Recensie

Recensie Boeken

De verleiding van Paul Biegels tovertaal

Paul Biegel Vijftien jaar na zijn dood is deze kinderboekenschrijver allerminst vergeten. Zo blijkt uit een door zijn dochter samengestelde bundel met dertig van zijn verhalen.
Illustratie uit het besproken boek.
Illustratie uit het besproken boek.

Dertig jaar geleden was meesterverteller Paul Biegel (1925-2006) te gast in de talkshow van Sonja Barend. Over zijn oeuvre zei hij toen dat hij dacht dat hij op een goed moment ouderwets gevonden zou worden: „Dan zeggen de mensen: Oh, die Biegel, nee, gooi maar weg.” Maar Biegels vrees voor een roemloos einde in de prullenbak is onterecht gebleken: de recent verschenen verhalenbundel Groot Biegel sprookjesboek – zorgvuldig samengesteld door Biegels dochter Leonie – bewijst dit nog maar weer eens.

De dertig fantasievertellingen over toverhoeden, vervloekte dwergen, zeeheksen, nevelkinderen en eekhoornmannetjes zijn opvallend toegankelijk en treffend tijdloos in hun sprookjeskarakter. Voor de nieuwe generatie lezers is de bundel zodoende een perfecte kennismaking met Biegels omvangrijke oeuvre dat Gottmer sinds afgelopen najaar terecht weer op de markt brengt.

Wat direct opvalt aan de verhalen zijn de goedlopende, evenwichtige voorleeszinnen en Biegels karakteristieke klankrijke taalspel vol woordvondsten. Zo verschijnt er in ‘Het hobbelpaard’ een fee ‘met vleugels van wirwargaas’, klinkt er uit de oude muziekdoos in ‘Moeder Muis’ een ‘roestig geknirp’, en is de vrolijk allitererende en assonerende bijvangst van de visser in ‘De zoute goudvis’ uniek Biegeliaans, met in zijn sleepnet de ‘volle-bolle-rolbuikvis, de slippe-slakke-sliereslak, de kwaje-graaihaai, de kalme-talmzalm en de fong-jong-bong-jongtong’. Vergeleken met de ‘zwebbelarijen’ in klassiekers als De tuinen van Dorr (1969), of Nachtverhaal (1992) zijn Biegels woordspelen in de sprookjesbundel bescheiden van omvang, maar het verleidingseffect is er niet minder om: moeiteloos treed je zijn wondere werelden binnen.

Meer dan spielerei

Biegels tovertaal is overigens meer dan zomaar wat spielerei. De grootmeester bezat een feilloos gevoel voor dubbelzinnigheid: het vermogen om met taal te verwijzen naar onze waarneembare werkelijkheid, maar tegelijkertijd een ander, magisch universum op te roepen. Zo weet hij dode dingen als speelgoed, papierknipsels en schoenen tot leven te wekken. Zoals in het dichterlijke verhaal over de basaltsteen die zo graag een haas zou willen zijn (‘De zeehaas’). De onvervulbaarheid van dit verlangen lijkt evident. Maar wanneer je leest, ‘zo lag hij op het strand en iedere keer wanneer het vloed werd, omhelsde de zee hem en als het eb werd, bleef hij weer alleen achter en droop van de tranen’, besef je dat ook een basaltsteen een ziel heeft en droef kan zijn. Op een vergelijkbare manier tovert Biegel er in ‘De zoute goudvis’ vanuit de taal zomaar een nieuwe vissoort bij. Wanneer de koningin uit dit verhaal na de dood van haar goudvis een visser gelast een nieuw exemplaar te vangen voor haar met tranen vol gehuilde ‘vijver van verdriet’, concludeert de man dat hij ‘een zoutvis’ moet vangen: ‘een vis die niet bestaat?’

