani’s zien twee mogelijkheden: Almere en Zuidlaren. Daar, twintig kilometer onder Groningen, is een paar maanden eerder een islamitische begraafplaats geopend met gegarandeerde grafrust. Maar als ze dan tóch voor Nederland moeten kiezen, dan liever niet té ver van Leiden vandaan. In Almere woont bovendien een van Mohammed Ameziani’s dochters.

De begrafenis aan de Kruidenweg is twee dagen na zijn dood. De coronaregels zijn er wat versoepeld en belemmeren het islamitische grafritueel niet langer. De kist aan de rand van het graf gaat open, Mostafa en twee broers staan in de kuil, ze nemen het in de lijkwade omwikkelde lichaam van hun vader aan en leggen hem voorzichtig op zijn rechterzij – zo kijkt hij naar het oosten, richting Mekka. Imam Ali Karamatali is bij het afscheid aanwezig. De imam van Mohammed Ameziani’s Marokkaanse moskee in Leiden ook. Weduwe Louisa is er niet. Zij zit uitgeput thuis. „Als ik had gekund,” zal ze later in het Arabisch zeggen, „had ik hem op de vleugels van een vogel naar Marokko gebracht.”

Word ik gebeld: mijn vader is overleden en mijn moeder kan niet meer goed lopen. En dan moeten we naar Zuidlaren?

Ali Karamatali oprichter van de Almeerse begraafplaats

Het grafveld raakt vol. In juni zijn er nog maar twee stroken over, uiterst rechts op het veld. Die bieden plek aan nog zo’n honderdvijftig graven. Elders op het veld zijn nog lege plekken, maar die zijn gereserveerd, lang vóór corona, door mensen uit de Hindoestaanse gemeenschap. Ali Karamatali dient aan het begin van de zomer een verzoek in bij gemeente Almere voor uitbreiding van zijn begraafplaats – een traject dat, zo beseft hij, zeker maanden in beslag zal nemen. Soms heropent Marokko het luchtruim en is repatriëring weer mogelijk. Erg lang duurt dat nooit.

Vanaf september bewaakt Karamatali zijn schaarse grond strenger. Want hij weet dat er in Zuidlaren veel plek is. Wat is uw woonplaats? vraagt hij de bellers nu. U woont dus niet in Almere? En u heeft dit jaar geen vader, moeder, broer, zus, zoon of dochter hier in Almere begraven? Nee? Het spijt me, dan is er geen plek. „Het is eigenlijk geen moment om naar die dingen te vragen”, zegt Karamatali. „De mensen zijn al verdrietig genoeg. Soms zitten ze te huilen aan de lijn. Maar ik kán niet anders.” Zijn nachtrust lijdt eronder. Soms slaapt hij een hele nacht niet. „Mensen komen ook met goede argumenten”, zegt hij. „Word ik gebeld: mijn vader is overleden en mijn moeder kan niet meer goed lopen. En dan moeten we naar Zuidlaren?” Acht van de tien families die bellen wonen in Amsterdam. Dan is Almere om de hoek.

Op een dag krijgt hij een vrouw uit Amsterdam aan de lijn. Haar moeder van in de tachtig is overleden, vertelt ze. Ze is de enige nabestaande en hoopt écht, écht op Almere. „Die vrouw zegt tegen me: ‘Ik sta machteloos! Ik heb niemand!’” Het spijt me écht, zegt Ali Karamatali tegen de vrouw. Hij hangt op, maar het zit hem niet lekker. Een paar uur later belt hij de vrouw terug: „Ik maak een uitzondering.” Daarmee werkt Karamatali zich verder in de nesten, want andere rouwenden horen ervan via de uitvaartorganisatie en bellen hem op. „Maar meneer Karamatali, gisteren was er toch ineens wél plek?”

Vanaf het najaar wordt de druk op hem nog verder opgevoerd. Dit keer ook vanuit zijn eigen kring. De Hindoestanen beginnen zich te roeren.

