Recensie

Recensie Boeken

Een pageturner over de vrouw achter CRISPR-CAS

DNA-onderzoek Aan de hand van het leven en het werk van DNA-onderzoeker Jennifer Doudna kritiseert Walter Isaacson de ondergeschikte positie van vrouwen in de wetenschap.
Jennifer Doudna, gefotografeerd in het Li Ka Shing Center op de campus van de University of California, Berkeley.
Jennifer Doudna, gefotografeerd in het Li Ka Shing Center op de campus van de University of California, Berkeley. (Nick Otto For The Washington Post via Getty Images)

Het atoom, de bit en het gen. Dat zijn volgens journalist en biograaf Walter Isaacson de fundamentele elementen van de drie grote revoluties van de moderne tijd, die in de natuurkunde, de informatietechnologie en de biologie. Nadat hij met biografieën van Albert Einstein en Steve Jobs de eerste twee had behandeld, was het nu tijd voor de biologie. Hij koos voor Jennifer Doudna (1964), een Amerikaanse moleculair bioloog die vorig jaar samen met de Franse Emmanuelle Charpentier de Nobelprijs voor Scheikunde ontving voor de opheldering van een methode die bacteriën ontwikkelden om zich te beschermen tegen virussen, CRISPR-CAS.

Dit op zich obscure mechanisme bleek ongekende mogelijkheden in zich te dragen. Het gaf ons een instrument in handen om erfelijk materiaal gericht en uiterst precies te veranderen en zo erfelijke ziekten te genezen, of erfelijke eigenschappen naar believen aan te passen en designerbaby’s te creëren, om maar direct de meest extreme toepassing te noemen. Daarmee is het een voorbeeld van wetenschappelijk onderzoek dat grote maatschappelijke, sociale en vooral ethische consequenties heeft. Maar Isaacsons verhaal rond CRISPR-CAS raakt aan veel meer.

Door een vrouw als hoofdpersoon te nemen, biedt hij niet alleen een inkijkje in de wereld van de biowetenschappen, maar stelt hij ook de nog altijd ondergeschikte positie van vrouwen in de wetenschappelijke wereld aan de kaak. Hij doet dat door het verhaal van Jennifer Doudna te spiegelen aan dat van Rosalind Franklin, die met haar onderzoek rond 1950 een cruciale bijdrage leverde aan de opheldering van de dubbele-helixstructuur van het DNA door Watson en Crick. Zij werd door hen genegeerd, terwijl ze zich wel haar werk toe-eigenden zonder haar toestemming. Een andere belangrijke bijrol is ten slotte weggelegd voor James Watson zelf en zijn extreme opvattingen over ras en genetica. Maar de echte hoofdpersoon van het boek is toch CRISPR-CAS.

Watson was ook degene die Doudna ooit op het pad van de biologie zette. Als jong meisje kreeg zij van haar vader een exemplaar van zijn boek The double helix, ‘een uiterst persoonlijk detectiveverhaal (…) – vol levendig beschreven karakters – over ambitie en concurrentie in de zoektocht naar de verborgen geheimen van het leven.’

Doorzetten

Het boek wekte haar belangstelling voor de chemie, al werd ze daarin op zijn zachtst gezegd niet gestimuleerd. Maar ze zette door, promoveerde en kreeg na een rondgang langs een aantal Amerikaanse universiteiten, uiteindelijk een aanbod van de universiteit van California in Berkeley, waar ze nog altijd aan verbonden is. Daar kwam ze voor het eerst in aanraking met CRISPR-CAS.

Op dit punt neemt Isaacson rustig de tijd om de ingewikkelde materie rond eiwitten, DNA en RNA met alle voorgeschiedenis heel duidelijk uiteen te zetten, en dat is knap voor iemand die daar zelf nauwelijks enige achtergrond in had.

Hij verbleef wekenlang in het laboratorium van Doudna en volgde daarnaast ook andere betrokkenen via interviews en door zelf conferenties en vergaderingen bij te wonen. Er gebeurde genoeg – een reeks van baanbrekende ontdekkingen, smeuïge anekdotes, ruzies en rechtszaken stuwen het verhaal voort. Maar ook de wat drogere materie rond ethische kwesties, met name wat betreft de mogelijkheid om eigenschappen van embryo’s te veranderen, zet hij helder uiteen. Het is ook mooi om te zien hoe Doudna’s eigen opvattingen hierover in de tijd veranderden. Zulke inkijkjes maken de onderzoekers tot meer dan Dr. Frankensteins die de wereld met een nieuw technologisch hoogstandje verrijken.

Mijn enige bezwaar is Isaacsons wat hijgerige, vermoeidende stijl, van cliffhanger naar cliffhanger, in veel korte hoofdstukjes. Een ander punt van kritiek is dat hij uitgebreid aandacht besteedt aan de coronapandemie en aan een mogelijke rol van CRISPR-CAS in de bestrijding daarvan. Sowieso is veel van het onderzoek rond CRISPR-CAS, dat toch al zo’n vijftien jaar duurt, nog volop in ontwikkeling. Maar wat betreft de bestrijding van het coronavirus is de rol van CRISPR-CAS wel heel ongewis: ideeën te over, maar evenveel onzekerheid over de praktische uitvoering en de kosten daarvan. In een krantenartikel had je daarover kunnen berichten, maar in deze biografie misstaat het.

Provocerend onderzoek

De code kraker toont een wetenschapscultuur ‘die een premie zet op provocerend onderzoek, beroemdheid, nationale wetenschappelijke rivaliteit en de eerste zijn.’ De woorden rivaliteit en competitie(f) zijn zo goed als op elke pagina te vinden. Doudna’s ‘tegenstanders’ zijn Feng Zhang en George Church, beiden verbonden aan prestigieuze instituten aan de oostkust van de Verenigde Staten, waarmee tegelijk de geografische tegenstelling die in Amerika altijd sterk aanwezig is, wordt onderstreept. Over zo goed als elke nieuwe stap, elke nieuwe ontdekking treden Doudna’s en Zhangs groep wel in het strijdperk. Wie de patenten op zijn naam krijgt die genetische manipulatie in menselijke cellen mogelijk maken, wordt met advocaten uitgevochten.

Wat Isaacson heel goed laat zien is dat wetenschappelijke ontdekkingen nauwelijks meer toegeschreven kunnen worden aan individuen. Kennisvorming is een collectief en tegenwoordig ook onvermijdelijk internationaal proces en zolang het beloningssysteem gebaseerd blijft op intellectueel eigendom zullen conflicten over prioriteitskwesties en toekenning van prijzen blijven bestaan. Het is daarom jammer dat Isaacson alles wel heel erg door een Amerikaanse bril bekijkt. Nu zijn de Verenigde Staten het land waar innovatie meer dan elders telt, waar creativiteit veel geld kan opleveren, en waar nu eenmaal alles als een wedstrijd wordt behandeld – allemaal elementen die een boek aantrekkelijk maken.

Natuurlijk is Doudna’s publiciteitsschuwe mede-Nobelprijslaureaat Charpentier een minder geschikte hoofdpersoon voor een pakkend boek, maar om nu alles vanuit het oogpunt van Doudna te beschouwen gaat wat ver. Ook komen tal van andere belangrijke bijdragen van – opvallend genoeg – veelal niet-Amerikaanse onderzoekers weliswaar aan bod, maar ik had graag het verhaal van de ontdekking van CRISPR-CAS meer vanuit hun standpunt belicht gezien. Dat de biografie van CRISPR-CAS desondanks een wetenschappelijke pageturner heeft opgeleverd, staat buiten kijf.