Recensie

Recensie Boeken

Dit boek uit 1940 waarschuwt voor naderend onheil

Kallocaïne Zoals wel meer intellectuelen was de Zweedse schrijver en dichter Karin Boye (1900-1941) een tijd in de ban van het socialisme. Daar kwam verandering in toen ze zag waar dat socialisme in de praktijk op neerkwam.
In de Sovjet-Unie wordt de boodschap van het socialisme verspreid.
In de Sovjet-Unie wordt de boodschap van het socialisme verspreid. Foto ANP

Zoals wel meer intellectuelen was de Zweedse schrijver en dichter Karin Boye (1900-1941) een tijd in de ban van het socialisme. Daar kwam verandering in, zoals bij wel meer intellectuelen, toen ze zag waar dat socialisme in de praktijk op neerkwam: toen ze in 1928 een reis naar de Sovjet-Unie maakte, bedoeld om inzicht te vergaren over het reilen en zeilen van een collectivistische maatschappij, draaide dat uit op een ontgoocheling. Ze kreeg amper mensen te spreken, had de indruk dat ze in de gaten werd gehouden en liep aan tegen een ondoordringbare bureaucratie.

De idioterie van de Sovjet-Unie en het rijzende kwaad in het Duitsland van de jaren twintig en dertig stimuleerden haar om Kallocaïne (1940) te schrijven, een dystopische roman die in ‘thuisland’ Zweden nu nog tot de klassiekers schijnt te behoren. Het is een roman die we zomaar, aldus vertaler en nawoord-schrijver Bart Kraamer, aan het canonieke rijtje Brave New World van Huxley, 1984 van Orwell en Wij van Zamjatin kunnen toevoegen. En daar is, alleen al op basis van het vindingrijke vertrekpunt van de roman, wel iets voor te zeggen: wetenschapper vindt in een denkbeeldige, totalitaire staat een middel uit dat het mensen onmogelijk maakt om te liegen. Een soort vloeibare leugendetector dus: gezagsgetrouwe ambtenaren spuiten het goedje in de aderen van een verdachte burger en controleren daarna, vragen stellend, of hij wel een beetje in de lijn van de leer denkt. Het collectief is heilig, het dwarse individu moet wijken en zelfs ongeluk is onwenselijk.

Naderend onheil

Zomaar een dilemma uit Kallocaïne: mag je als overheid ingrijpen als je weet dat iemand de boel in de toekomst zou kunnen ondermijnen, dus voordat iemand überhaupt is toegekomen aan het plegen van een misdrijf? Door het middel te vernoemen naar de uitvinder ervan, Leo Kall, benadrukt Boye de rol van het individu in een grote maatschappelijke ontwikkeling. We zijn getuige van de opkomende populariteit van het middel, maar we krijgen ook volop te zien hoe Kall er als een soort wethouder Hekking zorg voor draagt dat het een succes zal wórden. Hij is verblind door ambitie en laat zich eenvoudig vergelijken met iemand als Robert Oppenheimer, die eerst geestdriftig meewerkte aan de ontwikkeling van de atoombom en vervolgens een beetje beteuterd toezag hoe men er in Hiroshima en Nagasaki duizenden onschuldige burgers mee doodde. Voor een boek over ethiek was het voor Oppenheimer toen te laat.

Een van de grote verdiensten van Kallocaïne is dat je, ondanks alle in het oog springende maatschappelijke en ethische misstanden, toch niet bevroedt welke prijs Kall voor zijn eigen uitvinding zal moeten betalen – want dat gaat natuurlijk gebeuren.

Boye, die een jaar na publicatie een einde aan haar leven maakte, schreef Kallocaïne in de zomer van 1940, in ‘één lange ingeving, zonder pauze’, aldus Kraamer. Die eruptie voorziet het boek van een knisperende drift, maar heeft ook een behoorlijk, zuiver literair nadeel, want erg pakkend of beeldend is het allemaal toch niet geschreven. Zo krijg je de wereld waarin alle ellende zich afspeelt eigenlijk niet te zien en zitten ook de karakters tegen het eendimensionale aan. Opvallend genoeg staan er dan wel weer allemaal aforistische zinnen in die het citeren waard zijn. Kall na een roman lang op een vijand te hebben gejaagd: ‘Ik was niet overmand door medelijden met hem omdat hij zou worden veroordeeld en zou sterven, maar ik was woest verbitterd dat ik mezelf had beknot door hem aan te geven.’ Wantrouwen maakt muizen van mensen, dat is de les. Ontstellend eigenlijk, dat Boye ons met een hyperbolisch boek voor een naderend onheil wilde waarschuwen, maar dat die hyperbool nog geen fractie bevatte van de daadwerkelijke horror die de wereld zou overspoelen. Anders gezegd: de vernietigingskampen, die zag Boye nog niet voor zich. Die konden pas achteraf beschreven worden, na de oorlog, en fictie had men er ook niet voor nodig.