Almeerder van Hindoestaans- islamitische komaf Wahied Amirkhan (43) hoopt dat er nog plaats zal zijn voor een graf voor zijn ouders.

Wahied Amirkhan (43), Almeerder van Surinaams-Hindoestaanse komaf, rijdt in de herfst van 2020 met zijn vader naar de begraafplaats, een Hindoestaanse broeder is overleden. Ze lopen het grafveld op en weten niet wat ze zien. Zó vol al? denkt Wahied. Hij heeft natuurlijk de berichten gehoord over de vele Marokkaanse begrafenissen, maar op deze manier is er straks geen plek meer over. Zijn vader denkt kennelijk hetzelfde, en grapt dat hij met een beetje geluk sterft voor het helemáál vol is. „Ik ben al in de zeventig hoor, hahaha.” Maar grappig vindt Wahied het niet bepaald, want zijn vader is hartpatiënt en zijn moeder ook en ze hebben ook allebei suikerziekte. En ze rekenen al jaren op een plaatsje op de eigen, Almeerse begraafplaats.

Wahied is een actief lid van de gemeenschap. Toen Karamatali’s Hindoestaanse moskee in aanbouw was, een kleine vijftien jaar geleden, hielpen Wahied en zijn vader met klussen. Wahied onderwijst er elke zondag vrijwillig Arabisch aan kinderen. Hij volgt er zelf ook lessen Arabisch, bidt er soms, en doneert elke maand een paar tientjes. Op de begraafplaats hielp hij eerder ook weleens mee, als de gemeenschap daartoe opriep. Dan tilde hij met vijftien andere mannen betonkelders de kuilen in.

Op zich vindt hij dat iedereen op die begraafplaats mag liggen: Marokkaans, Hindoestaans, maakt niet uit. En hij neemt het Karamatali ook „absoluut niet kwalijk” dat die het grafveld zo royaal openstelde. „Het siert hem juist dat hij niet in hokjes denkt.” Maar natuurlijk, ja: hij hoopt wél dat er een uitbreiding komt van de begraafplaats. „Mijn ouders hechten er veel waarde aan.”

Ali Karamatali krijgt in het najaar elke dag telefoontjes vanuit zijn achterban. „En, is er al een oplossing?” „Heeft de gemeente al gereageerd?” En: „Kan ik nog een plek reserveren, meneer Karamatali?” Ook nu luidt zijn antwoord driemaal „nee helaas”. Zeker twintig mensen uit zijn achterban staan op een wachtlijst voor het reserveren van een graf, vertelt hij. Karamatali: „Als ik hen nú zou vertellen: ‘ja, ik heb een plekje voor je’, dan zouden ze gelijk naar me toekomen en betalen.”

Had hij het aantal begrafenissen niet op een eerder moment moeten indammen? Karamatali schudt resoluut zijn hoofd. „Ik ben heel blij dat ik mensen heb geholpen.” Speelde geld een rol? Een plek op de begraafplaats kost 6.500 euro. De honderden begrafenissen in het eerste coronajaar hebben dus een paar miljoen euro opgeleverd. Dat was geen motief, antwoordt Karamatali: de begraafplaats was anders ook vol geraakt, maar dan later. Met het binnengekomen geld heeft de stichting van de begraafplaats en moskee leningen afbetaald die ze was aangegaan bij de aankoop en uitbreiding van de begraafplaats en de bouw van de moskee. En, heel belangrijk, voegt Karamatali toe: „Er is nu een potje voor het kopen van nieuwe grond.”

