Recensie

Recensie Boeken

Waarom ze zich laat likken door de beer

Marian Engel In deze roman wordt dertiger Lou verliefd op een beer, die haar aflikt omdat ze zich met honing of menstruatiebloed insmeert.
Illustratie: Paul van der Steen

Beer, een van de meer dan tien boeken die de Canadese Marian Engel (1933-1985) bij leven publiceerde, de bekendste ook, is opgedragen aan John Rich, haar therapeut. Dat zegt niet zo veel (schrijvers zonder therapeut kunnen er ook wat van, qua wonderlijkheden), maar is op een of andere manier wel grappig: de kleine roman gaat over een vrouw die valt voor een beer. ‘Die weet hoe dieren denken’, staat onder de naam van Engels therapeut. Ja, wie is hier nu helemaal een dier?

Lou, een bibliothecaresse van tegen de dertig, gaat overigens wel een stapje verder dan ‘vallen voor’. Ze grijpt haar persoonlijke Bokito niet eens spreekwoordelijk bij de ‘donzige, asymmetrische ballen’. Het knappe van de roman is dat je, tegen de tijd dat het gebeurt (je wordt er niet gelijk tot je schouders in geslingerd), bíjna begrijpt waarom die vreemde Lou dat doet. Waarom ze zich laat likken door de beer (‘zijn tong krulde recht omhoog en hij stak hem in haar kut’ – bijna, zeg ik toch), waarom ze zich vastgrijpt in die vacht.

Lou is een vrouw met armen die ‘slakbleek’ zijn, een vrouw die leeft alsof ‘het leven in het algemeen de pik op haar had, alles werd altijd weer grijs’. Ze archiveert aan het Historisch Instituut en omringt zich daar met geredde parafernalia die mensen erheen brengen: ‘een gedicht op een oorkonde van Chingacousy Town-ship, getooid met een kransje mensenhaar […]. Snuisterijen waarmee ze zichzelf eraan herinnerde dat lang geleden de buitenwereld nog bestond’. Aandoenlijk, zo’n vrouw tussen de vergeelde foto’s. Heel spannend: nee. Lou is tot haar eigen verdriet een vrouw voor wie de directeur als hij afscheid van haar neemt terugdeinst, door de geur van mottenballen.

Onherbergzaam eiland

Dat afscheid komt dus nogal gelegen. Het instituut erfde een heel huis op een onherbergzaam eilandje in het noordoosten van Ontario, Lou gaat de inventaris opnemen. Een uitdaging voor een stadsmens als zij al die natuur. En dan nog de onheilspellende elementen. Al vóór de overtocht herkent ze het water: ‘Het stond haar nog helder voor de geest dat ze hier al eens was geweest. Ze herinnerde zich een strand, een zilverkleurig meer, iets verdrietigs dat er gebeurde. Iets, ja, dat gebeurde toen ze nog heel klein was, een verlies.’ Prachtig dat Engel het hierbij laat – niets in het voorbeerse doet ertoe. Ook lichtelijk gothic: de albinozoon van de behulpzame buurtgenoot, de haviken die slechte voortekenen zijn, de ‘spookachtige’ roep van een roerdomp.

Op een ansichtkaart naar de directeur schrijft ze: ‘Ik heb het vreemde gevoel herboren te zijn’.

Enter: de beer. Een oud beest, zijn vacht mat, meelijwekkend aan een ketting. Lou moet er iets mee, zo tussen het archiveren van de bibliotheek door, maar weet niet goed wat. Op aanraden van een huisvriendin (stokoud, ‘ogen zo kwiek als oesters’) gaat ze een keer samen met de beer poepen. Dat schept een band. Een band die, zo bleek al, wel heel intiem wordt. Omdat Lou daar op dat eiland wat verpietert, of omdat ze al zo verpieterd was. Om de onbevredigende relaties met mannen – ze laat zich af en toe eens door de directeur nemen, haar enige menselijke contact, maar ‘het was iets geworden wat ze zichzelf aandeed’ (even ademhalen tussen alle #metoo-romans door; ze doet het zelf, wekt niet de indruk dat de ander daarmee schuldig is – inspiratieloze seks, niet meer dan dat). Omdat ze haar bestaansrecht ontleent aan haar werk. Om het mysterie, om de notities over beren die uit alle oude boeken vallen. Om de zinnelijke natuur, waarin de grond sponzig is en ‘vergeven en wemelend van half-geboren insecten’.

Ach, redenen te over – hoe machtig ze zich voelt, lezend over allemaal mannen (romantische schrijvers natuurlijk!) in allemaal boeken: ‘een vrouw die met haar voet over de dikke vacht van een beer streek ging hun voorstellingsvermogen te boven’. Hoe dan ook is ze helemaal weg van de beer. Als een smoorverliefde dichter probeert ze alle vergelijkingen uit die zijn pracht, aandoenlijkheid, lieflijkheid, gevaarlijkheid moeten vatten. Koning! Bosmarmot! Oude vrouw! Baby! Zeehond! Vloerkleed! Krokodil! ‘“Beer,” riep ze, “ik hou van je. Ruk mijn hoofd eraf.”’

Niet dat haar liefde beantwoord wordt. De beer likt haar af omdat ze naar de honing ruikt waar ze zich mee insmeert. Of naar menstruatiebloed. Zelf wordt hij niet opgewonden. De enige keer dat dat wel gebeurt, als zijn rare penis ineens verschijnt, loopt Lou gelijk gevaar.

Onbedwingbare man

Lezen we hier een parabel? Gaat het hier om de fallische dreiging, de onbedwingbare man? Zoals die behulpzame buurtgenoot van Lou, die na een leuke middag meteen méér verwacht. Zoals de man waar ze aan terugdenkt, ‘die zei dat je tegenwoordig geen vrouw meer kon vinden die puur naar zichzelf rook’.

Maar nee, niet per se. Lou ruikt immers ook niet naar zichzelf: Lou stinkt naar beer. Lou vergrijpt zich aan de beer! En de afwisseling met de buurtgenoot bevalt haar ook wel goed. En ‘wat haar tegenstond in mannen was niet zozeer hun erotiek als wel de aanname dat die bij vrouwen ontbrak.’ Ze wordt lui en vuil, vreemder, misschien wel net zo vreemd als de ‘Colonel’ die het huis naliet (en die bij nader inzien een vrouw bleek, daar zit ook nog een hele geschiedenis aan vast, vergeef me, de beer werkt nogal afleidend).

Wie is het dier? Wie heeft de macht? En de liefde – wanneer is die eerlijk? Geen antwoord zoeken nu, gewoon lezen in vermoedelijk een van de mafste boeken van het moment (en van 1976). En vooral niet, zoals de recensent van dienst, uit nieuwsgierigheid even opzoeken hoe zo’n berentong er eigenlijk uitziet.