Illustraties Charlotte Dematons uit besproken boek

Biegel was een meester in suggestief schrijven en het listig gebruik maken van onze ‘willing suspension of disbelief’. Ook in het nieuwe sprookjesboek bevind je je regelmatig laverend op de mistige grens tussen fantasie en werkelijkheid, echt en onecht, geloof en ongeloof. ‘Echte toverdingen gebeuren alleen maar als niemand het ziet’, staat er in ‘Het wolkenschip’. ‘Daarom gelooft niemand dat ze bestaan.’ Ondertussen vermoed je dan allang dat de kaboutertjes die het meisje Madelief op het voorbij zeilende wolkenschip heeft gezien, echt zijn. Eerst denk je nog, samen met Madelief, ‘wat een vreemd avontuur’. Maar wanneer het kind dat in haar eentje op een bergtop woont ziek wordt, en haar boodschappenmand de volgende ochtend letterlijk de benen genomen heeft om in het dorp met levensmiddelen en medicamenten gevuld te worden, zet je je ongeloof voorgoed opzij.

Die suggestieve sprookjessfeer die Biegel in de verhalen oproept, wordt effectief versterkt door Charlotte Dematons fijnzinnige illustraties in diepe tinten, die dikwijls achter de tekst doorlopen en zo een fraai geheel van de bundel maken. Net als in Biegels Nachtverhaal en ook haar bejubelde Alfabet (2020) besprenkelt deze meester van het detail de werkelijkheid met een delicaat vleugje magie. Aangenaam bevreemdend bijvoorbeeld zijn de kunstige vissenpruiken van de hofdames die in ‘De zoute goudvis’ hartstochtelijk meehuilen met de koningin. En geweldig geheimzinnig is het papieren paleis in het gelijknamige verhaal dat toverachtig schijnt tegen de zwartbruine achtergrond. De nauwgezet geschilderde lijmtube is de stille getuigenis van het feit dat het lucide bouwwerk inderdaad een plakwerk is. Maar de ijle schaduwen van de dansende droomfiguurtjes en het petieterige, duidelijk zichtbare mannetje bovenop de paleistoren doen je inzien dat de droom van ‘paleisbouwer’ Sofietje meer dan een droom was.

De essentie van sprookjes

Biegel was een liefhebber van Grimm, maar kan door zijn meerduidige schrijfkunst zelf eerder een sprookjesschrijver in de traditie van Hans Christian Andersen genoemd worden. Biegel was ervan overtuigd dat ‘de essentie van sprookjes vaak de diepste, menselijke werkelijkheid is’. Niet toevallig was het leven zelf, of beter gezegd de raadselachtigheid ervan, een onuitputtelijke inspiratiebron voor hem. „Mijn boeken drukken uit hoe weinig ik van het leven begrijp”, zei hij ooit in een interview in deze krant. Veel verhaalfiguren in het Groot Biegel sprookjesboek zijn dan ook dolende zielen, van die universele archetypische oerhelden die worden voortgedreven door een diep verlangen naar zin en geluk. Zo gaat de zwaan in het openingsverhaal op zoek naar een zielsverwant, maar vliegt zo hoog dat hij eindigt ‘tussen de sterren waar het altijd donker is’; en wenst ‘de Eenzame Beuk’ sinds een orkaan zijn beukenbroeder heeft geveld, dat hij kon lopen. Dan zou hij naar het bos gaan, waar de bomen ‘onder de grond hand in hand staan, en boven de grond met elkaar kunnen fluisteren, als de wind door hun bladeren waait’.

Niet alle verhalen zijn van die verhalen ‘met een brokje, waarbij je iets moet wegslikken na afloop’, om met Biegels eigen woorden te spreken (Het Sleutelkruid, 1964). Er staan ook pretentieloze avonturen en dolle verzinsels in de bundel: over een jager die in zijn eigen schot valt, over een baldadige kikker met vrijheidsdrang die ‘zjoem-plof, zjoem-plof, zjoem-plof’ een vrolijke chaos creëert, en over levenslustige schoenen die op een nacht besluiten hun eigen koers te bepalen. ‘Klik-klak’, ‘bonk-bonk’, ‘wiet-wiet’: ‘Ze liepen, ze holden, ze dansten. Ze gingen allemaal lekker de andere kant op. De kant die ze zelf wilden. Want het waren schoenen zonder voeten.’ Die veelzijdigheid weerspiegelt treffend het oeuvre van Biegel, die schreef zoals zijn eigen kleine kapitein vaart, ‘wijdbeens met de ogen op de kim’, op weg naar de horizon en liefst daar voorbij. Precies daarom is Biegel voor altijd.