Vind maar eens grond voor eeuwige grafrust. Karamatali is eerst nog optimistisch. Pal ten oosten van zijn grafveld, ook nog op het begrafenisterrein, ligt een behoorlijke lap gras. Kan hij er zo bij trekken, toch? Nee, hoort hij van de gemeente: er liggen leidingen onder. Oké, die grond aan de andere kant van de doorgaande weg dan, waar nu die bomen staan? Tsja, zegt Almere: die grond moet je eerst ophogen, want een graf moet wettelijk ruim boven het grondwater liggen. En daarna moet die grond nog inklinken. Ben je zo drie jaar verder. En die tijd is er niet meer.

De islamitische begraafplaats loopt vol, de nabijgelegen Joodse wilde grond verkopen.

Plots heeft Karamatali geluk. Mazzel, beter gezegd. Aan de zuidkant van het begrafeniscomplex aan de Kruidenweg, aan de andere kant van de algemene begraafplaats en op nog geen tweehonderd meter van de islamitische, bevindt zich een Joods grafveld. Een veld van enkele tientallen meters breed en lang. En er liggen maar zo’n vijftien mensen. Het groepje zerken oogt verloren, achter in het halfhoge gras. Links op het veld is het gras nog hoger, rietachtig bijna. Een manshoog hek met Abusketting verspert de toegang.

Eigenaar is Vereniging Het Joodse Begrafeniswezen te Amsterdam. Die kocht het veld in 2004 van gemeente Almere vanuit de gedachte dat de snelle bevolkingsgroei in die stad zou leiden tot veel meer Joodse inwoners. „Dat is tegengevallen”, zegt directeur Jaacov Zwi Spiero.

Het onderhoud van de grond schiet erbij in, en daarom schakelt het Joodse Begrafeniswezen in 2020 een makelaar in: kan een deel van de grond misschien worden verkocht? Om met de opbrengst vervolgens de resterende grond wél goed te onderhouden? De makelaar benadert de gemeente. Die denkt onmiddellijk aan Karamatali.

Imam Karamatali is verrukt. Hij gaat om de tafel met de Joodse partij en praat over de koop van een stuk grond waar hij naar eigen zeggen „zo twee, drie jaar mee vooruit kan”. Ze praten ook over twee afzonderlijke „opgangen”, voor elk geloof één, en over een scherm of haag om de doden te scheiden, de eeuwig rustende moslims links, de eeuwig rustende Joden rechts. „Ja,” zegt de makelaar, „op het eerste oog een opvallende combinatie.”

Maar het laatste woord, ook bij een doorbraak geforceerd door wereldreligies, is aan de afdeling grondzaken van gemeente Almere. En grondzaken zegt nee. Want de betrokken ambtenaren slaan „steil achterover” van de voorlopige prijsafspraak tussen de Joodse en islamitische partij. De gemeente verkocht de grond in 2004 aan het Joodse begrafeniswezen voor het spotgoedkope bedrag van circa 5 euro per vierkante meter omdat ze de Joodse partij „tegemoet wilde komen”, en nu ligt er een afspraak op basis van de marktprijs van 2020, en die is 170 euro per vierkante meter. Een prijsstijging van 3.400 procent. De gemeente is „principieel tegen zulke grondspeculatie” in de openbare ruimte en eist een tussenrol op: ze wil eerst voor een „redelijk bedrag” de grond terugkopen van de Joodse partij, en die daarna tegen de marktprijs doorverkopen aan de islamitische. Maar de onderhandelingen met het Joodse begrafeniswezen komen nauwelijks op gang. De gemeente wil niet heel veel meer betalen dan die 5 euro per vierkante meter, en het Joodse begrafeniswezen vindt dat gezien hun onderhoudskosten van „duizenden euro’s” per jaar „niet interessant”, aldus een bestuurslid.

Wij willen nu denk ik ook hier in Nederland begraven worden

Hafza Ameziani kleindochter van Mohammed Ameziani, die werd begraven in Almere

Het islamitische grafveld ligt vol en het Joodse leeg, maar het dodenakkerakkoord is van de baan. „We betreuren het zeer”, zegt de betrokken ambtenaar.

Karamatali gaat op de creatieve toer. Misschien kan hij dieper gaan graven. Het lichaam komt dieper in de grond, en jaren later begraaf je erbovenop een tweede lichaam met ertussen een laag zand. Hij raadpleegt „hoge schriftgeleerden in India, Engeland en Nederland”, en krijgt de indruk dat het mogelijk moet zijn, bij wijze van uitzondering. Want de Nederlandse schaarste van grond ís zo’n uitzondering, zegt Karamatali.

In maart 2021 komt de gemeente Almere met een nieuw voorstel. Een veld op de algemene begraafplaats in Almere Haven. Karamatali neemt er een kijkje en noemt het een „prachtige locatie”. Het voorstel moet eerst langs het Almeerse college en de raad. Begraven kan waarschijnlijk pas vanaf ergens in 2022. Vóór die tijd is de begraafplaats aan de Kruidenweg vermoedelijk al vol, dus het zoeken gaat door.

Het zoeken zal ook niet gauw meer stoppen. Een drietal Marokkaanse moskeeën van Almere heeft inmiddels ook een gezamenlijk verzoek ingediend voor het stichten van een islamitische begraafplaats in de gemeente, vertelt de betrokken ambtenaar. „Corona heeft er ingehakt, bij de islamitische gemeenschap. Die wil ook na corona de mogelijkheid om in Nederland te worden begraven.”

Dit speelt niet alleen in Almere, maar in heel het land. De islamitische begraafplaats in Zuidlaren heeft liefst vijftienhonderd plekken, maar loopt vol in een onvoorzien hoog tempo. De stichting die Zuidlaren onder haar hoede heeft, overlegt ook met de gemeenten Maassluis en Utrecht over het oprichten van begraafplaatsen. „Repatriëren gebeurt steeds minder”, zegt stichtingvoorzitter Hamed Amrino. „Dit is een verschuiving.”

In de Leidse portiekwoning, huize-Ameziani, voltrekt de verschuiving zich ongeveer waar je bij zit.

Mohammed Ameziani’s weduwe Louisa, in het Arabisch: „Hier overlijden, en daarna naar familie gebracht worden in Marokko, dat is bij ons normaal.”
Zoon Mostafa: „Het idee van een retour bestaat altijd. Je draagt het bij je. Het zit…,” hij gaat met zijn wijsvinger naar zijn voorhoofd, „…hier, tussen je ogen.”
Dochter Hadhoum (49): „De eerste tijd na de begrafenis was vreselijk. Ik droomde over mijn vader. Hij zei: ‘Ik ben verdwaald.’”
Mostafa: „Ik heb het geaccepteerd omdat het moest – we kónden hem niet brengen.”
Hadhoum: „Het zit goed nu. We kunnen naar hem toe, één of twee keer per week, dat is een groot verschil met Marokko.”
Louisa: „Ik heb het nu geaccepteerd, want hij ligt tussen andere moslims. En hij heeft zijn eeuwige rust.”
Kleindochter Hafza: „Wij willen nu denk ik ook hier in Nederland begraven worden.”
Mostafa: „Het is het begin van een nieuwe cyclus. Mijn vader heeft de weg veranderd. Of: corona heeft de weg veranderd.”

En als Mostafa zoals bijna elke vrijdag samen met zijn moeder de 65 autokilometers naar de Almeerse Kruidenweg heeft afgelegd, lopen ze het grafveld op – het ligt vol nu, op zo’n veertig graven na – en zeggen ze ‘salam aleikum’ tegen Ali Karamatali en zijn zoon Moegtaar. Ze houden in bij het graf met de rozemarijnstruik in strook vijf. Daar knielt en bidt Mostafa Ameziani. En als hij opstaat, en voor zich kijkt, naar strook vier, ziet hij tussen de graven een vrijgelaten plek. Die is voor Louisa. Ze reserveerden ’m in juni. Toen kon het nog nét.

Foto’s Daniel Niessen